How to sell Istanbul

On 31 december 2010, in cultuur, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 15 januari 2010:

In 2010 was Istanbul een van de drie culturele hoofdsteden van Europa. De snel groeiende metropool aan de Bosporus vierde op die manier zijn status van aankomende economische grootmacht. Vooraf was er veel gedoe geweest, over het programma, het geld en de organisatie. Middelpunt van de controverse was de renovatie van het Ataturk Cultureel Centrum – het AKM – aan het Taksimplein (op de foto links). Dit operahuis, stammend uit midden jaren dertig, naar een ontwerp van de Franse architect August Perret, brandde in 1970 tijdens een voorstelling af en werd in 1978 heropend naar een verbouwing door de Turkse architect Hayati Tabanlioglu. Sinds 2008, na dertig jaar, zijn de autoriteiten officieel bezig met groot onderhoud, maar eind 2009 was de grote zaal nog altijd gesloten, bladderde de verf van de buitenmuren en waren de bruine mozaieken onverminderd beschadigd, zonder dat er een bouwvakker te bespeuren viel. En dat terwijl het vernieuwde AKM als spil was gedacht van de culturele festiviteiten in 2010. Daarop ontspon zich een politiek twist van verdachtmakingen, waarbij de heersende AK-partij het moest ontgelden. De nieuwe machthebbers in Turkije, met hun wortels in de islam, willen kennelijk breken met de traditie sinds Ataturk om vooral naar het Westen te kijken, was de redenering. En opera is kunst uit het Westen. Het bestuur van Istanbul 2010 trad in 2009 af, de gemeente nam haar rol over. Het budget van 170 miljoen euro, afkomstig uit de benzineaccijns, ging voor zeventig procent naar de restauratie van historische gebouwen als de Hagia Sophia, het Topkapi paleis en andere Byzantijnse en Ottomaanse grandeur. Waarom restaureren uit dit budget?, vroeg menigeen zich af. En waarom uitgerekend het Ataturk Cultural Centre vergeten?

In 1992 schreef de Turkse socioloog Keyder het artikel “How to sell Istanbul? Voor het eerst werd in Turkije gepubliceerd over de macht van het mondiale kapitaal en de stedenstrijd die deze veroorzaakte. “Most of the stakeholders including the central/local government, private enterprise, academicians, artists and NGOs invest in culture in order to attract more economic and symbolic capital. Nominating for Olympic games, Formula 1 or Cultural Capital of Europe are widely known examples of such attempts.” Tijdens de INURA conferentie van 2009 luidde de kritische analyse van de Turkse intelligentia aldus: “"Istanbul has been sold through its city image, cultural heritage and other values and “How to sell Istanbul through culture?” seems to become the motto.” Wat er moest worden verkocht was even belangrijk als hoe het moest worden verkocht. “The cultural centres with reference to Gugenheim Bilbao’s Bilboa effect has also been planned and projected for regeneration of Istanbul: Hasanpasa Gazhane project, Kartalite, Sutluce Cultural Centres and Renovation of Ataturk Cultural Centre are the major examples.” Maar die laatste werd dus vergeten. De zoon van de architect riep begin 2010 op kalmte te bewaren. “Zulke grote renovaties hebben tijd nodig. Dit gebouw komt er.” We zijn nu een jaar verder. Is het vernieuwde AKM inmiddels gereed?

Tagged with:
 

Neo-liberal Ken

On 30 december 2010, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in Politics, Planning and Homes in a World City (2010) van Duncan Bowie:

Duncan Bowie, docent stedelijke planning aan de London Metropolitan University, schreef een boek over acht jaar burgermeesterschap van Ken Livingstone in Londen, 2000-2008. Zoals bekend was Livingstone de eerste gekozen burgemeester van Londen in het tijdperk na Margareth Thatcher. De functie was tot nieuw leven gewekt door premier Tony Blair, nadat de Tories de hele bestuurlijke infrastructuur rond Groot-Londen in 1986 naar de prullenbak hadden verwezen en er in 1994 in de regeringsburelen een Government Office for London was ingesteld, met Robin Young als de eerste ‘tsaar’ van de Britse hoofdstad. De hoofdstad liep toen aan de leiband van de regering. Tony Blair wilde het anders, de zaak normaliseren. Blair was aanvankelijk not amused geweest toen ‘Red Ken’ in 2000 door de Londense bevolking werd gekozen. In de daaropvolgende jaren groeide echter de populariteit van de linkse Livingstone alleen maar verder, terwijl die van ‘Third Way’-premier Blair juist afkalfde. De vraag is achteraf wat Livingstone precies heeft teweeg gebracht. Eén ding is zeker: in de periode 2000-2008 rees de ster van Londen tot ongekende hoogte en promoveerde de oude metropool na decennia stagnatie tot ‘World City’status.

Het is in het neoliberale klimaat van Engeland van de jaren negentig en nul zeker niet aan Livingstone als linkse burgemeester te danken geweest dat Londen zo sterk profiteerde van de opleving van de wereldeconomie. Bij zijn aantreden had hij geen enkele bevoegdheid. “He realized that he had no delivery powers and no ability to raise finance for investment. His levy powers were limited to funding the revenue costs of his staff including those of the functional bodies such as the Police Authority. He depended on fares and government support to run the buses and the Underground. He needed government grant for the London Development Agency’s regeneration programme.” Livingstone was dus aangewezen op zijn vrienden in the City. Hij zocht aansluiting bij de lobbygroep van ondernemers, London First, om Londen economisch op te stoten in de vaart der volken. “Livingstone abandoned not only just any idea of fighting the City, but even any idea of reforming them, and hitched both his own vision, and with it the London Plan, to the City’s vision of unconstrained economic growth and wealth appreciation based on unregulated and unconstrained operation of capitalism and all its derivatives.” Tot zijn verkiezingsnederlaag in 2008 voerde ‘Red Ken’ volgens Bowie een puur neoliberale politiek. “The neo-liberal paradigm was to reign supreme and condition every decision the Mayor took.” Wat kon hij anders? Het werd een enorm succes.

Tagged with:
 

Voorheen wielerstad

On 29 december 2010, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 6 mei 2010:

Criteriums in Amsterdam, ze werden volop gereden tot halverwege de jaren ‘60. Toen was het ineens voorbij. Oud-wielrenners Piet van Heusden en Joop Middelink dreunden ze op: de Ronde van de Orteliusstraat, de Ronde van de Kinkerstraat, de Ronde van de Dapperstraat, de Ronde van de Markthallen, de Ronde van de Lindengracht. Het waren er zo’n dertig tot veertig per jaar. En dan was er Olympia’s Tour, de belangrijkste rittenkoers voor amateurs die startte op het Rembrandtplein. Tijdens wedstrijden zat het Olympisch Stadion altijd bomvol. Wielrennen was een ware volkssport die gemakkelijk kon wedijveren met voetballen. Bart Jungmann interviewde de twee tachtigjarigen voor de Volkskrant. Aanleiding: de opening van de Giro in Amsterdam, afgelopen zomer. Boodschap: Amsterdam was vroeger een echte wielerstad, maar is dat allang niet meer.

Vragen naar de redenen voor de ondergang van het wielrennen in Amsterdam is tegelijk de vraag stellen waardoor het wielrennen in de jaren vijftig ineens zo immens populair was, ook in de hoofdstad. Van Heusden en Middelink noemen er een aantal: “Er was in die tijd niet veel te beleven en het wielrennen bood een hoop spektakel.” Door de komst van de televisie begin jaren zestig zakte de wielersport snel weg. Er kwam concurrentie, afleiding, meer vertier. Dan waren er de straatraces. Die waren een soort van afgeleide van de klassiekers en brachten veel volk op de been. “Anders dan de grote wegwedstrijden was het goed te volgen.” Ze konden bestaan dankzij het feit dat er nog geen auto’s in de straten gepakeerd stonden. Het groeiende autobezit maakte de straatraces op een gegeven moment echter onmogelijk. Ook het prijzengeld dat werd opgehaald in de straten onder de zittende winkeliers liep terug doordat de middenstand het in de jaren zestig moeilijk begon te krijgen. Oorzaak: diezelfde auto die de winkels de stad uitdreef. “Voorbij die tijd van autovrije straten en gulle middenstanders.” En de televisie, met z’n motorrijders en helicopters, maakte de wegwedstrijden juist gemakkelijker te volgen. Zo verdween er een volkssport uit de stad. Olympia is met 111 jaar de oudste wielerclub van Amsterdam. Ze heeft het moeilijk. Leden werven gaat bijna niet meer. De stedelijke bevolking verandert snel van samenstelling. De jeugd warm laten lopen voor wielrennen is lastig. Middelink: “Dat heeft te maken, het spijt hem dat te zeggen, met andere culturen, waar doorzettingsvermogen te wensen over laat.”

Tagged with:
 

Garages vol talent

On 28 december 2010, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 27 december 2010:

Vijfendertig afleveringen over veelbelovende Nederlandse bedrijven werden derde kerstdag afgesloten met een terugblik over twee pagina’s door de redactie van de Volkskrant. ‘Waarmee verdient Nederland over dertig jaar zijn geld?’, luidde de centrale vraag. De aanleiding voor de serie was een discussie tussen twee redacteuren geweest over de vraag “of de Nederlandse economie over dertig jaar nog op iets anders draait dan het elkaar adviseren, oplappen en coachen.” De gestelde vraag – tamelijk tendentieus gesteld – dicteerde de reportage, want de focus lag eenzijdig op de Nederlandse industrie. Geen wonder dat technologie als de allesbepalende factor voor de economie werd gezien en dat technologische innovatie – doorbraaktechnologie nog wel – daarvan de kern vormde en ook dat wereldwijde export uit het kleine landje bij de zee de keuze van de geïnterviewde bedrijven had bepaald. Een triomftocht, kortom, voor Joseph Schumpeter. Dus werden tot slot ook twee experts naar hun oordeel gevraagd die geheel in de lijn van technologische innovatie redeneren: Carla Koen en Joeri van den Steenhoven. De eerste is hoogleraar technologie management in Tilburg en de tweede is voorzitter van Nederland Kennisland in Amsterdam. En wat zeggen zij? Het zijn kleine bedrijfjes die innovatief zijn, maar ze komen voort uit de hele grote bedrijven. Kortom, wie in zijn vooroordeel wil worden bevestigd, stelt de daarbij passende vraag en krijgt het door hem gewenste antwoord.

Gelukkig polsten de redacteuren ook nog Bas ter Weel. Hij is onderzoeker bij het Centraal Planbureau en een van de auteurs van de nieuwste langetermijnscenario’s voor de Nederlandse economie. Hij is onafhankelijk. Maar ook Ter Weel blijkt geheel verblind door technologie en noemt ‘de garage van Bill Gates’ een romantisch beeld. In de praktijk, beweert hij, wordt de bulk van de werkgelegenheid toch gegenereerd door grote bedrijven die zelf nieuwe producten ontwikkelen. Vreemd, ik dacht dat de bulk van de werkgelegenheid in dit land toch echt gegenereerd wordt door de dienstensector. En de garage van Bill Gates is helemaal geen romantiek. Hyves begon op een zolderkamer, Blokker begon in een achterafstraatje, de grootste architectenbureaus begonnen aan huis, sterker vrijwel elk groot bedrijf is ooit in een schuur, garage of zolderkamer begonnen. Alleen de zeer kapitaalintensieve bedrijfjes, door de overheid zwaar gesubsidieerd en onder rugdekking van de grote multinationals, beginnen in een duur pand op een gesubsidieerd bedrijventerrein. Gelukkig heeft Ter Weel wel begrepen dat de condities waaronder nieuwe technologie ontstaat in getalenteerde mensen steekt en dat je die moet aantrekken. In alle scenario’s die hij met zijn collega’s heeft ontwikkeld, blijkt het grote belang van steden voor de toekomstige economische groei. “Het hoogwaardige werk concentreert zich steeds meer in steden. Die moeten een verzamelplaats van talent worden.” Microsoft begon inderdaad in Seattle. Dat is een relevanter gegeven dan dat van de garagebox van Bill. Terwijl op het platteland overwegend wiet geteeld wordt in garages, zitten de garages in de stad bomvol talent. Kortom, bouw aantrekkelijke grote steden, met veel garages en zolderkamers en met net zo’n mooie bibliotheek als in Seattle. Ontwerp: Rem Koolhaas. Begonnen in 1975, dus tegelijk met Bill Gates, op een zolderkamer in Londen.

Tagged with:
 

Eye-openers

On 26 december 2010, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in De spontane stad (2010) van Urhahn Urban Design:

Gaat het werk van stedenbouwkundigen inderdaad veranderen door de crisis? Het lijkt er op. Het boek ‘De spontane stad’ van Urhahn Urban Design doet er ferme uitspraken over. De lijn van dit Amsterdamse stedenbouwkundige bureau is al twintig jaar bestendig, maar juist nu actueel. Hij gaat ongeveer als volgt: de afgelopen vijftien jaar probeerde de Nederlandse stedenbouwkundige nog steeds ‘de beste oplossing’ te vinden. Om greep te houden op elk detail deed hij – via de overheid – liefst zaken met een beperkt aantal ontwikkelende partijen. Zo raakte de stedenbouw grootschalig en gecontroleerd tot in het kleinste detail. Volgens deze planningslogica leverde VINEX een door en door gepland en minutieus vormgegeven stedenbouwkundig ‘product’ aan de burger. Zij, de overheid, de stedenbouwkundige, moet daarmee ophouden. De macht moet aan de gebruiker. Die verdient meer vrijheid en meer ruimte voor ondernemerschap. De stedenbouwkundige moet slechts kaders stellen: de afmeting van individuele kavels, de hoogte, de ontsluiting. Mensen moeten vervolgens zelf aan de slag kunnen. Zo bouw je een levendige stad.

Sterk in het boek is vooral het interview met Arnold Reijndorp, die de lijn doortrekt naar organisaties in de zorg en in het onderwijs en daarmee het dilemma schetst, want eenvoudig is het allemaal niet. “In de Spontane Stad zijn er goede initiatieven die juist naar een kleinere schaal toewerken, flexibeler en goedkoper zijn. Ze staan dichter bij de mensen en laten vakmensen hun werk doen. Deze tendens wordt doorbroken door de inzet van grote organisaties zoals corporaties, onderwijsinstellingen, zorginstellingen.” Die grote, gefuseerde organisaties veroorzaken afstand, kilte, zakelijkheid. Zijn zorg zit vooral in de schaal waarop de dingen tegenwoordig georganiseerd worden. “En hoe houd je een grote organisatie innovatief? Dat is bijna niet mogelijk, omdat ze zich bezighouden met controle en efficiency. Ze kunnen het niet aan om te zeggen: ‘we hebben hier honderd mensen, maar we weten niet zeker wat eruit komt.’” Weg alle spontaniteit. Urhahn pleit voor een meer dienstbare stedenbouw, bescheidener, opener, toegankelijker. Mooi, maar ook tekenend voor de arrogantie van de ingenieur-ontwerper is zijn ontboezeming op het eind: “Juist de gesprekken met gebruikers hebben me op nieuwe ideeën gebracht. Dat waren eye-openers.” En de professional is nodig om gemeenschappelijke waarden en uitgangspunten veilig te stellen. Dat dus ook.

Tagged with:
 

Finest hour

On 25 december 2010, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in Het spel en de spelers (2010) van HKB:

ImageShack, share photos of vinex, vinex plan, share pictures of vinex, vinex plan, share video of vinex, vinex plan, free image hosting, free video hosting, image hosting, video hosting.

De stedenbouwkundigen roeren zich. Ze lijken ontevreden. Is het vreemd? Tijdens de achter ons liggende hoogconjunctuur hebben ze hun finest hour beleefd, net als de sterarchitecten. Er werd gewoon veel gebouwd en er was heel veel geld. Tot op het kleinste detail bepaalden de stedenbouwkundigen de profielen, de bouwblokken, de parkeeroplossingen, de lantaarnpalen, de openbare ruimte. Het werd VINEX-tijd. Jarenlang konden ze heerlijk hun gang gaan en erop los tekenen. Hun ingenieursachtergrond van ontwerpen en direct maken bracht hen ver en maakte hen buitengewoon geschikt voor het vele werk. Nu ligt dat werk ineens stil. De oude kift met de planologen komt weer naar boven. Aan de pratende, abstract redenerende planologen hebben de ingenieurs nu eenmaal een hekel. De vorige crisis ligt nog vers in hun geheugen. Toen werd er meer gepraat dan getekend. Logisch, maar leuk was het niet. Als ik me niet vergis denken de stedenbouwkundigen weer diep in hun hart dat we al tekenend uit de crisis zullen komen.

Vorige week ontving ik een brochure van het stedenbouwkundige bureau HKB uit Groningen. Het bureau bestaat 65 jaar. Het boekje bevat een aantal interviews, opgetekend door Jan-Willem Wesselink. Een van de opvolgers van oprichter Piet Oom, inmiddels oudpartner Jan Heeling, blikt erin terug op de vorige crisis, die van de vroege jaren ‘80. Stedenbouwkundige bureaus gingen toen en masse failliet, het bureau van Heeling halveerde, de vaste opdrachtgevers uit de jaren ‘70 – de gemeenten – trokken zich een voor een terug. Destijds was het vak nog heel technisch. Heeling: “het ging over de riolering, de straten, de verlichting.” In de crisisjaren veranderde dat. “We constateerden in het decennium daarop, de jaren tachtig, dat stedenbouw alleen nog over planning en planologie ging. Het ontwerpen ontbrak.”  Waarop het bureau een publicatie het licht deed zien waarin het zijn visie op de stedenbouw ontvouwde. Die sloeg aan. In 1985 kwam de grote ommekeer. Toen werd het bureau benaderd door Groningen om een structuurplan te ontwerpen. En ontworpen is er, tot op de dag van vandaag. En in de nieuwe crisis? Volgens Jan Heeling is het vak te politiek geworden, “te veel gericht op de korte termijn en het visuele eindbeeld.” Stedenbouwkundigen moeten weer tijd nemen om via het ontwerp kwesties te uit te zoeken. Het klinkt alsof de politiek de stedenbouwkundige met rust moet laten. Zal dat gebeuren? De volgende keer iets over de publicatie ‘De Spontane Stad’ van het Amsterdamse stedenbouwkundige bureau Urhahn. Net verschenen. Allemaal crisisliteratuur.

Tagged with:
 

Holyland

On 24 december 2010, in ethiek, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 17 april 2010:

Kerst 2010. In Jeruzalem speelt nog steeds de Holyland-zaak. De zaak betreft een zeer omstreden, peperduur bouwproject in Jerusalem waarbij steekpenningen zijn betaald. Ook oud-premier Olmert wordt verdacht. Toen deze ‘levensgenieter’ nog burgemeester van Jeruzalem was zou hij een kleine 700.000 euro aan handgeld voor Holyland hebben opgestreken. Zijn opvolger, de ultra-orthodoxe joodse burgemeester Uri Lupolianski, zit daarvoor zelfs in de cel: hij zou 600.000 euro hebben ontvangen. Om de bezwaren tegen het megalomane bouwproject af te kopen zou de directie van de bouwonderneming zelfs met miljoenen hebben gestrooid. Daarvoor zit ze nu zelf in de cel. Ondertussen wordt de Heilige Stad geplaagd door een architectonisch monstrum van een toren met vijf appartementencomplexen bovenop een berg, bruut interfererend met het historische stedenbouwkundige gegeven van een Oude Stad met de Tempelberg, omringd door hogere heuvels. We hebben het over de westkant van Jeruzalem. Achthonderd bezwaarschriften waren er in 1996 tegen het plan ingediend. Toen betrof het nog een hotel en woningbouw voor de middenklasse. Uiteindelijk, aldus de Volkskrant, ging het om “luxe-appartementen voor de nouveau riche van de Israelische hightech-industrie en voor Amerikaanse joden die er tijdens de feestdagen knap bij willen zitten in de heilige stad.” De krant citeert Haaretz-columnist Doron Rosemblum: “Lelijkheid is corruptie, corruptie lelijkheid – dat is alles wat je op aarde weet, en alles wat je dient te weten.”

Het deed me denken aan onze autotocht naar Delfzijl, afgelopen maand. Naar aanleiding van het passeren van het hoofdkantoor van de Gasunie – ook wel ‘apenrots’ genaamd – aan de snelweg ter hoogte van de Martinihal, in Groningen Stad, ontspon zich in de auto een gesprek over ‘foute architectuur’. Iemand vroeg me hoe je ‘foute architectuur’ herkent. Tsja, wat is lelijk? Waarop we een lesje architectuur voor beginners startten: te hoog, te opdringerig, te gewild, te duur, te slecht gedetailleerd, te nouveau riche. We kregen er aardigheid in. We wisten ook ineens namen van architecten die ‘foute architectuur’ produceerden en ontwikkelaars die ‘foute architectuur’ ontwikkelden. Ineens schrokken we. Overal in het land bespeurden we ‘foute architectuur’. We keken elkaar aan. Met ‘De Vastgoedfraude’ van Vasco van der Boon en Gerben van der Marel nog vers in het geheugen vroegen we ons af: hoe corrupt zou Nederland eigenlijk zijn? Dat dienen we te weten.

Tagged with:
 

Transactions of decline

On 23 december 2010, in economie, by Zef Hemel

Gelezen op Citiwire.net op 17 december 2010:

Bruce Katz (links op de foto) is directeur van het Brookings Institute te Washington DC, USA. Op 8 december was hij in Chicago een van de sprekers op de Global Metro Summit. Aanwezig waren enkele honderden bestuurders en ambtenaren van overwegend Amerikaanse steden, maar er waren ook sprekers uit Londen, München, Seoul, Barcelona en Turijn. Onderwerp van de summit: de economische crisis. De Amerikaanse journalist Neil Pearce was aanwezig en deed vorige week verslag op zijn weblog. “The American nation went off the track,” aldus Katz, “by elevating consumption over production, financial chicanery over real innovation, near-term speculation over long-term growth. We lost our way and got the economy, and the Great Recession, we deserved.” Het waren dramatische woorden van de directeur van de denktank. En de oplossing? Katz: “We focus on where America’s economy is overwhelmingly rooted — its 100 largest metropolitan regions, already home to two-thirds of our population and 75 percent of our economic output. To get the metros rolling full steam, we boost business-civic-government partnerships to catalyze each metro’s growth, based on its own special strengths and potentials. And we line up federal and state policies to spur the metros’ growth forward.” Het zijn de metropolitane gebieden, aldus de directeur van het Brookings Institute, die ook de groei veroorzaken in China, India en Brazilië. Amerika zou hun voorbeeld moeten volgen en de honderd grote steden meer ruimte moeten geven om zich te ontwikkelen. “An aggressive, metro-based U.S. export economy should focus heavily on energy-efficient, non-polluting products to meet the competition of China as it rushes to become the planet’s top green producer.”

Weinig kans dat de regering Obama aan de oproep gehoor zal geven. Natiestaten redeneren nu eenmaal anders. Jane Jacobs heeft er op gewezen dat staten (‘’nations’) de steden niet begrijpen en dat ze juist het surplus van stedelijke economieën doelbewust afromen ten bate van het militair-industriële complex. Vervolgens plunderen ze de steden uit hoofde van ‘verdelende rechtvaardigheid’ om perifere streken op te stoten in de vaart der volkeren, het grote bedrijfsleven te spekken en de agrarische sector te subsidiëren. (En soms ook om grote banken te redden). Dit soort herverdelingen duidde Jacobs aan als ‘transactions of decline’. “If they are unremitting, they too drain city earning unremittingly.” Aanvankelijk berokkenen ‘transactions of decline’’ nog weinig schade, maar houden ze aan, dan gaat dat zich wreken. Op een gegeven moment kan de natiestaat niet anders dan drastisch bezuinigen. Bezuinigingen zijn een teken dat de natiestaat de stedelijke economieën teveel heeft afgeroomd. Jammer meneer Katz, uw boodschap is vergeefs en komt te laat.

Tagged with:
 

No feedback

On 23 december 2010, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Cities and the wealth of nations (1984) van Jane Jacobs:

Terwijl Europa worstelt met zijn euro en het de vraag is of de eenheidsmunt blijft bestaan, revalueerde de stadsstaat Singapore zijn Singaporese dollar. Dat betekent dat die Singaporese dollar sindsdien in waarde is gestegen. De economische groei van de stadsstaat bedroeg het eerste kwartaal van 2010 liefst 13,1 procent. “In veel verschillende sectoren is de economische activiteit nu groter dan tijdens de piek vóór de crisis,” schreef de Monetary Authority of Singapore (MAS). De revaluatie moet oververhitting tegengaan. De stadsstaat is sterk van de export afhankelijk, vooral naar het Westen. Het nieuws roept de vraag op of ook niet het exportafhankelijke Nederland beter af was geweest zijn wanneer het zijn gulden had bewaard. Onder de huidige condities zou ook die gulden allang zijn gerevalueerd.

Als Britse kroonkolonie gold Singapore tot diep in de twintigste eeuw als economisch achterlijk. Ze zou misschien wel achterlijk zijn gebleven als ze in 1963, na de onafhankelijkheid, deel was blijven uitmaken van Maleisië. Haar exporten waren toen nog overwegend agrarisch; er werd tin en rubber gewonnen. In 1965 echter stootte het moederland de stadsstaat af, omdat het weinig moest hebben van de overwegend Chinese bevolking. Sindsdien beschikt het over een eigen munteenheid, die de conditie van haar eigen stedelijke economie perfect weerspiegelt. Singapore moest sindsdien zijn eigen importen financieren en ook zijn eigen exporten genereren. Dat deed en doet ze wonderwel. De eigen munteenheid zorgt voor een voortdurende feedback en de economie van Singapore is sindsdien zeer veelzijdig geworden en buitengewoon succesvol. Voor Jane Jacobs was Singapore een treffende illustratie van haar stelling dat stedelijke economieën het beste af zijn wanneer ze hun eigen munteenheid voeren. Meestal is dit echter niet het geval. “Whichever city in a nation happens to be contributing most heavily to the international export trade is apt to be the city whose needs are best served by the national currency.” Dat schreef ze in 1984, zestien jaar voor de invoering van de euro. Hoe zou ze die euro hebben gekwalificeerd? Als het om Europa gaat, profiteren de Duitse steden op dit moment het meest van de euromunt, de andere steden veel minder. Doordat de euro 12 procent in waarde daalde ten opzichte van de dollar, kon de Duitse industriële export even flink profiteren. Met één munteenheid binnen Europa is het moeilijk voor de meeste steden om adequaat te reageren. De kans is groot dat een paar steden binnen Europa op termijn zogenaamd ‘olifant-steden’ worden, en de andere passief en steeds provincialer, net zoals dat binnen natie-staten lange tijd het geval was (Londen, Parijs, Wenen). Voor de Nederlandse steden dreigt de impasse. Ze worden nauwelijks aangespoord importen te vervangen en nieuwe exporten te genereren. Ze krijgen niet de juiste feedback. Met de gulden zouden ze beter af zijn geweest.

Tagged with:
 

Democratie in Purmerend

On 22 december 2010, in politiek, by Zef Hemel

Gehoord in Purmerend op 21 december 2010:

Purmerend bestaat 600 jaar. Gisteravond gesproken met lokale bestuurders in het voormalige burgerweeshuis te Purmerend. Ik zat aan tafel naast een ambtenaar van de gemeente en een van de wethouders. We hadden het over het lokale stemgedrag en de opmerkelijk hoge score van de PVV bij de laatste twee verkiezingen: 26 procent. Bij de komende verkiezingen voor Provinciale Staten wordt zelfs 30 procent PVV-stemmers verwacht. Is dat onrustbarend? De wethouder, zelf van de Stadspartij, dacht dat de oorzaak vooral gelegen was in het feit dat bijna alle Purmerenders uit Amsterdam afkomstig zijn. Ieder wil dat de spreekwoordelijke deur na hem of haar gesloten wordt, want niemand wil de grotestadsproblemen naar binnen halen, ook de allochtonen niet. De ambtenaar – iemand met een gedegen onderzoeksachtergrond – wees me op het feit dat in steden als Purmerend in de eerste plaats op personen wordt gestemd. Men kent elkaar, dus als iemand een goed politicus is stemt men op hem of haar ongeacht de politieke achtergrond. De bevolking van Purmerend heeft een zeer heterogene, overwegend Amsterdamse achtergrond, waarbij zeker de helft van de beroepsbevolking nog altijd in Amsterdam werkzaam is. Vaak betreft het creatieve beroepen, in de media, de mode, visagistes, cameramannen, geluidstechnici. Vandaar ook het opmerkelijk rijke cultuurleven in Purmerend. Als om haar onderzoek kracht bij te zetten vertelde ze me dat er ooit een politicus van een lokale partij verkozen was die een medewerker van de VPRO bleek te zijn en die een reportage van zijn bestaan als politicus wilde maken. Ook de VPRO houdt dus domicilie in Purmerend.

Maar wat zijn dan de grote problemen waar Purmerend mee worstelt?, vroeg ik bezorgd. Geen van tweeën wist het me te vertellen. De  werkloosheid is gering, de stad van 80.000 inwoners kent al twintig jaar een sterk armoedebeleid (‘voortkomend uit de hechte sociale verbanden en het zorgen voor elkaar dat in de Amsterdamse buurten bestond’). De nabijheid van Amsterdam is zonder meer voordelig voor Purmerend. Nee, als het Amsterdam goed gaat, gaat het Purmerend ook goed. Nu ja, het overdekte winkelcentrum was ooit omstreden geweest. Maar eigenlijk waren er helemaal geen problemen. Of toch. Grappend verzocht de burgemeester van Amsterdam namens een van zijn secretaresses die zelf woonachtig is in Purmerend, het probleem van de vuilcontainers aan te kaarten. Nu begonnen mijn informanten te grinniken. Zeker, veel ophef werd er door burgers gemaakt over het nieuwe vuilophaalsysteem. Purmerenders worden sinds kort geacht hun vuilcontainer precies binnen de lijntjes op het trottoir voor hun huis te zetten. Doen ze dat niet, dan kan het geautomatiseerde systeem niet goed werken en moet de bestuurder van de vuilnisauto zijn voiture uit om de container recht te zetten. De gemeente dreigt nu met boetes. Dat houdt de gemoederen in Purmerend danig bezig. Welkom in Utopia! Welkom in het rijk van Thomas More! Dit gaat de PVV in de kaart spelen!

Tagged with: