Mettler’s tags

On 30 april 2011, in duurzaamheid, economie, innovatie, by Zef Hemel

Gehoord in Felix Meritis op 21 april 2011:

Laatste spreker tijdens het uitverkochte congres Over Morgen in Felix Meritis, gewijd aan de toekomst van Amsterdam, was Ann Mettler, directeur en mede-oprichter van The Lisbon Council te Brussel. Haar verhaal sloot naadloos aan bij dat van Herman Wijffels, al vermeed ze het duurzaamheidsvraagstuk teveel voorop te stellen. Ze sprak van het post-crisistijdperk, dat ze voor Europa neerzette als ‘a race to the top’. Europa wordt een meritocratie. Alleen ”a benchmark with the best” is genoeg. We moeten wel nu de wereld razendsnel globaliseert. En de steden zijn de sleutel. Ze noemde het voorbeeld van Singapore, waar sinds 1995 de overheid bezig is met The Public Service Change Movement. En Toronto kent een diversiteitsbeleid waardoor het werkloosheidscijfer onder migranten daar lager is dan onder autochtone inwoners en waar migranten over het algemeen beter opgeleid zijn dan elders. Steden, vertelde ze, presteren beter dan landen. Toch gaat ook het geld van de EU niet naar de steden, maar naar regeringen (en landbouwgebieden). Onderwijs en vaardigheden worden steeds belangrijker. “The world is getting smarter.” De kinderen in Sjanghai zijn op dit moment al beter opgeleid dan de meeste Europese kinderen. Het gaat daarbij niet om taal en rekenen. “The need for non routine, interactive skills has exploded.” We moeten onszelf gereed maken voor de oplossing van vraagstukken die we nu nog niet kennen. Anders gezegd, “we need to learn how to learn.” Doen we dat niet, dan dreigt uitsluiting en acute armoede. We moeten anders denken over innovatie. Innovatie is ingrijpend van karakter veranderd. Er is sprake van een ware democratisering van innovatie. Bij innovatie gaat het niet meer om high tech, laboratoria, grote bedrijven. Kosten van innovatie zijn immens gedaald, iedereen kan innoveren. Diversiteit, menging, interdisciplinariteit, congestie, grote steden, ze zijn nu van onschatbare waarde.

Vandaar de sterke opkomst van kleine, flexibele en alerte organisaties. Nu al zijn 90 procent van de bedrijven micro-organisaties van minder dan 10 werknemers. Ze kennen geen bureaucratie, geen werktijden van 9 tot 5. Grote bedrijven, aldus Mettler, zullen niet overleven. Managers zijn een regelrechte sta-in-de-weg, ze hinderen innovatie en flexibiliteit en drijven de kosten op. Mensenwillen dat de opbrengsten van hun werk direct naar hen gaan, niet naar hun bazen. Ze willen niet meer uren pendelen, ze willen opwinding en plezier in hun werk. En ze willen cultuur en ontspanning  dicht bij huis. Ze willen grote steden. Facebook zit niet in Silicon Valley, maar in de binnenstad van San Francisco! Nu al kent Europa 32,5 miljoen zzp-ers. Dat aantal groeit. Ook de overheid moet veranderen. Er is behoefte aan ‘een new kind of openness’, de overheid moet veel strategischer opereren, veel meer feedback organiseren. O ja, dus het tijdperk van de grote kantoren is voorbij. Er is grote behoefte aan ‘coworking spaces’. Die zijn nodig voor de micro-multinationals. Duurzaamheid? Weet u, zei Ann Mettler, dat Zweden de snelst groeiende economie binnen de EU is? Zweden heeft de schoonste, duurzaamste economie van ons allemaal. Onthou dus deze ‘tags’: cities – human capital – innovation – micro-multinationals – sustainability. Zouden ze het in Den Haag nu eindelijk ook hebben gehoord?

Tagged with:
 

Adaptieve stedenbouw

On 29 april 2011, in duurzaamheid, economie, politiek, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord in Felix Meritis op 21 april 2011:

De komende dagen spreek ik in Wenen op een congres over duurzame Europese steden. In mijn hoofd gonst nog Herman Wijffels na. Afgelopen donderdag vertelde hij ons een indrukwekkend verhaal. De zaal van Felix Meritis zat tjokvol, je kon een speld horen vallen, Wijffels sprak ruim drie kwartier aaneengesloten. Dit is – beknopt – wat hij zei: Dit is een tijd om opnieuw de koers uit te zetten. De mensheid gaat een volgende fase in. We hebben het over onze beschaving. Ik geef u mijn coördinaten voor de toekomst. Die coördinaten zijn fundamenteel andere dan die van de industriële tijd. We kunnen spreken van niet minder dan het einde van een levenscyclus. Ik gebruik met nadruk de term ‘overshoot’. Daarmee bedoel ik de overbelasting van onze natuurlijke hulpbronnen. Wij zijn aangelopen tegen de fysieke grenzen van onze planeet. Midden jaren ‘80 belandden wij in deze situatie, juist toen het Bruntland-rapport verscheen. Wij verbruiken in Nederland vijfmaal meer dan onze planeet ons kan leveren. Dat is geen houdbare situatie. Ondertussen zijn wij allemaal hoog opgeleid, maar wij leven niet meer in de instituties van weleer. Er is sprake van een ecologische en sociale mismatch. Deze mismatch is niet minder dan een bedreiging voor onze economie. En dat terwijl sociaal welbevinden en ecologische balans de basis vormen van een vitale, sterke economie. Wij moeten de kwaliteit van onze relaties op een veel hoger niveau brengen. Wij zullen veel efficiënter en effectiever met onze hulpbronnen moeten omgaan. Onze economie is lineair, maar ze moet snel circulair worden. Wij moeten samen overleven.

Wijffels wijdde vervolgens uit over onze sociale instituties. Het menselijke kapitaal, zei hij, moet veel beter worden benut. Een democratie van volksvertegenwoordigers en politieke partijen past niet meer in deze tijd, die is te statisch en te hiërarchisch. Hij pleitte voor een burgerdemocratie. Grote overheidsbureaucratieën met aan de top ministers of wethouders werken te traag. Van specialisatie moeten we naar integratie, want specialisatie leidt tot teveel negatieve bijeffecten. Van verzorgende concepten moeten we naar ontwikkelende concepten – die moeten open en uitnodigend zijn. We hebben ernstig behoefte aan voortdurend creatieve processen. Alles moet interactief! En iedereen moet ook meedoen. Laten we afscheid nemen van de mechanistische concepten en veeleer denken in organische metaforen. Een stad is een levend organisme, geen machine, geen concept, weg met alle beleidssectoren, we moeten integraal leren denken. We moeten het hebben over adaptieve steden. De structuurvisie Amsterdam 2040, voegde hij eraan toe, voldoet ruimschoots aan deze coördinaten. “De visie is voldoende richtinggevend om impact te hebben. Ze is tot stand gekomen op een interactieve manier. Ze zet in op compact en transformatie, ze pleit voor een systeemsprong in het openbaar vervoer, ze is regionaal van karakter, als fysiek kader zit ze goed in elkaar. Ze moet in staat zijn het leven weer heel te maken.”  Wat zei ik? Indrukwekkend.

Tagged with:
 

In a City of Odd Sights

On 28 april 2011, in natuur, by Zef Hemel

Gehoord in Felix Meritis op 21 april 2011:

Zijn naam is Arie Koster. Hij is gepromoveerd op bijen. We hadden hem gevraagd te komen spreken. Vooraf vertoonden we een episode uit de recente Zembla-uitzending over bijensterfte die de redactie gratis beschikbaar had gesteld. De zaal zat geschokt te luisteren. Daarna interviewde ik Koster. Aanleiding: de nieuwe structuurvisie van Amsterdam die van de gemeenteraad bij-vriendelijk moet zijn. Koster wilde graag eerst iets rechtzetten: spreken we over honingbijen of over wilde bijen?, wilde hij weten. Honingbijen zijn namelijk huisdieren; ze worden door imkers gehouden, die uitrukken als er boomgaarden bestuifd moeten worden. Wilde bijen zijn heel iets heel anders. Vervolgens legde hij uit dat wilde bijen in Amsterdam bezig zijn aan een ware opmars. De reden is gelegen in het feit dat de gemeente vrijwel geen onkruidgif meer spuit. Ook de beplanting van de plantsoenen en tuinen is tegenwoordig rijker, gevarieerder. Bijenplaag? Dat is onmogelijk. Bijen zijn, heel anders dan wespen, niet schadelijk en vermenigvuldigen slechts als er voldoende voedsel is. Dat er, omgekeerd, buiten Amsterdam sprake is van bijensterfte in de winter, wilde hij alleen omzichtig bevestigen. Dat insecticiden daarvan de oorzaak zijn, kon hij niet met zekerheid zeggen. “Ik ben geen expert op dat vlak. Ze zijn het nog aan het onderzoeken.” Vervolgens wijdde hij uit over het opwindende bijenleven. De ernst van de situatie werd me hierdoor niet goed duidelijk en ook niet wat Amsterdam aan bijen zou moeten doen. Parijs een bijenstad? Koster meende van niet. Hij had vaak genoeg in een vliegtuig bij het raampje gezeten; één blik naar buiten en je wist of een stad bijvriendelijk was. “Amsterdam heeft méér groen dan Parijs of Londen, dus allicht dat Amsterdam bijvriendelijker is dan zij.”

Onvoldaan las ik tijdens de Paasdagen Joshua Ferris’ nieuwste roman. Wat een toeval! In ‘The Unnamed’ heeft hoofdpersoon Tim Farnsworth een vervelende ziekte. Hij kan niet stoppen met lopen. Elke keer loopt hij gedwongen zijn huis uit, dat gelegen is in een suburb van New York, of vanuit zijn advocatenkantoor op Manhattan, om na uren of dagen uitgeput door zijn vrouw te worden opgeveegd bij een benzinestation of kruising ‘in the middle of nowhere’. Bijen spelen in de roman een belangrijke rol. Op zijn kantoor bijvoorbeeld, op het eind van de winter: “Outside the window, bees were trying to get in, a dozen or so sideswiping the pane, for reasons you had to be an expert on bees to understand. He thought they should be long dead, or still hibernating in one of their combs, if hibernate was what they did – anything but dipping and hovering in the wintry light so many floors up.” Verderop in de roman zit Tim in Bryant Park, hartje Manhattan. Het is vroeg voorjaar. “He stood and began to walk, once again crunching his way through dead leaves, but now, his attention restored, he saw his error. They weren’t leaves at all but rather a thin blanket of dead bees. He lifted his feet as if to avoid stepping on them, but they were everywhere. They thinned out only when he reached the street. He looked back in amazement – at the hundreds, the thousands of delicate brown and yellow carapaces. In a city of odd sights, it took the prize.” Verderop in een bar schuift hij aan enstelt een vraag aan de dame die hem bedient: “Have you seen all these bees around lately?” vraagt hij. “Bees?” antwoordt ze. “Honeybees,” verduidelijkt hij."I haven’t seen any bees.” Waarop Tim riposteert:  “I saw a bunch of them dead in Bryant Park just now. Do you know if bees are supposed to be around this early in the spring? Or if they hibernate?” Zij: I know nothing about bees.”

Tagged with:
 

Het is allerminst stil in Amsterdam

On 27 april 2011, in muziek, by Zef Hemel

Gehoord op vrijdag 21 april 2011:

Het uitverkochte congres Over Morgen, gewijd aan de toekomst van Amsterdam, bevatte ook een werksessie over muziek. Leo Blokhuis vertelde in de Vrijstaat over de muziekscene van Amsterdam. Die is rijk, veel rijker dan die van Rotterdam, zo liet hij zich ontvallen. Die laatste stad blinkt uit in dance, maar aan de Amsterdamse bandjes kan ze niet tippen. Blokhuis vertelde over de recente revolutie in de muziekindustrie, waardoor mensen geen studio’s en platenmaatschappijen meer nodig hebben, maar zelf eenvoudig kunnen mixen op hun zolderkamer. Een fenomeen als Spinvis komt uit die nieuwe situatie voort; die maakt zijn muziek in zijn eentje, vanuit Nieuwegein. Heb je dan geen steden meer nodig?, vroeg ik. Nee integendeel, Blokhuis vertelde dat de optredens voor de muzikanten juist veel belangrijker zijn geworden; aan de verkoop van CD’s verdienen ze niet meer. Mooi hoe hij vervolgens vertelde over de pendel tussen Melkweg en Paradiso: vroeger ging je eerst naar het voorprogramma van de ene, om vervolgens het voorprogramma van de ander te beluisteren, om daarna weer terug te keren naar de eerste, voor de hoofdact. Nog steeds zijn Melkweg en Paradiso van superieure kwaliteit, vond hij. De Arena echter vermeed hij vanwege de slechte acoustiek (al is de Ahoy in Rotterdam nòg erger) en de Heineken Music Hall rekende hij buiten het Amsterdamse – dat was toch vooral een nationale voorziening. De komst van de Ziggo Dome juichte hij toe. In Amsterdam zelf, zei hij, ging het daarnaast vooral om optredens in clubs, maar die clubs lijden op dit moment een noodlijdend bestaan. Hij prees het nieuwe MusiQ in Oost als professionele oefenruimte voor musici en meende dat leegstaande kantoorgebouwen zich ook prima lenen voor studie en optreden. Veel goedkoper nog. Het enige dat daar nodig is, is stroom. Blokhuis, die juist was teruggekeerd van een reis door Amerika – langs Memphis en andere muzieksteden –, wees op de vele kroegen aldaar waar bandjes gretig optreden en waar de deuren gewoon wijd openstaan. Dat zou in Amsterdam ook mogelijk moeten zijn: aan het Leidseplein bijvoorbeeld overal optredens tot in de late uurtjes. De strenge regelgeving en de strakke sluitingstijden in Amsterdam werken echter niet mee.

Aansluitend luisterden we naar ‘’Space Lightning’’, een daklozenband uit Amsterdam Zuidoost. Ze speelden verzoeknummers van Ramses Shaffy (‘Het is stil in Amsterdam’) en André Hazes, allemaal nummers over Amsterdam. Blokhuis kende de band niet. Hij wilde graag luisteren, maar moest snel weg, terug naar Hilversum, want er stond daar een enorme file. Hij had er duidelijk geen zin in, maar zijn blackberry was genadeloos. Liever bleef hij in Amsterdam.

Tagged with:
 

Cruise- en muziekstad

On 26 april 2011, in infrastructuur, muziek, by Zef Hemel

Gehoord in Felix Meritis op 21 april 2011:

Voor even herleefde de Vrijstaat Amsterdam. In de Shaffyzaal van Felix Meritis ontving ik vorige week donderdag als eerste gast Rene Kouwenberg, directeur van de Passenger Terminal Amsterdam (PTA). Hij vertelde over de groeiende cruisemarkt die Amsterdam financieel geen windeieren legt. Per jaar doen meer dan 120 cruiseschepen Amsterdam aan (ter vergelijking: in Rotterdam 20 à 25 schepen). Somige schepen tellen meer dan 2000 passagiers. Die hebben alle slechts 12 uur om te spenderen. Vooral de Bijenkorf profiteert van hen. Afgelopen week nog, vertelde hij, arriveerde het duizendste schip sinds de opening, eind 2000, op de kade van de PTA. Dat was veel eerder dan verwacht. De bijna drie uur durende tocht van de Noordzee naar Amsterdam vond hij geen tijdverlies, maar juist een asset. De passagiers leerden hierdoor Nederland goed kennen: de sluizen, de polders, de laaggelegen stad. Kouwenberg wilde zelfs een beeldenroute langs het Noordzeekanaal om de vaarweg te verlevendigen. Hij zat ook dringend verlegen om een tweede terminal. Dit jaar moest hij al zes schepen nee verkopen vanwege beperkte kadelengte (600 meter), waardoor deze veroordeeld waren tot ontscheping in de containerterminal in Westpoort. Ook komend jaar zullen, zo is nu al duidelijk, zeker vier à vijf schepen niet bij de PTA kunnen afmeren. Ook een grotere zeesluis achtte hij dringend geboden want de grootste schepen kunnen Amsterdam nu niet aandoen. Concurrenten van Amsterdam zijn Kopenhagen en Southampton. O ja, twintig procent van de passagiers verlaat het schip op eigen gelegenheid, tachtig procent gaat georganiseerd. Soms gebruikt men daarvoor de rondvaartboot vanaf de Zouthaven, maar vaker gebeurt alles met de touringcar. Is de cruisemarkt wel duurzaam?, vroeg iemand in de zaal. Kouwenberg repliceerde dat de nieuwste schepen voor dat predicaat in aanmerking komen, maar hij beaamde dat er in dat opzicht nog veel te winnen valt.

De tweede gast was Tino Haenen, directeur van het Muziekgebouw aan het IJ. Hijzelf kwam uit Brussel en was aangetrokken om het Amsterdamse muziekgebouw op de internationale kaart te zetten. Vandaar de donderdagavondconcerten. Aan het gebouw, voegde hij eraan toe, zelf ligt het niet; dat is volgens hem uitmuntend en heeft een prachtige acoustiek, al was de entree via de brug ronduit ongelukkig. Ook de Nederlandse muziekcultuur vond hij opmerkelijk; het feit dat op dit moment overal in het land passiemuziek ten gehore wordt gebracht zei hem genoeg. Nederlanders zingen in koren, in operagezelschappen en op de Nederlandse radio worden soms hele concerten uitgezonden. Met het nabijgelegen conservatorium echter heeft hij niet veel contact. De afstand is weliswaar gering, maar de route is onaangenaam en ‘s avonds ronduit gevaarlijk – zijn vrouw zou hij nooit die afstand laten afleggen. Trouwens, conservatoriumstudenten hebben geen tijd om naar muziekuitvoeringen te komen en van de buurman – de cruiseterminal – had hij eerder last dan profijt. Toch moest hij bekennen dat die afgemeerde schepen naast zijn werkkamer wel imposant zijn; als ze wegvaren lijkt het alsof zijn kantoor van de kade wegdrijft. Zijn publiek is vrij jong en komt overwegend uit de Randstad. Steve Reich was laatst te gast, maar tijd voor een avondje stappen in Amsterdam was er niet geweest. Ook Haenen, nu bijna drie jaar in Amsterdam werkzaam, komt eigenlijk zijn gebouw niet uit. Wat hij van Amsterdam vindt? Tegelijk internationaal en provinciaals. De Hollanders zijn brutaal en direct, zegt hij, maar echt nader tot ze kom je niet. En kosmopolitisch kun je ze niet noemen. Brussel is veel meer dan Amsterdam een wereldstad. Vond hij. Ik geloofde hem op zijn woord. Een bijzondere man.

Tagged with:
 

‘Gelukkig door Verdiensten’

On 22 april 2011, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam (1935):

Gisteren werd de totstandkoming van de nieuwe structuurvisie Amsterdam 2040, onder grote belangstelling, gevierd in Felix Meritis, de tempel van de Verlichting. We spreken van het tiende structuurplan van Amsterdam ooit. Het eerste plan was het vermaarde Algemeen Uitbreidingsplan van 1935, nu 75 jaar geleden door de Amsterdamse gemeenteraad vastgesteld. Dit tiende plan kwam op vrijwel overeenkomstige wijze tot stand als het eerste, inclusief het werk van de vier windstrekencommissies. Ook de bijeenkomst gisteren, in Felix Meritis – Gelukkig door Verdiensten -, paste wonderwel in de procesgang die 75 jaar eerder door Scheffer, Van Lohuizen en Van Eesteren werd gevolgd. Zou iemand het hebben opgemerkt? Ik denk van niet.

Nogmaals lees ik in het plandocument van 1935. Over het plan voor de grachtengordel: “De hooge stedebouwkundige waarde van den laatsten uitleg en de gaafheid van het stadsbeeld toonen aan, dat deze dateeren uit een bloeitijd van onze beschaving, waarbij bijkans elke vorm van productie en dus ook het bouwen door keur of voorschrift geregeld was.” Daarna volgt de industriële revolutie. “In stedebouwkundig opzicht uit zich dit in ordelooze verspreiding van de bebouwing ten gevolge van het ontbreken van natuurlijke begrenzingen en in stelselloosheid door het te loor gaan van een levende traditie, ook bij de overheid, die de zorg voor den stadsuitleg niet meer tot haar taak rekende, doch aan het particulier initiatief overliet.”  En dan komen Berlage en het AUP: “De innerlijke geestkracht, die haar na tijden van rampspoed en tegenslagen steeds weer ongebroken deed opstaan en die zich steeds weer in den, als geheel genomen, zoo stijlvollen opbouw der stad heeft geuit, is wel de schoonste traditie, die van vorige geslachten op het huidige is overgedragen.” Deze welsprekende zinnen vloeiden destijds uit de pen van L.S.P. Scheffer, de grootvader van Paul Scheffer, midden in de crisis van de jaren dertig, na de gruwelen van de Somme, Ieper en Verdun. Anders dan onze voorouders geloven wij niet meer in publieke stedenbouw, het maakt ons niet uit of zich ordeloze verspreiding en stelselloosheid voordoet. Niet dat ik terugverlang naar vroeger tijden. Herman Wijffels zei het gisteren indringend: het is tijd voor een ander soort democratie, een echte burgerdemocratie, interactief, met voortdurend creatieve processen. Dus geen vertegenwoordigende democratie meer, en al helemaal geen partijdemocratie. Het is voorbij. We moeten opschieten. “Tenminste, als we samen willen overleven.”

Tagged with:
 

Larger cities, if policy lets them!

On 21 april 2011, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen op EMI-network van 5 april 2011:

Paul Cheshire is hoogleraar aan de London School of Economics. Hij is tevens verbonden aan het Spatial Economics Research Centre (SERC). Op 31 maart hield hij een voordracht in Brussel voor het EMI. Het was de eerste economische workshop die het Brusselse netwerk organiseerde. Zeker 41 deelnemers uit de planningspraktijk van Europese steden waren aanwezig. Kernwoorden: Europa, economie, steden, kennisagenda. Zijn sheets heb ik gedownload. In het verslag lees ik: “Cheshire concluded his high inspiring dialogue with the call for more evidence based policies, more evaluation of existing urban policies and the development of a comparable database of city data.” Iemand die kwaad wil kan nu opmerken dat hier een typische onderzoeker pleit voor meer onderzoek en betere onderbouwing van stedelijk beleid, kortom: voor meer onderzoeksopdrachten. Maar echt preken voor eigen parochie was het toch niet. Die Cheshire presenteerde daar in Brussel uitstekende sheets en zijn boodschap was kristalhelder. We rommelen maar wat. Het was alsof ik een Europese kloon van Ed Glaeser hoorde spreken.

Wat beweerde Paul Cheshire precies? Steden zijn fundamenteel voor onze beschaving. De agglomeratievoordelen van steden doorgronden we nog onvoldoende. Die voordelen schuilen niet alleen aan de productiezijde, maar ook aan de consumptiezijde. Steden blijken ook duurzamer dan suburbane gebieden. Steden worden in hoge mate gekenmerkt door inertie, maar hun systemen veranderen wel degelijk. Grotestadsproblemen zijn technisch op te lossen, maar dat kost wel belastinggeld. “Larger cities will do relatively the best: if policy lets them!” Bij die laatste zin bleef ik even hangen. Hier stuitte Cheshire op een Europees dogma dat inderdaad iets geheel anders voorstaat, namelijk netwerken van kleine steden zijn goed. Cheshire: “Do we want polycentricity? We have powerful – dirigiste – policies on all these; but we know little of them.” En dan komt het: “Policy actively opposing agglomeration (hij noemt hier voorbeelden uit Groot-Brittannië van decentralisatiebeleid)  all assume no agglomeration economies.” Terwijl agglomeratievoordelen juist vitaal blijken te zijn en ook van toenemend belang. “Sustainability and urban containment impedes city growth – so loses agglomeration economies: and increases price of housing; and makes housing market more volatile.” Als we blijven weigeren, aldus Cheshire, om te investeren in onze grote steden en containment policies blijven nastreven, zullen we het in Europa economisch en ecologisch gaan verliezen. “So why try to handicap Europe by forcing its cities to be medium sized?” Die Paul Cheshire, een man naar mijn hart!

Tagged with:
 

Woningnood

On 20 april 2011, in demografie, by Zef Hemel

Gelezen op 6 april 2011:

Twee weken geleden publiceerde het CBS de nieuwe huishoudensprognoses, gebaseerd op de bevolkingsprognose van december 2010. Het leidde bij ons tot het nodige emailverkeer. Voor de goede orde: het gaat om de bevolkingsontwikkeling van heel Nederland. Veel mensen staan er niet bij stil, maar elke twee jaar worden deze prognoses opnieuw gemaakt. Ik bedoel, prognoses zijn ook maar relatief. Misschien is het u ontgaan, maar eind vorig jaar werden de bevolkingsprognoses voor Nederland ineens drastisch bijgesteld; de komende tien jaar, luidde de boodschap van het CBS, zal de bevolking van Nederland 37 procent sterker groeien dan eerder gedacht (wat neerkomt op 176.000 extra Nederlanders tussen 2010 en 2020). Dat is nogal wat. Nu blijkt dat ook het aantal huishoudens sterker zal toenemen: 13 procent meer dan verwacht. Najaar 2011 kunnen we de nieuwe regionale prognoses tegemoet zien.

Waarover ging het emailverkeer? De demografen van de provincie en de stad Amsterdam stellen vast dat het aandeel van de bevolkingsgroei van de Amsterdamse regio in 2010 sterk is gestegen ten opzichte van de landelijke groei. De metropool Amsterdam neemt liefst 30 procent van die groei voor zijn rekening, Amsterdam binnen de gemeentegrenzen groeit 16 procent. In Noord-Holland Noord was de groei veel lager dan verwacht, wat betekent dat een groot deel van het effect zal neerslaan in en rond Amsterdam. En nu komt het. Het zou kunnen betekenen dat de nieuwe regionale prognoses dit najaar 37 procent meer groei voor de Amsterdamse regio te zien zullen geven. Zevenendertig procent? Dat is wel erg veel. En dan hebben we het alleen nog maar over de komende tien jaar. Dat betekent: acute woningnood in en rond Amsterdam. Het verhaal van Nederland wordt dus krimp èn groei. Echte krimp. Maar ook èchte groei. Kun je nog zonder IJburg II?

Tagged with:
 

Gebakken luchtstad

On 19 april 2011, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in Aerotropolis (2011) van John Kasarda:

Transportation is destiny”, beweert de Amerikaan John Kasarda in zijn recent verschenen boek Aerotropolis (2011). Daarom wil hij ons doen geloven dat vliegvelden in de eenentwintigste eeuw belangrijker zijn dan steden. Vliegvelden vormen niet alleen de steden die ze bedienen, ze wòrden steden op zichzelf. Kasarda zou het gemeentebestuur van het krimpende Detroit er van hebben overtuigd dat ze het beste een groot vliegveld kan bouwen. Ik hoop het niet. En Los Angeles is voor hem het bewijs dat een stad aan positie verliest als het geen mainport in de nabijheid heeft. Huh? Hoe kan je nu een uiterst succesvolle metropool van vijftien miljoen inwoners aanpraten dat ze kansen heeft gemist omdat ze geen mainport heeft? Ze is toch zelf het levende bewijs van het tegendeel. Steden hoeven helemaal geen hele grote vliegvelden te hebben om succesvol te zijn. Liever niet zelfs. Die van LA is groot genoeg.

In ‘Triumph of the City’ (2011) wijdt de Amerikaanse econoom Ed Glaeser slechts één passage aan vliegvelden in relatie tot steden. Deze nuchtere passage gaat als volgt: “Many suburban communities have grown up arount airports, like Chicago’s O’Hare. This pattern is, in a way, no different from the earlier tendency of people and companies to locate near wharfs and rail yards.” Glaeser beschrijft hier The Woodlands, een suburbaan gebied op dertig mijl afstand van het centrum van Houston. Wat blijkt? Een deel van de inwoners van The Woodlands gebruikt bijna dagelijks het nabije vliegveld. Ze pendelen als het ware door de lucht. Vergelijk het met Hoofddorp. Het zal best. Om daar nu, zoals Kasarda doet, een heel boek aan te wijden en de oude steden meteen maar dood te verklaren, is natuurlijk overdreven. Ik ben alleen bang dat het gemeentebestuur van Detroit het dwaze advies zal volgen om de slinkende stad nieuw leven in te blazen met een flinke stoot kerosine en een mega-investering in landingsbanen. Arm Detroit. Arme belastingbetaler. Arm milieu.

Tagged with:
 

Investeren in openbare ruimte

On 18 april 2011, in openbare ruimte, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam op 15 april 2011:

De presentatie was bedoeld voor de wethouder Verkeer en Vervoer. Het betrof een typische doelredenering met als boodschap: investeren in de openbare ruimte loont. Leiden investeringen in de openbare ruimte echt tot hogere grondprijzen? Afgaand op het CPB-rapport ‘’Stad en Land’ (2010) is dat niet het geval. De hoogte van grondprijzen wordt in belangrijke mate bepaald door het aanbod van winkels, restaurants, cultuur en monumenten, in mindere mate door bereikbaarheid en loonverschillen. Althans, dat stellen de economen van het CPB, die zich weer baseren op het proefschrift van Gerard Marlet – een van de auteurs. Het was dus gemakkelijk gaten schieten in de redenering. Ed Glaeser noemt slechts op twee plaatsen in ‘’Triumph of the City’ (2011) de openbare ruimte van steden. De ene keer duidt hij deze aan als een ruimte waarin mensen socialiseren en die door de negentiende eeuwse restaurantcultuur een ware boost heeft gekregen. De andere keer stelt hij de openbare ruimte gelijk aan musea, bars en restaurants: plekken waar heel verschillende mensen samenkomen. In steden met een hoge dichtheid, zo vervolgt hij, is openbare ruimte belangrijk, in suburbane gebieden is ze dat niet. In het laatste geval worden mensen gedwongen in auto’s rond te rijden, waardoor ze niet socialiseren en veel gas uitstoten. “High costs of land restrict private space, and density makes car usage far less attractive. Urban living is sustainable sustainability.”

Er is dus wel degelijk een redenering te maken die investeren in de openbare ruimte legitimeert, maar het is dus omgekeerd: doordat de grondprijzen in steden als Amsterdam hoog zijn, is de openbare ruimte belangrijk voor mensen. Er is dan namelijk een tekort aan private ruimte, want die is te duur. Ik moest eraan denken toen ik twee weken geleden door Oost-Londen liep en een rondje maakte om het Olympic Park in aanbouw. In alle (arme) buurten rond het Olympische park had de gemeente stoepen gemaakt. De ingreep was niet duur; de stoepen waren in eenvoudig beton gegoten. Hierdoor was het overal prettig wandelen. Die stoepen nodigden als het ware uit om deze onbekende buurten te gaan verkennen. Alleen High Street krijgt tussen Bow en Stratford mooie straatlantaarns. Meer is op dit moment niet nodig. Pas als de grondwaarde stijgt, zal er meer in de openbare ruimte worden geïnvesteerd. Zo hoort het.