Black Rock City

On 30 augustus 2011, in cultuur, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 28 augustus 2011:

‘Burning Man’ is een fenomeen in de USA. Het festival begon ooit op het strand van San Francisco, in 1986, toen met twintig deelnemers. Deze week vindt de vijfentwintigste editie van dit inmiddels roemruchte festival plaats in de woestijn van Nevada, nabij het plaatsje Black Rock City. Elk jaar komen hier in the middle of nowhere 50.000 mensen een week lang samen om deel te nemen aan het grootste festival of self-expression. Vanuit het niets wordt er jaarlijks een complete stad opgebouwd, uitsluitend gewijd aan beeldende kunst, muziek en dans. "Burners, as participants in the festival are known, erect everything from circus tents to lavish nightclubs trucked in, piece by piece, from California." Na een week is alles weer opgeruimd. Rod Garrett was haar stedenbouwkundige, sinds 1997. Vorige week overleed hij.

Garrett, een landschapsarchitect uit de Bay Area, ontwierp de stad in een hoefijzervorm – zeg maar, een soort Randstad; het bebouwde oppervlak is 41 miljoen vierkante voet. In het midden liet hij een parkachtige ruimte voor kunstinstallaties. Daar staat Man, een beeld dat aan het eind van de festivalweek in vlammen opgaat. Alles is erop gericht de juiste dichtheid van mensen op de daarvoor geschikte plekken te bereiken. De cirkelvorm heeft hem daarbij zeer geholpen. Auto’s staan langs de buitenkant, waardoor in de stad vooral wordt gewandeld en gefietst. Aan niet minder dan tweehonderd eisen moest Garrett voldoen toen hij als planoloog in 1997 bij Burning Man betrokken raakte. Garrett over de opdrachtgevers: "I’d had quite a lot of experience with planning and building departments and dealing with cities and counties, at least more than they had. They were in trouble, and I helped." Zelfs hier, nota bene in de Amerikaanse woestijn, voor een tijdelijk kampement van festivalgangers die de vrijheid vieren, is planning noodzakelijk. Vrijheid en planning gaan dus wel degelijk samen. Sterker, planning is vereist als grote groepen mensen in de grootst mogelijke vrijheid met elkaar willen leven.Yves Béhar, hoogleraar industrieel ontwerpen aan de California College of Arts, drukt het in de New York Times zo uit: “I wish all cities had such a spirit of utopia by being built around human interaction, community and participation.”

Tagged with:
 

The emperor’s new clothes

On 29 augustus 2011, in cultuur, onderwijs, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘A History of Western Architecture’ (1986) van David Watkin:

Tussen Dresden en Berlijn ligt Dessau. Dessau geniet vooral bekendheid vanwege het  Bauhaus, dat hier tussen 1926 en 1932 was gevestigd. Waarom de legendarische kunstnijverheidsschool destijds uitgerekend naar Dessau verhuisde, is me nog altijd niet duidelijk. Ze was immers in 1919 in het culturele Weimar als staatsschool gesticht en zou in 1933, na nog geen zes jaar in Dessau als stedelijke school te hebben gefunctioneerd, alweer verhuizen naar de metropool Berlijn. Zeker, politieke problemen lagen aan de verhuizing ten grondslag: het radicale programma plag vanaf 1924 bij conservatieven en reactionairen zwaar onder vuur. Maar waarom uitgerekend naar Dessau? Doorgangshuis Dessau was niet groot, ooit was het provinciestadje de hoofdstad van Anhalt, in 1799 kreeg het een van Duitslands grootste theatergebouwen, in de negentiende eeuw door Wagner, Liszt en Paganini gefrequenteerd, maar dan heb je het wel gehad. Destijds telde Dessau amper 70.000 inwoners: geen plek voor een wereldschokkende avant garde die het Bauhaus later bleek te zijn. De inspiratie voor de school kwam evident niet uit Dessau, eerder uit Wenen en Berlijn – zeker twee uur treinen vanuit Dessau. Was het stedelijke bod van een nieuw schoolgebouw dat de architect-directeur definitief over de streep trok? Het is alsof het Berlage Instituut naar Lelystad verhuist omdat het daar nieuwbouw aangeboden krijgt, maar dan wel in combinatie met de plaatselijke LTS.

Eerlijk gezegd maakte ook het schoolgebouw van de grote Walter Gropius geen verpletterende indruk op me. Of eigenlijk zijn het twee gebouwen: het Bauhaus en de ambachtsschool. De gecombineerde gebouwen liggen ver (ruim twee kilometer) buiten het centrum, in een groene vooroorlogse woonwijk. Samen vormen ze een tamelijk levenloos geheel, eerder een fabrieks- dan een scholencomplex. “This radical minimalist architecture was the result of an attempt to reject everything ‘bourgeois’ or ‘impure’, including pinched roofs, columns, ornament, mouldings, symmetry, generosity, and warmth,” schreef de Britse architectuurhistoricus Watkin in 1987. Ik geef Watkin grif gelijk. “The result is leaking flat roofs in constant need of repair; absence of cornices, so that the white plastered walls are always streaked and stained; rusting metal windows; narrow corridors; low rooms; lack of privacy on the one hand, and of splendour on the other; gracelessly exposed mechanical services; and excessive use of glass, causing near-insoluble problems of heat loss and gain.”  Opmerkelijk is wel dat een fietsroute het gelede gebouw doorsnijdt – ooit een autoweg die, naar ik bij Reyner Banham heb gelezen, door Gropius opzettelijk aan het programma was toegevoegd met als doel ‘het moderne verkeer dwars door zijn gebouw’ te geleiden. Het maakte een brugverbinding tussen de twee schoolvolumes noodzakelijk: een gekunstelde ingreep. Ze had de architect-directeur vooral de gelegenheid geboden het programma voor de stedelijke ambachtsschool – een eis van de stad Dessau – ruimtelijk te scheiden van zijn eigen troetelkind. Recht tegenover elkaar, ter weerszijden van de straat, bevinden zich de twee ingangen, in de brugverbinding trof ik de kamer van de directeur. In dat opzicht was de architectuur van de ‘Silver Prince’ weliswaar iets moderner dan het vijftig jaar oudere Rijksmuseum van Cuypers met zijn nog immer omstreden verkeerspoort, maar ook een stuk banaler.

Tagged with:
 

‘Vorstelijke doorrid’

On 26 augustus 2011, in openbare ruimte, by Zef Hemel

Gelezen in ‘P.J.H.Cuypers en het gotisch rationalisme’ (2010) van Aart Oxenaar:

De Gemäldegalerie in Dresden bezocht. Heb me daar vergaapt aan de schitterende Rembrandts die er op de bovenste verdieping hangen. Ook werd ik getroffen door de Gemäldegalerie zelf, een schepping van Gottfried Semper. Een overrompelend gebouw. Vanaf het Theaterplatz bereik je de ingang van de galerie via een poort die toegang geeft tot het grote binnenplein van het barokke Zwinger van architect Poppelman. Ter weerszijden zitten grote deuren waarlangs je de kaartverkoop kunt bereiken. De poort deed me denken aan die van het Rijksmuseum. Ook die is openbaar, verschaft toegang tot het Museumplein en ter weerszijden vind je de entrees van het museum. Wie schetst mijn verbazing toen ik bij terugkomst in Amsterdam in de kranten las dat de nieuwe directeur van het Rijksmuseum de discussie heropent en de poort van het museum aan het Museumplein afsnog wil afsluiten (‘Het Rijksmuseum. Daar fiets je voor om!’).

Nieuwsgierig naar het verband tussen de schepping van Cuypers in Amsterdam en die van Semper in Dresden, sloeg ik het proefschrift van Aart Oxenaar nog maar eens op. Het ontwerp van de Gemäldegalerie dateert van 1839-1855, die van het Rijksmuseum van twintig jaar later. Oxenaar schrijft dat de poort onder het Rijksmuseum ook toen al als een probleem werd gezien. Ze was afgedwongen door de gemeente Amsterdam, die een groot deel van de kosten van het museum (een ton plus de schilderijen) moest dragen en die een toegang vanuit de stad naar de museumterreinen alleszins logisch vond. Stedenbouwkundige van gemeentezijde was Kalff. “De poort met de doorgang naar de museumterreinen nam op de begane grond de plaats in van de middenas met entree, vestibule en centraal trappenhuis, gebruikelijk bij dit type gebouwen. Door de zuinigheid van de gemeente Amsterdam moesten het binnengaan, de ontvangst van de bezoekers en de opgang naar de verdiepingen dus anders georganiseerd worden,” aldus Oxenaar. Ook toen al, voegt hij eraan toe, gingen geluiden op om de onderdoorgang te schrappen. Anderen zagen de poort juist als een bewijs voor de terugkeer van het besef dat een gebouw “onderdeel moet zijn van het levende organisme van de stad”. In een ingezonden brief in het Algemeen Handelsblad noemde Alberdingh Thijm bijvoorbeeld het “een gelukkige gedachte van de gemeente Amsterdam het Muzeüm tot een hartader, een levenskanaal onzer burgerij te verheffen, door het met een vorstelijke doorrid te begiftigen.” Oxenaar schrijft daarop dat Cuypers goed bekend was met hoe Semper twintig jaar eerder had geworsteld met de plaats van de hal en de opgang naar de verdieping in de Gemäldegalerie in Dresden. “Cuypers loste dit nuchter op.” Nog altijd is de onderdoorgang van de Gemäldegalerie een openbaar toegankelijke passage in de stad. Die van het Rijksmuseum dreigt afgesloten te worden.

Tagged with:
 

Het nieuwe Dresden

On 24 augustus 2011, in economie, by Zef Hemel

Gezien op 16 augustus 2011 in Dresden:

Terwijl het platteland van Oost-Duitsland ontvolkt raakt, groeien sommige Duitse steden, althans de grotere. Die steden zuigen het platteland als het ware leeg. Neem Dresden. De Saxische grensstad telt op dit moment 460.000 inwoners, groeit voorzichtig en is nu dus even groot als Den Haag. Bij het bombardement van februari 1945 kwamen 30.000 Dresdenaren om. Daarna begon de leegloop. Nu, twintig jaar na de ‘Wende’, is de stad nog steeds niet op zijn oude niveau. Ook staan er veel panden leeg, vooral in de periferie. Zelfs de grote woonhuizen op de hellingen van het Elbedal, in Loschwitz, staan er sjofel en dikwijls verlaten bij. Echter, bij zoveel schoonheid en kwaliteit zal het met Dresden wel goed komen, denk je dan. Ook de overstroming van de Elbe in 2002 – opnieuw een forse tegenslag  voor de stad – heeft daaraan geen afbreuk gedaan. Het Albertinum is daarna mooier opgeknapt dan ooit; de werken van Caspar David Friedrich stralen je tegemoet en binnenkort prijken de beeldhouwwerken weer in het Zwinger, wanneer daar de restauratie is afgerond. Wat een investeringen in cultuur! De Bondsrepubliek maakt van Dresden niet minder dan een paradepaardje van de hereniging en weet daarbij de juiste snaar te raken: cultuur, cultuur en nog eens cultuur. En in haar kielzog toerisme natuurlijk.

Terwijl er van binnenuit dus massief wordt geïnvesteerd in cultuurhistorie, zoekt de verarmde stad voorzichtig naar contact met zijn omgeving. Nieuwe fietspaden langs de Elbe richting Meissen brengen fietstoeristen in de zomer van Hamburg via Dresden naar Praag. Tegenlijkertijd worden kunst en landschap in verband gebracht met elektronica en high tech industry. Men gokt op het oude industriële verleden van de streek en hoopt deze nieuw leven in te blazen (in Dresden werden de eerste sigaretten, de eerste tubes tandpasta, de erste thee- en koffiefilterzakjes en de eerste latex condooms geproduceerd). Zal het helpen? In ‘’Duitsland achter de schermen’ (2002) schreef Michèle de Waard: “Oost-Duitsland telt de helft minder jonge mensen dan vóór de eenwording. Vooral de best and the brightest trekken naar West-Duitsland of het buitenland om een baan te zoeken.” Verlieten kort na de ‘Wende’ ruim 800.000 Oost-Duitsers het land, sinds de eenwording in 1991 zijn nog eens een miljoen Ossies vertrokken. Inmiddels zijn we tien jaar verder. Het beeld lijkt, althans voor Dresden, iets gunstiger geworden. Sinds 2001 assembleert Volkswagen er zijn Phaeton. Er bleken 120.000 gegadigden voor de 5000 vacatures. Echter, afgelopen februari, tijdens de 65e herdenking van de geallieerde bombardementen in 1945, vonden in Dresden grootschalige rellen plaats tussen neo-Nazi’s en linksradicalen. Meer dan tachtig politie-agenten raakten daarbij gewond. Dresden leek opnieuw een oord waar je, buiten de historische binnenstad gerekend, beter niet kan komen.

Tagged with:
 

One of those eastern towns

On 23 augustus 2011, in demografie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Germania’ (2010) van Simon Winder:

Boeiende reis door voormalig Oost-Duitsland gemaakt. Bezochte steden: Maagdenburg, Dessau, Dresden, Hoyerswerda, Cottbus, Berlijn. Twintig jaar na de ‘Wende’ blijkt de infrastructuur behoorlijk opgeknapt, ook  de woningen zijn vaak opnieuw gepleisterd en ogen redelijk welvarend, maar het land is leeggelopen, ondanks mega-investeringen in de openbare ruimte en het historische erfgoed. In Haldesleben bijvoorbeeld, even ten westen van Maagdenburg, ligt het oude centrum er spik-en-span bij, maar op straat zie je geen sterveling lopen. Winkels zijn er nauwelijks. Buiten elk dorp tref je een moderne loods aan met een filiaal van een supermarktketen. Dat is alles. De jeugd is vertrokken, je ziet er alleen nog oudere mensen. Veel dichtgespijkerde woningen ook. Het land oogt leeg. Ziedaar de effecten van de vergrijzing en de krimp. De jeugd is, ondanks alles, naar de grote steden getrokken. Je treft ze vooral aan in Berlijn. Zelden zag ik het zo scherp terug in het straatbeeld. Vind je het vreemd?

Tijdens de reis las ik ‘Germania’ van de Britse schrijver Simon Winder. Winder beschrijft erin de bewogen geschiedenis van Duitsland aan de hand van steden, musea, monumenten, plekken. Bij tijd en wijle is het boek hilarisch, geestig, dolkomisch, soms echter ronduit droevig en hopeloos stemmend, vooral op het eind. Winder stopt bij de Tweede Wereldoorlog. Het naoorlogse Duitsland krijgen we van hem niet te zien. Of toch. In het slothoofdstuk probeert hij er een eind aan te breien. Hij zoekt daarvoor naar een geschikte plek. Aanvankelijk overweegt hij Halberstadt, in Oost-Duitsland. Het viel in handen van de Russen nadat de Amerikanen het hadden platgegooid. “It now feels like another of those eastern towns, like Halle, Köthen or Brandenburg, which will simply never recover. The inhabitants have gone through too much and too many just want to leave. Immense work has gone into rebuilding parts of the old city, but there is not enough money or energy left.” Winder maakt een vergelijking met de uitvoering van een orgelconcert in een van de kerken van Halberstadt. Men speelt er al jaren een stuk van John Cage: ‘As Slow As Possible’. De uitvoering ervan zal eindigen op 5 september 2640. “It does seem to act as a rather cruel theme-tune for modern Halberstadt.”

Tagged with: