Caïro slums

On 31 januari 2011, in internationaal, sociaal, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in Planet of slums (2006) van Mike Davis:

In Egypte is opstand uitgebroken, of beter: in miljoenenstad Caïro zijn de mensen massaal de straat opgegaan. Iedereen schrijft over Egypte en over het regime van Mubarak, maar Egyptische revoluties voltrekken zich altijd in Caïro, dus het is de stad die hier in de eerste plaats om aandacht vraagt. De stad aan de Nijl telt op dit moment zeker 8 miljoen inwoners, de metropolitane regio niet minder dan 18 miljoen. Daarmee is Caïro veruit de grootste stad van Afrika en het Midden-Oosten, zes keer zo groot als Johannesburg en drie keer Lagos. Caïro ontwaakte pas midden 19e eeuw, tijdens de bouw van het Suezkanaal, uit een diepe slaap. De echte stedelijke groei deed zich voor tussen 1974 en 1990. Toen begon de olie-boom, waardoor massa’s jonge mensen in het Midden-Oosten naar de grote steden trokken. Die groei vertaalde zich in uitgestrekte informele buurten, ook rond het van oudsher proletarische Caïro. Ziedaar de opkomst van de neoliberale slums, na de voorbeeldige massawoningbouw van de socialist Nasser. Geld stroomde de uitdijende stad binnen via de talrijke Egyptische emigranten in de Perzische Golf die in de olie-industrie en op de bouwplaatsen van de sjeiks waren gaan werken. Overal waren de slums de geboortegrond van islamitische revoluties, maar in Egypte werd dit fel onderdrukt. Berucht is het neerslaan van de opstand door Sadat in 1977, toen zijn neoliberale politiek op de klippen liep en Egypte door het IMF gedwongen werd de schuldenlast te verlichten. Sadats tegenstanders waren toen nog vermeende ‘communisten’, woonachtig in de slums van Bulaq. De inwoners van dit Caïrose district werden door Sadat gedwongen te verhuizen naar de periferie. Hun buurt veranderde hij in een reusachtig parkeerterrein.

Bulaq, aldus de Amerikaanse stedenbouwkundige Mike Davis, was voor president Sadat, die Amerika zeer bewonderde, de opmaat naar een groots plan om Caïro volledig te herbouwen naar het voorbeeld van Los Angeles en Houston. Om zogenaamd de misdaad te bestrijden moesten de sloppenwijken worden opgeruimd. Davis: “It should not be surprising that some poor youth on the outskirts of Istanbul, Caïro, Casablanca or Paris embrace the religious nihilism of al Salafia Jihadia and rejoice in the destruction of an alien modernity’s most overweening symbols.” Kortom, het gaat om economische uitsluiting van jonge mannen, een haperende grootstedelijke economie, een op destructie gerichte stedenbouw, een monetaire preoccupatie van macro-economen en een op bestrijding van misdaad en opstand gerichte politiek. De woede in het Midden-Oosten is een stedelijke uitbarsting en een reactie op een verkeerde nationale politiek.

Tagged with:
 

De hoogste tijd

On 28 januari 2011, in wonen, by Zef Hemel

Gehoord in Felix Meritis op 24 januari 2011:

In Istanbul gesproken met een Nederlander die sinds drie jaar naar volle tevredenheid in Ankara woont. Aan vrije beschikbare woningen, zei hij, bestaat daar geen gebrek. Ze zijn er in alle soorten en maten te krijgen.  Hij vond het heerlijk. In Nederland bestaat nog steeds een groot gebrek aan woningen, ook al heerst er hier geen woningnood meer. Ondertussen is de bouwproductie stilgevallen. Er wordt gesproken van een kopersstaking, terwijl de rente historisch laag is. Dat is vreemd. De banken weigeren aan ontwikkelaars geld te lenen, de gemeenten kunnen de tekorten op de woningbouw niet met winsten uit de kantorenuitgifte goedmaken vanwege de ingestorte kantorenmarkt. Er heerst schaarste en er is geen vraag. Gevolg: Nederlanders verhuizen al weinig, maar hun verhuisgeneigdheid neemt nog verder af. Eigenaren van een koophuis blijven gemiddeld 20 jaar zitten, in de toekomst wordt dat zelfs 30 jaar. De woningmarkt zit op slot.

Als maatstaf neem ik de these van Richard Florida, namelijk dat woningen en auto’s de afgelopen twee decennia door overheden fiscaal bewust zijn bevoordeeld om de bestedingen van huishoudens naar grote hoogten op te stuwen. Zo stimuleerden zij een consumptieve economie. Dat gold ook voor Nederland. Van Harry Garritsen, SER-lid en hoogleraar economie te Groningen, leer ik dat eigenwoningbezitters jaarlijks meer dan 14 miljard euro mogen aftrekken. NRC Handelsblad meldt dat jaarlijks 2,5 miljard overheidsgeld naar de huurtoeslag gaat. Met het kunstmatig laag houden van de huren is jaarlijks nog eens 14,5 miljard euro gemoeid. In totaal pompt de overheid jaarlijks dus zo’n 30 miljard euro in de woningmarkt. Gevolg is dat Nederlanders inmiddels de hoogste hypotheekschuld van West-Europa hebben. Inderdaad, met deze fiscale politiek heeft onze regering de vraag aangewakkerd. Echter, hoeveel er ook gebouwd werd om aan die kunstmatige woningvraag te voldoen, de schaarste hield onverminderd aan. Dat had ook te maken met een begeleidende fysieke schaarstepolitiek (VINEX) om ontwikkelaars voldoende zekerheid en uitzicht op marges te bieden. Ze hebben ervan geprofiteerd. Je zou zeggen dat het niet zo erg is dat er nu even sprake is van vraaguitval. De pijn van het stilvallen van de woningmarkt in 2009 wordt ook niet overal even sterk gevoeld. In Amsterdam wel. Daar vestigen zich steeds meer hoofdkantoren van bedrijven, zoals Philips, Ahold, Akzo Nobel en Arcadis, daar is de vraag reëel. Hun werknemers zoeken naar woningen, maar die zijn er niet. Met name hoog opgeleide starters zoeken vergeefs een plek in de hoofdstad, zoals demograaf Julian Jansen vandaag in de Volkskrant laat zien. Het Amsterdamse woningaanbod sluit toch al niet goed aan op de vraag. Een beperkt aantal partijen – overwegend grote corporaties – heeft er positie en zegt niet te kunnen bouwen. Vreemd, want de prijzen blijven onverminderd hoog en stijgen zelfs, althans in Amsterdam. Tijd voor zelfbouw, zou je zeggen. Tijd voor particulier opdrachtgeverschap.

Tagged with:
 

A tale of two housing markets

On 27 januari 2011, in economie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic van 25 januari 2011:

De huizenprijzen in Amerika lijken zich enigszins te herstellen. Echter, het herstel verschilt nogal per stad. Richard Florida publiceerde deze week in The Atlantic de cijfers van twintig belangrijke Amerikaanse steden over de afgelopen maand. De index die hij gebruikt meet de cijfers af aan de huizenmarkt in het jaar 2000, dus van ver voor de kredietcrisis, door Florida consequent aangeduid als The Great Reset. De slechtste prestaties leverden nog altijd Las Vegas, Phoenix, Miami, Atlanta en Detroit, de beste kwamen voor rekening van Dallas, Denver, Boston, New York, Seattle en Portland, Oregon. Ze weerspiegelen de staat van de stedelijke economie. “As the Great Reset continues, it’s clearer than ever that there are two distinct housing markets in the U.S. In the bubble cities and hard-hit rustbelt regions, the market has seen steep decline and may continue to weaken.  But in knowledge-driven metros, tech centers, and big, dense cities, the market has stabilized and in some cases may be starting to rebound.”

Nederland is een klein land en telt voornamelijk kleine steden. Cijfers voor de verschillende steden berekenen heeft hier niet veel zin. Bovendien worden verschillen tussen regio’s opzettelijk gemaskeerd door rijksbeleid dat verdelende rechtvaardigheid in de woningmarkt propageert en ook door een overgereguleerde, dus verstopte woningmarkt. Aannemelijk echter is dat er ook bij ons wel degelijk sprake is van een tweedeling, waarbij de economisch zwakke regio’s overwegend lagere prijzen rekenen en de tech centers en kennissteden beduidend hogere prijzen. Ondanks alle pogingen van de regering om verschillen te maskeren, gelden de allerhoogste prijzen in Amsterdam. Gek dat er in de hoofdstad zo weinig wordt gebouwd. Niet goed voor de motor van de Nederlandse economie.

Verlicht Parijs

On 26 januari 2011, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in Het verdorven genootschap (2010) van Philipp Blom:

Schitterend werk van de Brits-Oostenrijkse historicus Philipp Blom. Zijn nieuwste boek over de achttiende eeuwse salon van Baron Thiry d’Holbach waar Diderot, Hume, Rousseau en andere radicale verlichtingsfilosofen samenkwamen, is eigenlijk een boek over het achttiende eeuwse Parijs. Een plaatsnamenregister ontbreekt helaas. Was dat er wel geweest, dan had de Franse hoofdstad zeker meer dan de helft in beslag genomen. Rousseau kwam uit Genève en was via Venetië in Parijs beland, Diderot kwam als zestienjarige uit Langres in het noorden van de Champagne en Holbach zelf had in Leiden gestudeerd. In Parijs ontmoetten al deze bijzondere mannen elkaar. Diderot en Rousseau spraken elkaar aanvankelijk op de binnenplaats van het fort van Vincennes, waar Diderot een straf uitzat. Jean-Jacques liep daarvoor dagelijks twee uur op en neer. “Op donderdag en zondag ontvingen de Holbachs gasten in hun salon op de eerste verdieping van hun elegante, maar bescheiden huis aan de rue Royale Saint-Roch en de drukte van het Louvre. Alles was in gereedheid voor wat de grootste intellectuele onderneming van de achttiende eeuw zou worden,” schrijft Blom.

In 1754 keert Rousseau voor even terug naar Genève, de stad waarvan hij had gezegd dat hij er nooit meer een stap zou zetten. Daar bekeert hij zich tot het protestantisme, om een jaar later overigens terug te keren naar Parijs. Maar zijn vrijzinnige vrienden heeft hij met zijn merkwaardige geloofsdaad dusdanig van zich vervreemd, dat hij opnieuw besluit de Franse hoofdstad de rug toe te keren, ditmaal door zijn intrek te nemen in het landgoed in Montmerency, even noordelijker. Parijs noemde hij “de stad van lawaai, rook en modder, waar vrouwen niet meer geloven in deugdzaamheid of mannen in eer.” Louise dÉpinay bood hem een huisje aan, “uren lopen van de salons, cafés en openbare plaatsen die zijn leven waren geweest.” Parijs trok hem aan en stootte af. Blom: “Voor de vrienden uit de rue Royale, die dicht bij elkaar woonden, elkaar vaak zagen en genoten van hun wederzijdse solidariteit in een verder vijandige wereld, leek het terugtrekken van Jean-Jacques op een afwijzing van alles waar zij voor stonden.” Op Diderot oefende Parijs juist een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. De rest van het land verachtte hij. “De voortgang van de Verlichting blijft beperkt,” schreef hij in 1759 aan zijn minnares Sophie. “Ze dringt maar tenauwernood tot de buitenwijken door.” Uit alles blijkt dat Parijs de stad was waar het gebeurde. De radicale denkers leefden daarbinnen heel dicht op elkaar. “Gedachten,” aldus Blom, “bloeien alleen op als er vrijelijk kan worden gediscussieerd, maar daar was de openbare ruimte – parken, de vele cafés en taveernes – niet veilig genoeg voor.” Daardoor hadden de salons in het achttiende eeuwse Parijs een belangrijke functie. Ze boden bezoekers gelegenheid om te spreken, te luisteren, om bondgenootschappen te sluiten, om een machtige beschermheer te vinden. Zonder de beslotenheid van de salons was de radicale Verlichting nooit ontstaan. En het gekke is, eigenlijk is het tegenwoordig niet anders. Al het uitzonderlijke speelt zich nog steeds af op de vierkante kilometer.

Tagged with:
 

Miami Virtue

On 25 januari 2011, in muziek, by Zef Hemel

Gelezen op Archi Choong (weblog) op 29 augustus 2010:

New World Center (exterior)

Afgelopen weekeinde opende het 154 miljoen dollar kostende The New World Symphony in Miami Beach, Florida. Michael Tilson Thomas is de geestelijke vader, de 81-jarige Frank O. Gehry de architect. Gehry had ooit nog als babysit op de kleine Michael gepast. Hun leven lang waren ze elkaar blijven volgen. Nu stonden ze gebroederlijk naast elkaar, in Miami, om op hun NWS te toasten. Daarmee is het de Amerikaanse dirigent Michael Tilson Thomas gelukt een podium en laboratorium voor klassieke muziek van wereldformaat te bouwen in het doorgaans niet erg experimentele en nauwelijks op klassieke muziek georiënteerde Amerika. Jaarlijks auditeren circa 1000 studenten, waarvan er slechts 30 worden toegelaten tot de driejarige muziekopleiding. In totaal studeren er in Miami 90 jonge musici. Sinds 1987 huisde The New World Symphony in het Art Deco Lincoln Theatre – een zaal met ernstige acoustische gebreken; al snel bleek het complex bovendien te krap. Daarop werd er door velen geld ingezameld, zowel publiek als privaat, voor een nieuw onderkomen. Het nieuwe gebouw – a New Landmark – betreft zowel een concertzaal, een muziekbibliotheek als een academie. Miami wil hiermee een global hub worden op het gebied van de klassieke muziek.

Bij het nieuwe gebouw hoort ook een park van 2,5 acre, ontworpen door het Rotterdamse bureau West 8 (kosten 10 miljoen dollar), evenals een  beeldentuin.  ”We selected a firm that is the most creative and has a record of coming up with innovative ideas in very challenging environments all over the world,” aldus juryvoorzitter Robert Wennett. Vanuit het park kan naar voorstellingen worden gekeken die op de buitenwand van het gebouw worden geprojecteerd. Het gebouw zelf is volgepakt met elektronica. Zo is er binnenin niet minder dan 17 mijl glasvezelkabel aangelegd om de musici live te laten samenspelen met collega’s over de hele wereld. Richard Florida twitterde daags erna over de paneldiscussie tijdens de Grand Opening. Kennelijk was hij door de stad Miami gecontracteerd als een van de sprekers. Raden wat hij zei? (Deze week duidde hij Miami in The Atlantic nog aan als ‘bubble city’).

Tagged with:
 

De echte crisis

On 24 januari 2011, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 30 november 2010:

De Duitse socioloog Hartmut Rosa, auteur van Beschleunigung. Die Veränderung der Zeitstrukturen in der Moderne (2005), noemt zich de socioloog van de versnelling. Hij constateert dat wij sneller moeten handelen, sneller moeten beslissen, de tijd vliegt tussen onze vingers weg. Bijgevolg komen we steeds meer tijd tekort. Ergens zijn we met z’n allen een grens overschreden en gaat het leven met ons aan de haal. Niet dat we er iets tegen kunnen doen. We zitten in een systeem gevangen. We moeten sneller werken en sneller leven om hetzelfde welvaartspeil te behouden, niet om erop vooruit te gaan. “You have to run very, very fast just to stay in the same place.” We hebben geen keus. “Zelfs collectief staan we machteloos,” stelt hij. “We hebben in de jaren tachtig en negentig onze economie drastisch geliberaliseerd. Dat zou innovatie en bedrijvigheid ten goede komen.” Maar, voegt hij daaraan toe, “de liberalisering kwam ook voort uit het onvermogen van onze westerse democratieën, toen al, om deze kapitalistische krachten bij te benen. Besluitvorming in een democratie vergt tijd.” Er is zelfs steeds méér tijd nodig voor democratische besluitvorming. “Nu problemen grensoverschrijdend worden en de samenlevingen meer multicultureel en dus complexer zijn, heb je méér tijd nodig om tot afgewogen beslissingen te komen. Politici en ambtenaren kunnen de versnelling van de vrije markteconomie daarom al heel lang niet meer bijbenen.” Volgens de Duitse geleerde was dit destijds mede een reden om te dereguleren: de politiek geloofde niet meer in zichzelf. “Ons probleem is nu dat de remmen weg zijn en dat we niet meer bij het stuur kunnen.” Hij spreekt van een crisis van de democratie, stelt vast dat er geen ruimte meer is voor geschiedenis en verhalen. Ronduit pessimistisch is hij omdat uiteindelijk de maakbaarheid van de samenleving een illusie blijkt. “Het leven zou steeds beter worden, dachten we, en de mens steeds vrijer. Maar ons jachtige leven is uiteindelijk een vorm van totalitarisme. En in dat totalitaire systeem leven wij zonder al te veel hoop. De vooruitgang is bezig zijn eigen kinderen op te eten.”

Rosa noemt het ironisch dat uitgerekend de Europese Unie sterk heeft bijgedragen aan de deregulering. “Alles is nu competitie, alles moet sneller en efficiënter.” Het lukt de EU niet om de geest terug in de fles te krijgen. Sterker, Brusselse politici lijken het systeem verder te willen dynamiseren door nog verdergaande privatiseringen en drastische reductie van het ambtelijke apparaat. Hij stelt vast dat in deze situatie de Europese politiek traag reageert, nog trager dan de nationale staten. Hij zegt er niet bij dat steden precies om die reden het voortouw zouden moeten nemen. Steden kunnen het snelste reageren, zich onmiddellijk aanpassen en hier en daar een dam opwerpen. De politiek besluitvorming moet op een veel lager schaalniveau plaatsvinden. Alleen op die manier kan sprake zijn van een voldoende adaptief systeem. Tot mijn verbazing is zelfs McKinsey & Company hiervan overtuigd. Op hun website las ik op 7 januari een artikel van Parag Khanna:  “In a world that increasingly appears ungovernable, cities—not states—are the islands of governance on which the future world order will be built. Cities are humanity’s real building blocks because of their economic size, population density, political dominance, and innovative edge. They are real “facts on the ground,” almost immeasurably more meaningful to most people in the world than often invisible national borders.” Rosa gelooft er niet meer in. “De hulpeloosheid van de politici is niet om aan te zien.”

Tagged with:
 

Gewenst: drie stadsprovincies

On 21 januari 2011, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in manuscript van Niek de Boer op 19 januari 2011:

Deze week een bezoek gebracht aan de provincie Flevoland. De provincie telt zes gemeenten. Met uitzondering van Urk is elke gemeente ruim bemeten en voorzien van een echte stad. In een nog niet gepubliceerd artikel van emeritus-hoogleraar stedenbouw Niek de Boer dat ik onlangs onder ogen kreeg, wordt een lans gebroken voor een gemeentelijke herindeling in Nederland. Niet de gebruikelijke herindeling die tot fusies leidt van gemeenten kleiner dan 20.000 inwoners, maar een die leidt tot ‘doeltreffende gemeenten’. Wat verstaat de hoogleraar daaronder? “We moeten de gemeente zien als een ruimtelijke organisatie gericht op de ontplooiing van de samenleving. Dat vereist meer dan een aantal inwoners met een grens eromheen.” In de ogen van De Boer zijn de huidige gemeentegrenzen nog altijd te krap. Elke gemeente zou moeten bestaan uit een echte stad met instellingen en voorzieningen en een wijde landelijke omgeving. “Het niveau van een complete gemeente wordt bepaald door het draagvlak van de centrale kern.” Bij het huidige welvaartspeil, voegt  hij daar aan toe, vereist dat een flinke stad. “Heel belangrijk is de uitstraling van het stadscentrum met zijn concentratie van voorzieningen, instellingen, attracties en activiteiten.” Een simpele fusie tussen drie, vier gemeenten levert nog geen sterk bestuur op. Kleine gemeenten zouden zich moeten aansluiten bij een grote stad. Bang om opgeslokt te worden hoeven ze niet te zijn. Grote steden waken over hen en zullen een sublokaal verzorgingsniveau nastreven. “Dan gaat het om heel wat meer dan de dagelijks boodschappen.” Alles helder.

De Boer, van huis uit een ordelijk en systematisch denker, ziet veel beknelde steden op regionaal niveau. Hun begrenzing zou veel ruimer moeten. Vaak liggen steden in elkaars nabijheid. Samenwerken is dan het motto, maar samengáán zoals bij Knooppunt Arnhem Nijmegen acht hij zinloos. Dan wordt ‘een soort chaos’ nagestreefd. Utrecht rekent hij niet bij de grote steden. Utrecht is wel de machtigste stad van het regionale niveau. Er zijn in Nederland slechts drie grote steden: Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Helaas zijn ze, zeker als je ze vergelijkt met steden als Stockholm en Kopenhagen, slecht georganiseerd. Alle drie liggen ernstig bekneld. “Vreemd genoeg werd die situatie in stand gehouden door een landelijke politiek gericht op ‘sterke randgemeenten’. In wezen waren deze parasitair.” De Boer pleit voor drie grote stadsprovincies in het Westen. “Ze worden gekenmerkt door een centrale grote stad met een gedifferentieerde city, daarnaast een stad van regionaal niveau, een satellietstad en een of twee steden van lokaal niveau.” Normale provincies zijn hier onmogelijk omdat, aldus De Boer, er sprake is van teveel secundaire steden. “Als we ingaan op de samenstelling van de drie grotestadsprovincies realiseren we ons dat er niet bewust naartoe gewerkt is.” Zullen we dit maar een eufemisme noemen?

Maak de grote steden groter

On 20 januari 2011, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 20 april 2010:

Uit de reisgegeven die veertig miljoen tomtommetjes naar het Amsterdamse hoofdkantoor stuurden valt op te maken dat Brussel het meeste geplaagd wordt door fileleed binnen Europa. Daarna volgen de Poolse steden Warschau en Wroclaw. Londen staat op vier. Dan volgen Edinburgh en Belfast. Marseille en Parijs staan eveneens in de top tien. Rotterdam staat op twaalf, Amsterdam op vijftien. De Duitse steden komen pas vanaf plaats 28: München, Essen, Hamburg, Stuttgart, Keulen, Düsseldorf, Berlijn, Frankfurt, Hannover en Bremen. Het minste hinder van files ondervinden automobilisten in Stockholm en Madrid. Het zijn de steden in Engeland en Polen die het meest gebukt gaan onder vertragingen, de Spaanse en Scandinavische steden het minst. Het Parool kopte: ‘Files Randstad niet het ergste’.

Hoe valt dit te rijmen met het nieuws dat Elsevier drie maanden later, op 5 juli 2010, naar buiten bracht, namelijk dat van alle Europese steden Amsterdam het meest geplaagd wordt door het autoverkeer? “Van alle steden in de wereld staat Amsterdam op de dertiende plek waar mensen de langste reistijd naar hun werk hebben.” Amsterdammers doen er gemiddeld 31,5 minuten over om naar hun werk te komen. Daarmee schaart de Nederlandse hoofdstad zich in het dubieuze gezelschap van notoir verstopte steden als New Delhi, Johannesburg en Peking. Van alle door IBM onderzochte steden klagen de Amsterdammers overigens het minst over het woon-werkverkeer. In Amsterdam gaat het ook niet zozeer om verstopte wegen, maar om lange reisafstanden. Het is duidelijk, gemiddelde vertraging of gemiddelde reistijdlengte, het maakt nogal verschil. Wat kunnen we hiervan leren? De Duitse en Scandinavische steden hebben het stedelijke verkeer goed geregeld: beter openbaar vervoer, een betere afwikkeling van het autoverkeer. Wat Nederland betreft is het probleem vooral dat onze grote steden hun arbeidskrachten van ver moeten halen. Het openbaar vervoer is daarop allerminst berekend. Daardoor slibben de rijkswegen dicht. Onze grote steden zijn te klein. En de Randstad als ruimtelijk concept is mislukt. De bebouwing is teveel gespreid, de grote steden zijn de banenmachines, maar ontberen de mensen. De nationale ruimtelijke agenda van nu af moet zijn: maak de grote steden groter. Zo simpel is het.

Tagged with:
 

Culturele regulatie

On 19 januari 2011, in infrastructuur, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in Vrij Nederland van 11 december 2010:

Bogotá, de hoofdstad van Colombia, telt ruim 7 miljoen inwoners. De vorige burgemeester van Bogotá, Antanas Mockus, was afgelopen 27 december in VPRO’s wintergasten te zien. Een fascinerende uitzending. Even eerder, op 11 december, stond er een portret van hem te lezen in Vrij Nederland. Vanwaar al die publiciteit? Mockus is een kleurrijk politicus, een soort superstar. Hij was als aanvoerder van Partido Verde kandidaat voor het premierschap van Colombia, maar verloor nipt van zijn rivaal Santos die een groot deel van de Colombiaanse media in handen heeft. Dat is allemaal leuk voor een avondje televisie, maar de werkelijke reden voor al die aandacht is natuurlijk vooral zijn effectief gebleken grootstedelijke politiek. Toen Mockus burgemeester van Bogotá werd, was de stad ernstig in verval. Dat was in 1995. Velen verruilden de stad voor een huisje op het platteland. In de metropool was sprake van terreur, drugshandel, armoede, geweld, corruptie. Dat krijg je als je de steden verwaarloost. De Colombiaanse economie stortte ineen. Maar dat niet alleen. Ook het aantal verkeersslachtoffers in Bogotá zelf was hoog. De verkeerschaos was groot. En nachtelijk geweld extreem. Enzovoort. Bogotá had in die tijd een hele slechte reputatie.

Wat deed de burgemeester? Mockus begon bij de verkeerspolitie. Die ontsloeg hij. Hij bood ze echter de gelegenheid om zich om te scholen tot mimespelers. Die mimespelers moesten de automobilisten wijzen op de voetgangers. Colombiaanse autorijders zijn macho, dus dat was een regelrechte omkering van waarden. Tegelijk liet de burgemeester duizenden kaarten drukken met een opgestoken duim op de ene kant en een duim omlaag op de andere. Daarmee konden automobilisten elkaars rijgedrag be- of veroordelen. Tussen 1995 en 2003 – zijn twee ambtstermijnen – daalde het aantal verkeersslachtoffers in Bogotá van 25 op de 100.000 inwoners per jaar, naar 8. Het werkte dus. “Niet alleen kon hij indrukwekkende cijfers overleggen; Mockus had de Bogotenos ook het gevoel gegeven dat ze erbij hoorden en dat hun stem iets waard was.” Mockus geloofde dat misdaad en misdragingen verkeerd gedrag betroffen. Gedrag en gewoontes kunnen worden veranderd. Een van de motto’s van de burgemeester was ‘Things could be different.’ Om het gedrag van mensen te veranderen maakte hij gebruik van ‘culturele regulatie’. In een interview zei Mockus, zelf zoon van een beeldhouwster en bewonderaar van Marcel Duchamp: “Ik zag kunst als een verlengstuk van de pedagodie en had geleerd dat je soms met één gebaar meer kunt bereiken dan met hele stapels boeken.” Niemand geloofde dat zijn benadering zou werken, maar hij werkte. Mensen hoeven niet te worden bestraft, je kunt ze overreden. En de economie trok weer aan.

Tagged with:
 

De hoofdstad van dakloos Amerika

On 18 januari 2011, in sociaal, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 7 mei 2004:

Afgelopen vrijdagmiddag met Clemens Blaas, directeur van HVO Querido, dwars door Amsterdam gereden. Het regende pijpenstelen. We brachten een bezoek aan de daklozenopvang in Zuid00st en op Steigereiland. Tussendoor bezochten we het kantoor van Discus, de woningbouwvereniging voor daklozen van HVO Querido. De aanleiding was de Vrijstaat Amsterdam, waar een avond met de dak- en thuislozen de meeste indruk op me had gemaakt. Kort daarna dineerde ik bij toeval met Blaas, die me vervolgens inviteerde. Vandaar. HVO Querido heeft veertig onderkomens door de stad voor dak- en thuislozen, circa 800 mensen in dienst en ongeveer 2300 ‘cliënten’. Het is de grootste van de drie instellingen die zich om de opvang van daklozen in Amsterdam bekommeren. Discus kende ik nog niet. De formule komt uit New York. Discus is de tussenpersoon bij de verhuur van sociale woningen in het bezit van Amsterdamse woningbouwcorporaties aan daklozen. Zeven jaar geleden begonnen met 26 woningen om het ‘sousterrain van de woningmarkt’ te bedienen, regelt ze nu 78 woningen in de hoofdstad voor daklozen die willen en kunnen terugkeren naar een normaal bestaan in de maatschappij. Eigenlijk zou Discus wel meer daklozen aan een woning willen helpen; het zou in nachtopvang schelen, het is goedkoper en voor de daklozen is het veel beter, maar de sociale woningen komen maar mondjesmaat beschikbaar.

Ergens frommelde ik een knipsel tevoorschijn van een artikel van Tijs van den Boomen in NRC Handelsblad. Het dateert van 7 mei 2004. Van den Boomen schrijft over de dak- en thuislozen in Los Angeles, ‘de hoofdstad van dakloos Amerika’. In heel Amerika leefden er vlak voor de kredietcrisis circa 700.000 mensen op straat. Dat is de bevolking van een stad ter grootte van Amsterdam! (Ik vermoed dat hun aantal inmiddels door de crisis is verdubbeld).  Bijna veertig procent van die populatie, schrijft Van den Boomen, zwerft door Los Angeles. Waarom? Omdat het daar aan de Westkust altijd lekker warm is en omdat er in deze uiteengelegde stad veel lege plekken zijn. De meesten houden zich op in skid row, het oostelijke deel van downtown LA. “Ze zitten op kartonnen dozen, liggen onder oude lappen, schurken tegen muurtjes.” Van den Boomen beschrijft hoe ze hun spulletjes bewaken, want vrij van aardse beslommeringen zijn ze niet. Vooral op elkaars spullen hebben ze het gemunt. Een projectontwikkelaar stelde daarop een loods ter beschikking en de binnenstadondernemers van LA betalen hem voor de opslag van bezittingen van daklozen, want die zijn de troep op straat liever kwijt. De loods barste na een week al uit zijn voegen. Wonen doen de daklozen op straat, maar hun spullen slaan ze kennelijk droog op. In LA zijn zelfs de daklozen materialisten, net als de 250.000 miljonairs in datzelfde LA.

Tagged with: