Feiten

On 31 oktober 2010, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in De Brand (2002) van Jörg Friedrich:

Opnieuw onder de indruk geraakt van Hamburg. De kracht van de economie van deze Noord-Duitse stad overtreft verre die van Amsterdam, laat staan Rotterdam. Len de Klerk, die mee op reis was, prentte ons in dat we ons handelen meer op feiten moeten baseren. En Kai Lütkens, architect, die ons o.a. door Falkenried rondleidde, had een historische kaart bij zich, uit 1947. Daarop stond in rode arcering het door geallieerde bombardementen verwoeste deel van Hamburg aangegeven. Heel feitelijk. Vooral de oostelijke volksbuurten bij de haven waren platgebrand. Eerst in juli 1944 werd de Hamburgse binnenstad geraakt, toen 800 Amerikaanse bommenwerpers de scheepswerf van Blohm & Voss probeerden te vernietigen, en die in plaats daarvan iets noordelijker de historische kern van Hamburg in de as zetten. Het herinnerde me aan het boek dat Jan Wolkers me indertijd had uitgeleend, toen ik op Texel logeerde. De schrijver was stomverbaasd geweest, nee verontwaardigd woest, nadat ik hem had verteld dat de extreme verwoesting en slachtpartij door de Engelsen en later de Amerikanen mij volslagen onbekend was geweest. Ik heb het geleende boek over de vuurzee die zomer ademloos en besmuikt uitgelezen.

Bijna schuldbewust kocht ik later Jörg Friedrich’s intrigerende werk over de geallieerde bombardementen op Duitsland. Over Hamburg schrijft de Duitse historicus het volgende. In totaal werden er 213 aanvallen op Hamburg uitgevoerd; 112 daarvan vonden plaats in 1940 en 1941. In het tweede deel van de oorlog vonden nog eens 65 aanvallen plaats. In totaal verloren daarbij zo’n 6000 mensen de dood. “Achteraf bezien lijkt de schade die de luchtoorlog in de loop van vijf jaar in Hamburg heeft aangericht echter bijzaak, met uitzondering van drie dagen.” In de nacht van 27 of 28 juli 1943 sneuvelden in drie uur tijd nog eens 40.000 Hamburgers. Niet door bloedvergieten, maar door verkoling en vergiftiging. Men stierf op straat of in de kelders onder de woningen door giftige gassen die vrijkwamen bij de extreme brand. “De kelder nam de hitte van buiten op en werkte na enige tijd als een crematorium of hij vulde zich ongemerkt met dodelijke brandgassen. Met 70 tot 80 procent noemden de Hamburgse autoriteiten vergifiting door gas als meest gangbare doodsoorzaak.” Friedrich, opnieuw zeer feitelijk: “Als door een draaideur geworpen, bevonden 12 vierkante kilometer van Hamburg zich drie uur lang in een ruimte waarin het leven niet sterft – dat doet het voortdurend – maar tenietging en niet meer verder kon. De dodenaantallen van Hamburg en Hiroshima duiden op een oorlog die gebieden van de wereld afzondert.” We bezochten HafenCity, hoorden de indrukwekkende vastgoedprijzen die de Amsterdamse verre overtreffen en aanschouwden de voorbereidingen van de Internationale Bau Ausstellung 2013. Heel feitelijk allemaal.

Tagged with:
 

Vergankelijk

On 28 oktober 2010, in kunst, by Zef Hemel

Gezien op Nederland 2 op 26 oktober 2010:

We zagen de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer (1945) aan het werk in zijn atelier La Ribaute, Barjac, in Zuid Frankrijk. Sinds 1993 tovert hij daar een voormalige zijdefabriek op een terrein van 35 hectare om in een stad met wegen, torens en tunnels, een crypte, een ondergronds meer en 41 expositiezalen. Dit is geen atelier meer, hier schept een kunstenaar in twintig jaar tijd een imaginaire metropool. Aan de Oostenrijkse kunsthistorics Dermutz legt hij uit hoe hij destijds aan zijn bouwproject begon. “Op het uitgestrekte terrein had hij voor een bulldozer uitgelopen om te bepalen waar de wegen moesten komen. De omtrekken van de te bouwen loodsen en ateliers had hij later met een spuitbus op de grond getekend. Verder wil Kiefer niet plannen, want vervolgens laat hij materiaal en toeval hun werk doen – hoewel hij daarbij wel steeds ingrijpt om het proces in de door hem gewenste richting te dwingen.” Net als echte stedenbouw. We zien onderaardse gangen, torens en hoe bewust wankel ze gestapeld zijn; soms liggen tussen de vloer en de rauwe wanden, in plaats van voegen, loden boeken. Ik moest denken aan Caspar David Friedrich. Als mens voel je je nietig in deze stad, deze metropool is bovenal vergankelijk. De documentaire – een ingekorte versie van een 100 minuten durende film van de Britse cineaste Sophie Fiennes – heet ‘Over your cities grass will grow’. Het is een verwijzing naar een passage in de Bijbel waarin een profeet voorspelt dat de steden van het volk dat God niet eert, overwoekerd zullen worden. De beelden van Fiennesversterken inderdaad de indruk van een door mensen verlaten stad.

Het project in Barjac is vrijwel voltooid. Kiefer ruilt Barjac daarom in voor Parijs. Zijn kinderen groeien op, ze moeten naar de middelbare school. Vandaar Parijs. In de film zien we hem over zijn nieuwe atelier vertellen. Het ligt in de Franse hoofdstad aan de snelweg naar Duitsland. Hij moet erom gniffelen. Om precies te zijn: tussen het vliegveld en de snelweg in, verduidelijkt hij. Nog mooier. Opnieuw gniffelt hij veelbetekenend.

Tagged with:
 

Toen turf, nu gas

On 27 oktober 2010, in energie, geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in De rationele optimist (2010) van Matt Ridley:

Het boek gaat over de evolutie van de welvaart. Aardig schrijft Ridley over energiewinning en energiegebruik na 1700. Het einde van de slaventijd schrijft hij toe aan het beschikbaar komen van steenkool. Spierkracht van slaven was toen ineens niet meer nodig. Ook weet hij waardoor er een einde kwam aan de Nederlandse Gouden Eeuw: de turf raakte op. Tegelijkertijd wijst hij erop dat de opbloei van de Nederlandse steden in de zeventiende eeuw in de eerste plaats mogelijk werd gemaakt door turfwinning in de pas drooggelegde meren – en dat juist op het moment dat hout in Europa erg duur was, waardoor Nederlandse steden enorm profiteerden. In het algemeen beweert hij dat de omvang van steden in de geschiedenis steeds aan banden is gelegd door de schaarste en eindigheid van energiebronnen. Hout, houtskool, turf, waterkracht, wind, een stad werd zo groot als de beschikbare energiebronnen toelieten. Rome bijvoorbeeld werd nog grotendeels op spierkracht gebouwd, met behulp van slaven. “Er waren ook paarden, smeltovens en zeilschepen, maar in Rome was de mens de belangrijkste bron van watts.” In de Middeleeuwen kreeg je vervolgens de os. Slaven werden vervangen door lastdieren. “Omdat ossen moeten grazen, berustte deze beschaving meer op dorpen dan op steden.” Paarden konden twee keer zo snel ploegen, waardoor de steden na de introductie van het paard (vijftiende en zestiende eeuw) konden groeien.

Toen er eenmaal fossiele brandstoffen beschikbaar kwamen, konden de steden pas werkelijk groeien. Steenkool, aardgas en aardolie zijn er in overvloed. Vandaar dat steden eindeloos doorgroeien. “Dat leidt tot een schokkende ironie. Ik ga nu namelijk betogen dat economische groei pas duurzaam werd toen hij zich van niet-hernieuwbare, niet-organische energie begon te bedienen.” Ja ja, duurzame economische groei, maar bovenal steeds grotere steden. Wat de vraag oproept waarom de Nederlandse steden met al dat aardgas in de bodem niet veel groter zijn.

Tagged with:
 

Werkezel van de wereld

On 26 oktober 2010, in theorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in De Rationele Optimist (2010) van Matt Ridley:

Aardig boek van Matt Ridley. Hij is wel schatplichtig aan Robert Wright, die met zijn ‘’Non Zero’ hetzelfde eigenlijk veel beter deed, namelijk aantonen dat er wel degelijk sprake is van vooruitgang. Maar Ridleys weergave van de wereldgeschiedenis schiet in één opzicht tekort. Hij schrijft alle vooruitgang toe aan het fenomeen ‘handel’. Door handel te drijven worden goederen en diensten uitgewisseld, waardoor arbeidsdeling ontstaat. Hoe meer handel, hoe meer arbeidsdeling, hoe meer specialisatie. “Ik meen te mogen beweren dat de cumulatieve aanwas van kennis door specialisten, waardoor wij steeds meer verschillende dingen kunnen consumeren door allemaal steeds minder te produceren, het belangrijkste verhaal voor de mensheid is. (…) Dit is het hoofdthema van de geschiedenis: de verbreiding van uitwisseling, specialisering en de daardoor ontstane uitvinding, de schepping van tijd.” Waar zit de denkfout van Ridley? Essentieel voor de vooruitgang van de mensheid, de kennis, uitwisseling en arbeidsdeling is niet handel, maar verstedelijking. Bij Ridley is de stad slechts in één hoofdstuk samengebracht, waar ze als een effect van handel wordt weggezet. Daar schrijft hij: “Handel trekt mensen naar de steden en doet de sloppenwijken groeien. (…) In 2008 leefde voor het eerst meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. Dat is geen slechte zaak. Het is een maatstaf voor economische vooruitgang dat meer dan de helft van de bevolking de zelfvoorziening achter zich kan laten en de mogelijkheden kan opzoeken van een leven dat in plaats daarvan gebaseerd is op uitwisseling. Tweederde van de economische groei voltrekt zich in steden.”

Ridley beschouwt steden als maatstaven, niet als oorzaken van vooruitgang. Dit is een fundamentele fout. Hij is zo gefocust op handel dat hij de steden eerder ziet als triomf van het kunststuk ‘handel drijven’, dan als de bron ervan. De meeste handel vindt immers plaats binnen steden, verstedelijking leidt tot arbeidsdeling, kennis hoopt zich op in steden, kennisuitwisseling vindt binnen steden plaats. Wat steden doen is importen vervangen, jazeker dat ìs handel drijven. Maar dan wel met als doel zoveel mogelijk zèlf te maken, voor de lokale markt. Handel trekt mensen niet naar steden, maar steden trekken handel aan. Verstedelijking is de motor van economische voorspoed. Vandaar ook dat meer dan de helft van de mensheid inmiddels in steden woont en dat die steden tweederde van de economische groei voor hun rekening nemen. Wie verstedelijking ontloopt, loopt economische vooruitgang mis. En wie teveel op handel inzet, degradeert zich tot werkezel van de wereld.

Tagged with:
 

Gedurfd

On 25 oktober 2010, in kunst, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelblad weekblad van 16-23 oktober 2010:

De Chinese kunstenaar Ai Wei Wei is een moedige vrijheidsstrijder. In NRC Weekblad komt hij uitgebreid aan het woord. De aanleiding is zijn kunstwerk in de Tate Modern, waar hij de enorme turbinehalvloer met beschilderde zonnepitten bezaaide, een kunstwerk dat al na twee dagen weer gesloten werd vanwege gevaar voor de volksgezondheid. Maar over het bijzondere kunstwerk gaat het in het interview niet. Het gaat over het Chinese regime en de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan landgenoot Liu Xiaobo. Ai Wei Wei heeft van jongsaf het politieke geweld aan den lijve ondervonden. Hij spreekt van uitbuiting van het Chinese volk. Hij vindt het schandelijk dat de Chinese regering zoveel geld uitgaf aan een Wereldexpo in Shanghai. Hij noemt Shanghai zelfs ‘schaamteloos’. “Shanghai is altijd al een schaamteloze geldhoer geweest. Dat was in de koloniale tijd al zo en dat zien we nu opnieuw met die expo, een vertoning, en wat een ideeënarmoede. De hele expo is een manier om nog meer buitenlandse investeringen en technologieën naar China te halen.” Om te benadrukken dat China  jaarlijks 40 miljard euro uitgeeft aan het bespioneren en censureren van het volk, plaatste Wei Wei tijdens de Wereldexpo een camera, verbonden met het internet. De camera stond in Kopenhagen, op de plaats waar de Kleine Zeemeermin had gestaan. Die laatste was door de Deense regering tijdelijk naar Shanghai afgevoerd om daar tijdens de expo te tonen. De Denen waren er niet zo blij mee, met die camera. Over ironie gesproken.

Vandaag las ik in de Volkskrant dat de Nederlandse kunstenaar John Körmeling de Dutch Design Award krijgt voor zijn paviljoen op de Wereldexpo in Shanghai. ‘Happy Street’ bestond uit één lange straat met nep-huisjes waar Nederlandse koopwaar stond uitgestald. De jury noemt het kunstwerk “gedurfd en ironisch”.

Tagged with:
 

Favoriete stad

On 25 oktober 2010, in muziek, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsbald weekbijlage 8-15 oktober 2010:

De favoriete stad van minister-president Rutte (43) is New York. Dat stond te lezen in NRC Handelsblad van vorige week. New York, dat is een echte metropool. Zelf woont Rutte in Den Haag, in Benoordenhout om precies te zijn. Dat is geen metropool. Zelfs de Randstad waar Den Haag toe behoort, is bij lange na geen metropool. Die  telt niet meer dan een derde van het aantal inwoners van New York. De bevolking van heel Nederland past zelfs in New York. In de krant stond het iets anders: “Zijn grote held is de overleden pianist Horowitz. Als Rutte naar New York gaat, zijn favoriete stad, bezoekt hij altijd het woonhuis van de pianist.”"

Vladimir Horowitz overleed in 1989 in zijn woonplaats New York, op Manhattan, East 94th Street. Het bijzondere is dat Horowitz opnamen maakte in zijn woonkamer. Die gebruikte hij als zijn geluidsstudio. Vandaar waarschijnlijk het telkens weerkerende bezoek van bewonderaar Rutte aan zijn huis. Horowitz nam voor het eerst in 1954 de Clementi sonates op in zijn woonkamer. Daarna zouden nog vele opnamen volgen. Thomas Frost was zijn geluidsman. “Mr. Frost, who said that Mr. Horowitz had been playing "very well up to the end," remarked also on the social nature of his recording sessions. "He was such a communicator that he welcomed visitors in the recording studio," Mr. Frost said. "He hated to record in short sections and would do so only under duress. His artistry was worked out in the larger details. The smaller details came on the spur of the moment." (Bernard Holland,Vladimir Horowitz, Titan of the Piano, 1989). Zelf heb ik de Scarlatti sonates van Horowitz uit 1964. Ze zijn opgenomen in New York, inderdaad bij de meester thuis. Ander opmerkelijk feit: Barack Obama woonde óók in East 94th Street, tussen 1981 en 1984, toen de pianist daar nog leefde. Da’s de metropool, waar grote politiek en grote muziek zo dicht langs elkaar schuren. Nog een opmerkelijk feit: de laatste concerten die de grote pianist gaf stammen uit 1987. Het betrof een Europese tournee. Hij speelde toen in Berlijn, Hamburg en … Amsterdam.

Tagged with:
 

Ole’s mausoleum

On 24 oktober 2010, in cultuur, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 22 september 2010:

Amsterdam kreunt onder de grote ‘prestigeprojecten’, het Stedelijk Museum, de Noord-Zuidlijn en het Rijksmuseum. Vertragingen, kostenoverschrijdingen, dat soort werk. Komende week ben ik in Hamburg. Daar kennen ze ook zo’n prestigeproject. Het is nog in aanbouw: de Elbphilarmonie, op de kop van HafenCity. Begroot op 95 miljoen euro, inmiddels gestegen tot 323 miljoen; men verwacht uiteindelijk uit te komen op zo’n 400 miljoen euro. Jaren vertraging in de oplevering, want het had al geopend moeten zijn. “Pas over ruim twee jaar – aanzienlijk later dan gepland – kunnen hier concerten worden gegeven,” meldde NRC afgelopen maand. Architecten: de Zwitserse Herzog & De Meuron, dezelfde architecten die ook het Vogelnest voor de Olympische Spelen in Beijing tekenden (naar een idee van de Chinese kunstenaar Ai Wei Wei). De journalist van NRC, Joost van der Vaart, oordeelt overigens opvallend mild. “Los daarvan (de financiële problemen, ZH) staat vast dat Hamburg een bijzonder concertgebouw krijgt. Het is met zijn 110 meter een van de hoogste panden van de stad. Door het golvende dak en de gevel van gewelfde blauw-glazen panelen, die herinneren aan de zeilen van een zeilschip, wekt het een maritieme en elegante indruk.” Een miljoenenvretend icoon, zeggen de Hamburgers. De architecten willen er niets van weten. “Symbolen bouw je niet. Die ontstaan in de hoofden van mensen.” Maar de gemeenteraad oordeelt anders: “"Den Architekten war egal, was alles kostet. Sie wollten Weltarchitektur. Und das Bauunternehmen stellte für alle Abweichungen Mehrkostenforderungen." (Frankfurter Rundschau)

De Elbphilarmonie was een ideetje van de Hamburgse projectontwikkelaar Alexander Gerard. Het werd bovenal het project van de inmiddels vertrokken CDU-burgemeester, Ole von Beust. “Die Elbphilharmonie, ein Kunstwerk aus Glas, elegant und trotzig, es sollte das Krönchen werden auf von Beusts Regierungszeit.” Critici noemen de Elbphilarmonie dan ook “Ole’s Mausoleum”. Zijn opvolger, Christoph Ahlhaus, zal het uiteindelijk openen, maar moet eerst de zaak tot een goed politiek einde zien te brengen. Von Beust zal er niet worden begraven. Gelukkig gaat het met de Duitse economie weer goed. Vooral met die van Hamburg. Ik ga het komende week zien.

Tagged with:
 

Zichzelf verkopen

On 24 oktober 2010, in citymarketing, duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in Stad van de Toekomst op 22 oktober 2010:

rotterdam centraal, rotterdam central district, centraal district torens, amsterdam zuidas

Eerder schreef ik over de voortreffelijke bijlage bij de Financial Times over steden. De laatste ging helemaal over duurzaamheid. Nee, ‘’The Future of Cities’ is een excellent initiatief, met de blik op de wereld gericht. Afgelopen week trof ik ook bij mijn NRC Handelsblad een bijlage over steden aan, getiteld ‘’Stad van de Toekomst’’. Op het omslag een aansprekende foto van hoogbouw in Hong Kong. Binnenin tref ik alleen stukjes aan over Nederlandse steden: Rotterdam, Amsterdam, Almere, Eindhoven, een keuze die een zekere opvatting over het begrip ‘’stad’ in de Nederlandse context verraadt. Veel burgemeesters die hun steden op nogal ordinaire wijze promoten (Eindhoven is “een speler in de wereldtop”, zegt burgemeester Van Gijzel, en kenmerkt zich door “een zinderende bedrijvigheid”). De stukjes worden afgewisseld met advertorials van energieleveranciers en bedrijven, het accent ligt op duurzaamheid. De kwaliteit van het geheel stelt danig teleur. Bovenaan lees ik dat deze bijlage afkomstig is van uitgeverij Reflex. Ik lees dat Reflex zich heeft gespecialiseerd in dit soort bijlagen. Er staat ook: “De Reflex Uitgeverij onderscheidt zch door de focus op kwaliteit en de scheiding van artikelen en gastbijdragen.” Onderscheid noch scheiding kan ik traceren. De steden doen precies hetzelfde als de bedrijven: zichzelf verkopen.

Het bontst maakt Hans de Boer het. Deze CDA-topman schrijft een soort redactioneel, helemaal voorin het nummer. De Boer heet “econoom, ondernemer en (president-)commissaris.” En: “ Hij is ook voorzitter van Rotterdam Central District, de publiek-private samenwerking van de gebiedsontwikkeling rondom het nieuwe CS te Rotterdam.” Is dit een advertorial? We lezen een ronkend stukje over mainports en bereikbaarheid. “Een paar zaken, zoals de Rotterdamse haven en Schiphol, pakken we goed aan. Maar over de verbetering van de ondersteunende weg- en railinfrastructuur doen we te lang. We zijn ons onvoldoende bewust van het kritische gehalte van de factor bereikbaarheid voor onze economische en stedelijke ontwikkeling.” Hoezo stedelijke duurzaamheid? Vervolgens moeten we van De Boer de hoogte in rond knooppunten in de centra. Ten slotte noemt hij het hogesnelheidsnet. “Straks sta je vanuit Rotterdam Centraal binnen 20 minuten in de vertrekhal van Schiphol.” Duurzaamheid?? Steden? Ben benieuwd hoeveel Rotterdam Central District aan Reflex heeft betaald. Rotterdam mist duidelijk zijn Riek Bakker.

Tagged with:
 

Selling Richard

On 23 oktober 2010, in kunst, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 2 oktober 2010:

Een kleine twee weken geleden bezochten we de voorstelling Richard III van Shakespeare, uitgevoerd door Orkater met in de hoofdrol Gijs Scholten van Aschat. Aangezien de cultuurbegroting van het Rijk zo onder vuur ligt en vooral de podiumkunsten gevaar lopen, lees ik over de financiële achtergronden van deze kostbare en bijzondere productie met meer dan gemiddelde interesse. Er namen liefst 35 mensen aan deel, waarvan 21 acteurs. Het blijkt te gaan om een co-productie van Orkater en de Amsterdamse stadssschouwburg. Orkater stak er 4 ton in; de Stadsschouwburg leverde diensten om niet (gratis technici en ander ondersteunend personeel). Bovendien garandeerde de Stadsschouwburg een vast bedrag van 4000 euro per lege zaal per avond die Orkater zou krijgen als het mis liep. Daar stond tegenover dat de opbrengst zou worden gedeeld. Het stuk werd 18 keer opgevoerd. Alle avonden waren uitverkocht. De kassaverkoop was 4 ton. Een ongekend succes. Orkater krijgt de helft. Het toneelgezelschap ontvangt 1,6 miljoen subsidie per jaar. Daarvan dekt ze het verlies van 2 ton. Dat Mels Daamen, directeur van de Stadsschouwburg, een financieel risico liep zal duidelijk zijn.

Bijzonder aan het geheel was dat de productie uitsluitend te zien was in Amsterdam, in diezelfde stadssschouwburg van Daamen. Doorgaans reizen producties als deze door het land; soms worden ze daartoe door de subsidiegever gedwongen, soms moeten ze wel om voldoende klandizie te trekken. Nu dus niet. Dat de tienduizend kaartjes voor alle achttien voorstellingen in een mum van tijd waren verkocht – en ook al heel vroeg -, geeft aan dat Amsterdam zich eindelijk als een metropool gedraagt. Daamen: “Dat is uitzonderlijk on-Amsterdams.” Deels zal het te maken hebben gehad met het optreden van Scholten van Aschat, vier maanden vóór de première, in DWDD, deels met een nieuwe verkoopsysteem waarbij wie het eerst reageert een verlaagd tarief krijgt aangeboden (7,50 euro korting). Maar wat ik er vooral zo bijzonder aan vind is dat de mensen uit het hele land naar de hoofdstad moesten reizen om het stuk te kunnen zien. “Exclusief in Amsterdam” stond er op de affiches. In Londen en Parijs is dat heel normaal, soms valt het stuk daar maanden achtereen te zien. Hier niet. Maar het kan dus wel.

Tagged with:
 

Het geluk van Frankemaheerd

On 22 oktober 2010, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gehoord in het CEC in Amsterdam Zuidoost op 21 oktober 2010:

Gisteravond gesproken voor de PvdA-afdeling Zuidoost. Over de toekomst van de metropool. Het stadsdeel is bezig met een sociaal structuurplan. Dit was de eerste avond in een reeks die gaat over het bouwen aan dit plan. Marcel la Rose, stadsdeelvoorzitter, was aanwezig, evenals db-lid Muriel Dalgliesh. De bijeenkomst vond plaats in het Cultureel Educatief Centrum aan de Bijlmerdreef, pal naast station Kraaiennest. Ik was er een aantal jaren niet meer geweest en al helemaal niet ’s avonds. Het was er druk op straat, de sfeer was levendig, ik zou zeggen: grootstedelijk. Marcel had me gevraagd de grote lijnen uit te zetten en een lange termijnperspectief te schetsen. Tijdens de drie volgende avonden zullen andere sprekers inzoomen op Zuidoost. Het verhaal van de kleine metropool – ‘la petite métropole’ – leidde tot een levendige discussie over ondernemerschap, onderwijs, woningbouw, diversiteit en creativiteit. Men concludeerde dat er in het vernieuwde Zuidoost toch te weinig ruimte is voor informaliteit en kleinschaligheid. Na afloop zei La Rose dat hij dat wel begreep. De transformatie van de Bijlmer was een proces van stug volhouden geweest, van het ene project naar het andere, een samenwerking van een beperkt aantal partijen. In amper 19 jaar was de krankzinnige klus geklaard. Nu was het tijd om achterom te kijken, waartoe de Bijlmergemeenschap ook gedwongen werd door de kredietcrisis die niets meer vanzelfsprekend maakt. Is de vernieuwde Bijlmer gereed voor de toekomst?

Iemand in de zaal betreurde het dat het ROC en de HES, sinds enkele jaren gevestigd aan de Bijlmerdreef, zo weinig uitstraling hebben. Duizenden studenten studeren nu in Amsterdam Zuidoost, maar rond de schoolgebouwen is het saai en leeg. Er zijn geen bedrijfjes of voorzieningen; de schoolcomplexen liggen als bastions in het water en alle voorzieningen zijn in de twee kolossen geconcentreerd. Weer zo’n voorbeeld van het slecht regelen van informaliteit en levendigheid. Waarop La Rose wees op het geluk van het aanpalende Frankemaheerdcomplex. Het hoofdkantoor van De Bijenkorf en de HEMA dat hier sinds 1990 gevestigd was, grenst aan de beide scholen; het was destijds opgekocht door woningbouwvereniging Rochedale en zou, toen de twee bedrijven vertrokken, worden afgebroken om plaats te maken voor appartementen. Nu de woningmarkt is stilgevallen gaat dit plan voorlopig niet door. Het gebouwencomplex wordt door Rochdale geschikt gemaakt voor kleine bedrijfjes voor een periode van vijftien, misschien wel twintig jaar. De locatie is pal naast de scholen; afgestudeerde economen kunnen hier hun eigen bedrijfje beginnen; er zouden winkeltjes, eetgelegenheden en voorzieningen in kunnen komen. Thuisgekomen zie ik op internet dat er aan de Frankemaheerd inderdaad een foto-expositie in het kader van de Internationale Foto Biënnale is geopend, Grid 2010. En in het CEC zijn foto’s te zien van Magnum-fotograaf Jonas Bendiksen. Over sloppenwijken in Zuid-Amerika, Afrika en Azië. De toekomst is begonnen.