Dank zij de ezel

On 29 september 2010, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in The Human Web (2003) van J.R. en William McNeill:

Afgelopen zaterdag het Archeologisch Museum van Istanbul bezocht. Heb er uren rondgelopen. Vond het overigens opmerkelijk dat er weinig over Istanbul te vinden was, terwijl bij het graven van de nieuwe metro onder de Bosporus toch belangwekkende opgravingen zijn gedaan. Nee, het museum gaat terug tot 3 tot 4.000 jaar voor Christus. Het toont niet minder dan de eerste tekenen van beschaving in de wereld: stadsstichtingen langs de Nijl en langs de Indus. Vader en zoon McNeill duiden deze in hun magistrale boek over de wereldgeschiedenis (‘The Human Web’) aan als de ‘Nijl-Indus corridor’. Zij spreken zelfs van “the first big metropolitan web’. In het museum is veel aandacht voor deze eerste steden van de wereld. Kennelijk hebben Ottomaanse heersers de resultaten van hun opgravingen in het oostelijk deel van de Middellandse Zee, Egypte en het Nabije Oosten eind negentiende eeuw naar Istanbul getransporteerd. Daar ligt het nu uitgestald in vitrines. Het meeste kun je gewoon aanraken. Begeleidende teksten zijn toegankelijk geschreven en wijzen op het belang van steden, handel en karavaanroutes. Ik zag tableaus uit de poorten van Babylon, kleitabletten van duizenden jaren oud, het vroegste liefdesgedicht, beelden van Alexander de Grote, de necropolis van Sidon. Wonderschoon. Opmerkelijk vond ik dat de Turkse archeologen het Romeinse rijk in hun teksten niet beshrijven als een imperium, maar als een netwerk van relatief onafhankelijke stadsstaten.

In ‘The Human Web’ lees ik over het ontstaan van de Sumerische stad zo’n 3000 jaar voor Christus. Slechts langs de Indische kust waren aanvankelijk steden te vinden. Over zee voeren de inwoners met kleine boten, waarmee ze handel dreven. Het was de domesticatie van de ezel die het mogelijk maakte om landinwaarts steden te bouwen. Dat gebeurde zo’n 5000 jaar voor Christus, aan de kop van de Perzische Golf. In deze steden woonden heilige families die door een priesterklasse werden voorzien van grote voedselvoorraden, door honderden slaven bijeengebracht. Hier ontstond een luxueuze levensstijl rond offerrituelen. “Indeed, a boundless desire to increase ritual splendor may have been the driving force behind the rapid elaboration of skills that raised Sumerian cities above the level op neighboring peoples, for wealthy divine households could afford to support specialized craftsmen to create magnificent consumer goods, pleasing to even capricious divinity.” Het uitvoeren van al deze rituelen had tot doel om de goden gunstig te stemmen en het land te behoeden voor oveerstromingen, droogte en hongersnoden. Maar de opgebouwde welvaart betekende ook afgunst. Het duurde niet lang of de steden trokken tegen elkaar ten strijde.

Tagged with:
 

Verguisd

On 29 september 2010, in internationaal, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 28 september 2010:

Vorige week gedineerd met Kadir Topbas, architect en burgemeester van Istanbul. Over zijn stad sprak hij uitsluitend in machtstermen. Istanbul wordt groot, groter dan Londen, zei hij. Sinds 2002 is er maar liefst 18 miljard euro publiek geld in de stad geïnvesteerd; Europa kan niet meer om Istanbul heen. Het was alsof ik de president van Turkije hoorde spreken. Het bezoek deed me denken aan de theevisite bij Joeri Loezjkov, de burgemeester van Moskou. Ik bezocht hem in 2005. Ook deze burgervader sprak toen, hoewel vriendelijk lachend, uitsluitend in machtstermen, alsof hij de president van Rusland was. Destijds was hij ook werkelijk voor die functie in de race geweest. Gisteren echter werd hij ontslagen. Door president Dmitri Medvedev. Volgens Het Parool hadden de twee onenigheid over de bouw van een snelweg tussen Sint Petersburg en Moskou. Medvedev zwichtte voor boze burgers die de snelweg niet door een bos wilden hebben aangelegd. Loezjkov verweet hem daarop zwakke knieën. Maar er waren meer aanvaringen tussen de burgemeester en de president geweest. Loezjkov sloopte een Moskouse villawijk tegen de zin van Medvedev. Vervolgens gingen de staatsmedia Loezjkov beschuldigen van corruptie.

Beide voorbeelden maken duidelijk dat burgemeesters van metropolen tegenwoordig geduchte concurrenten zijn van staatshoofden. Moskou is goed voor 20 procent van het Bruto Nationaal Product van heel Rusland. Het budget van de gemeente is 27 miljard euro. De economie van Istanbul groeit onstuimig en draagt zeker 25 procent bij aan de Turkse economie. Sinds het bewind van Loezjkov gaat het Moskou economisch voor de wind. Ook Istanbul en Topbas blijken een gouden combinatie. Addie Schulte in Het Parool: “Op zijn (Loezjkov’s) staat van dienst stond de transformatie van de stad. Er waren snelwegen aangelegd, het metronetwerk werd uitgebreid, kerken werden herbouwd. Moskou werd een aantrekkelijke stad om te wonen.” Volgens Schulte bemoeide de burgemeester zich tot in de kleinste details met het openbare leven. Het sneeuwvrij houden van de stad was een van zijn obsessies. Hij werd er mateloos populair mee. Ook verzorgde hij gratis openbaar vervoer voor veteranen en gepensioneerden. Maar toen kwam de kredietcrisis. Het aantal miljardairs in de stad halveerde. En wie herinnert zich nog afgelopen zomer? De bosbranden rond Moskou, de verstikkende rook in de stad, de extreme hitte? Loezjkov kon er niets aan doen, maar de extreme zomer zal ongetwijfeld aan de val van de burgemeester hebben bijgedragen. Vanuit het Kremlin werd het duidelijk gezien. Geen journalist legt nog het verband. Dat is begrijpelijk. Ik denk echter dat mensen sterk reageren op fysieke omstandigheden. Ze werken op hun humeur. Dat is gevaarlijk. Zeker als het macht betreft.

Tagged with:
 

De stad als camping

On 29 september 2010, in openbare ruimte, by Zef Hemel

Gelezen in Vrijstaat Amsterdam/Free State of Amsterdam (2010):

Vanochtend nog in de heg aan het water. En gisteravond op weg naar mijn afspraak. En gisterochtend op de fiets naar het werk: overal plassende mannen. Op zaterdagochtend ren ik  langs de Amstel. Ter hoogte van het Amstelpark liggen bootjes aan de oever, illegaal. Officieel mag daar van het stadsdeel niet worden gewoond, maar er wonen wel degelijk mannen. Steeds zie ik ze de weg oversteken, om te plassen. In het Amstelpark. Overal plassende mannen. Laatst hurkte een jonge blote vrouw in strings met een zwarte cowboyhoed op haar hoofd op klaarlichte dag tegenover mijn huis achter de plataan, op het kinderspeelplaatsje. Met de string over de knieën deed daar haar behoefte in de kennelijke veronderstelling dat de boomstam haar dekking bood. Ze kwam van een sloep die toevallig langsvoer. Twee jongemannen begeleidden haar. De een was kapitein, want hij had een pet op. Ze haalden hun piemel uit de broek, voegden zich bij haar en gingen tegen mijn huis aan plassen. Verontwaardigd haalde ik de luxaflex omhoog en staarde ze verbijsterd recht in het gezicht. Niet dat ze schrokken. Ze namen nauwelijks de moeite om het plassen te onderbreken. Druipend verplaatsten ze hun lullen naar de gevel van de buren om daar het plassen voort te zetten. Overal zet de gemeente tegenwoordig verrijdbare urinoirs in de stad. Het is vergeefs. Het wordt alleen maar erger.

Om iets zinnigs over de samenleving te kunnen zeggen moet je menselijk gedrag in de openbare ruimte bestuderen. Plassende mannen in het volle daglicht. Wat wil dat zeggen? De mannen gedragen zich als honden, nee als apen. Amsterdam doet in dat opzicht tegenwoordig niet meer onder voor India. In het essay dat de Duitse filosoof Peter Sloterdijk in de ‘’Vrijstaat Amsterdam/Free State of Amsterdam’ schreef, refereert hij aan het verschijnsel als hij over de moderne homo ludens schrijft. Opwekkend is het niet. “In dit verband moet worden opgemerkt dat alle grotere steden te maken krijgen met een almaar nijpender wordend barbarenprobleem. Nu al verwarren steeds meer mensen de city met een camping (…). Dit omturnen van steden in campings wordt vooral door jongeren uitgevoerd, (…) Grofweg kan men ze herkennen aan het feit dat ze de ernst van het restauratieprobleem nog niet beseffen. Lichtzinnig als ze zijn gaan ze ervan uit dat ze, waar ze ook zijn, met de middelen die ze bij zich hebben in vorm kunnen blijven en de restaurateur links kunnen laten liggen – met als resultaat dat ze niet weinig bijdragen aan de devaluatie van de openbare ruimte.”

Tagged with:
 

Weggegooid geld

On 26 september 2010, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in Foreign Policy, september/oktober 2010:

Centraal in het debat van het Urban Investment Network, onderdeel van het ULI, in Istanbul afgelopen week stond het begrip ‘resilience’. Wat is een veerkrachtige stad? Mijn antwoord was: diversiteit bepaalt de veerkracht. Bij een deel van de zaal werd dit herkend. Dat waren de planners. Maar de investeerders dachten er heel anders over. Een topman van Ernst and Young beweerde ook op het eind van de dag nog dat steden veel duidelijker moeten kiezen. Ze moeten niet alles willen. De investeringen die ze willen komen niet of zullen leiden tot teleurstellingen, het is weggegooid geld. Een CEO van Morgan Stanley geloofde zelfs dat de Europese steden niet meer interessant zijn om in te investeren nu de bevolking krimpt. Mijn stelling is juist dat steden, willen ze overleven, veel tegelijk moeten nastreven, dat wil zeggen ze moeten niet meer van hetzelfde willen (nóg meer containerterminals), maar ze moeten kwalitatieve groei nastreven, groeien in verscheidenheid. De omvang van de stad is hierin niet bepalend. Relatief kleine (oude!) Europese steden zijn vaak al zeer divers. En het is ook niet zo dat ze direct succes zullen hebben. Het gaat in kleine stapjes. Maar is een stad eenmaal voldoende divers, dan gaat het proces van diversificatie steeds gemakkelijker. “Success breeds success.”

In de nieuwste Foreign Policy staat in een bijschrift bij de Global Cities Index 2010 een kadertekst met de titel ‘’The world’s Detroits’’. Het gaat om de steden in de wereld die verliezen. Timbuktu staat model voor stedelijk verval. “History is littered with the carcasses of once-great cities that couldn’t – or wouldn’t – adapt to changing circumstances.” Steden, aldus het blad, groeien en veranderen traag. Vele kunnen ontwikkelingen helemaal niet bijhouden. Istanbul wordt genoemd als een uitzondering op de regel, maar laat ook zien hoe lang het kan duren voordat een stad na een flinke neergang weer overeind krabbelt. Welke steden passen zich het beste aan? Welke steden zijn het meest veerkrachtig? “Cities with a diverse mix of industries, like Chicago and Hong Kong, find it easier to retool when times change, while those that do only one thing well – Pittsburgh with steel, Glasgow with shipping, and Detroit with those cars – risk being casualties of globalization.” Ik hoop dat investeerders binnen de ULI de boodschap van deze kadertekst wèl accepteren. Zo niet, dan zullen ze veel geld verliezen.

Tagged with:
 

Mythes ontmaskeren

On 26 september 2010, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in Foreign Policy, september/oktober 2010:

Gekocht op het vliegveld: de nieuwste Foreign Policy, gewijd aan de metropool. Eerder schreef ik al over de bijdrage van Parag Khanna. Nu lees ik het artikel van Joel Kotkin, dat zo mogelijk nog beter is. Je vraagt je af waarom de redactie van De Groene Amsterdammer niet Kotkin’s artikel heeft gepubliceerd, en in plaats daarvan de voorkeur gaf aan opname van Khanna’s bijdrage in het laatste nummer. Kotkin, afkomstig uit New York en tegenwoordig woonachtig in Los Angeles, is niet trendy, dat moet het zijn. Hij heeft een boodschap die velen op dit moment liever niet horen. Hij predikt namelijk suburbanisatie en decentralisatie van de wereldbevolking in niet al te grote steden. Van Richard Florida moet hij niets hebben. Die schaart hij onder de ‘new urban utopians’. De oude wijze man gelooft ook niet dat in 2050 misschien wel zeventig procent van de wereldbevolking in steden zal leven. Wenselijk vindt hij het in ieder geval niet. “It’s far less clear whether the extreme centralization and concentration advocated by these new urban utopians is inevitable – and it’s not at all clear that it’s desirable.” Veel van ‘s werelds grootste steden, merkt hij op, zitten gevangen in relatief krimpende economieën – Londen, Los Angeles, New York, Tokio. Alle kampen met groeiende inkomensongelijkheid en vertrek van de middenklasse. “The new age of the megacity might well be an era of unparalleled human congestion and gross inequality.” Daarom probeert hij een paar mythes te ontmaskeren.

Zo gelooft hij niet dat een hoge dichtheid duurzaam is. Ook weerspreekt hij de stelling dat een hele grote stad beter zou zijn dan vele kleinere steden. “With the exception of Los Angeles, New York and Tokyo, most cities of 10 million or more are relatively poor, with a low standard of living and little strategic influence. The cities that do have influence, modern infrastructure, and relatively high per capita income, by contrast, are often wealthy small cities like Abu Dhabi or hard-charging up-and-comers such as Singapore.” Voor de goede orde, Singapore telt vijf miljoen inwoners. Echt klein is die stad dus niet. Maar inderdaad, op de in hetzelfde blad gepubliceerde Global Cities Index staan veel kleinere steden op een verrassend hoge plaats: Brussel op 11 (zou qua bevolkingsaantal niet hoger dan 54 moeten scoren), San Francisco op 12 (even groot als Amsterdam), Washington op 13 (zou 42 moeten zijn), Berlijn op 16, Madrid, Wenen en Boston op de plaatsen 17, 18 en 19. Kotkin roept bij zijn lezers oude plannersidealen in herinnering om grote steden leefbaar te maken en refereert daarbij aan de tuinstadidealen van Ebenezer Howard op het eind van de negentiende eeuw. Vervolgens wijst hij op Nederland. “More recently, a network of smaller cities in the Netherlands has helped create a smartly distributed national economy. Amsterdam, for example, has low-density areas between its core and its corporate centers. It has kept the great Dutch city both livable and competitive.” Op de Global Cities Index staat Amsterdam op plaats 29. Had Amsterdam 16 miljoen inwoners geteld, dan had Kotkin gelijk gehad. Maar had Amsterdam niet 750.000 maar 2 miljoen inwoners geteld, dan stond ze nu in de top tien. Denk ik.

Paradoxale politiek

On 26 september 2010, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Istanbul. Living in Voluntary and Involuntary Exclusion’ (2010):

Opnieuw afgereisd naar Istanbul. Ditmaal om te spreken op uitnodiging van het Urban Investment Network van de Urban Land Institute (ULI). De bijeenkomst ging over “Resilient Cities. Surviving in a Brave New World’. Ik sprak over stedelijke diversiteit en het belang van de menselijke maat. Alleen zo ontwikkel je naar mijn mening veerkrachtige steden. De dag na het congres werden we meegenomen door Hakam, assistent van Mr. Haluk Sur, Board Member van Toki, het Turkse staatsbedrijf dat op een immense schaal woningen, stadions en moskeeën bouwt. We reden naar Toki-projecten in het oosten en westen van Istanbul, respectievelijk Kadikoy en Kücükcekmece. We zagen het immense complex van Uphill Court, net opgeleverd. Een typisch voorbeeld van een gated community, nu van grote woontorens, shopping malls, sportvoorzieningen bovenop de heuvels in het Aziatische deel van de Turkse metropool. Het uitzicht was indrukwekkend. We keken naar beneden en zagen braakliggend land. Hakam vertelde dat daar het financiële centrum van Istanbul zal verrijzen. Even later spoedden we ons naar het verre westen. Ook hier alleen maar torens. Hakam vond het maar niks. We dronken koffie in een spiksplinternieuw shoppingcenter. Overal om ons heen parkeerterreinen en auto’s. Nergens openbaar vervoer. We ontmoetten de nieuwe Turkse middenklasse. Hakam vertelde dat hij met zijn vriendin op een eilandje voor de kust woonde. Daar waren geen auto’s. Zelf zou hij nooit in zo’n toren achter hekwerk willen wonen. Hij kwam van Cyprus, vandaar.

Mijn reis bleek het spiegelbeeld van de reis die ik eerder, in mei, naar Istanbul maakte. Toen werkte ik in de Gecekondus – de sloppenwijken, nu bezocht ik de middenklassewijken die in de plaats treden van de slums. In ‘Istanbul. Living in Voluntary and Involuntary Exclusion’, een uitgave van de IABR en het Prins Clausfonds, lees ik een artikel van Tuna Kuyucu over Toki en hoe de regerende AKP dit staatsbedrijf, dat geacht wordt sociale woningen te bouwen, vanaf 2002 geheel op neoliberale leest heeft geschoeid. Aanleiding was de economische crisis van 2001 die de Turkse economie zwaar trof en die Toki op de rand van het faillissement bracht. Sindsdien kan Toki de grond die in handen is van de staat (onder islamitisch recht is alle grond staatseigendom) gewoon doorverkopen aan ontwikkelaars en mag ze ook zelf koopwoningen bouwen en ontwikkelen. Tussen 2002 en 2008 is op die manier 66 miljoen vierkante meter staatsgrond zonder kosten overgedragen aan Toki. Ze verkocht deze grond door of ontwikkelde zelf, meest duurdere appartementen. “A considerable portion of the apartments are for-profit units, sold in the market to wealthy consumers. In Istanbul alone, a total of 71.126 apartment units have been constructed, more than half of which are ‘for profit’ units. The MHA also undertakes mega-projects that are not related to housing.” Kuyucu noemt het een paradoxale politiek die volstrekt is doorgeschoten. Tot op zekere hoogte is die politiek trouwens vergelijkbaar met onze eigen bruteringsoperatie, de neoliberale politiek van midden jaren negentig die de woningbouwcorporaties veel vrijheid gaf en het verdienvermogen van deze overheidsgerelateerde instellingen aanzienlijk vergrootte. “The MHA is using public authority and public resources not to provide afforable housing to the lower classes, but to open up profitable investment areas either of the state or for certain private developers.” Het probleem van de sloppenwijken, aldus Kuyucu, wordt er door verergerd, de tegenstellingen tussen rijk en arm vergroot. Bovendien ontstaat er een immense metropool van torens, shopping malls en gated communities, uitsluitend op de auto gericht. How resilient is this?

Tagged with:
 

Kraakhelder

On 21 september 2010, in benchmarks, by Zef Hemel

Gelezen in Foreign Policy, 21 september 2010:

Het eerdergenoemde artikel van Parag Khanna in De Groene Amsterdammer blijkt afkomstig van het nieuwste nummer van Foreign Policy, geheel gewijd aan ‘Global Cities’. Het is het september/oktober-nummer van het Amerikaanse tijdschrift en is getiteld ‘’Metropolis Now’. Leuk om te lezen. Natuurlijk met de jaarlijkse Global Cities Index 2010. Amsterdam is de enige Nederlandse stad die erin scoort. Dit jaar op plaats 29, na Rome en Dubai. Qua bevolkingsaantal zou plaats 63 meer voor de hand hebben gelegen en qua lokale economie plaats 60. Althans, dat staat erachter, in de tweede en derde kolom. De score is dus relatief hoog, veel hoger dan je op grond van omvang en economische prestatie zou mogen verwachten. “Instead, the index aims to measure how much sway a city has over what happens beyond its own borders — its influence on and integration with global markets, culture, and innovation.” Nieuw is dat Foreign Policy dit jaar echt de hele wereld heeft afgeschuimd, op zoek naar steden die ertoe doen. “To create this year’s rankings, we analyzed 65 cities with more than 1 million people across every region of the globe, using definitive sources to tally everything from a city’s business activity, human capital, and information exchange to its cultural experience and political engagement. Data ranged from how many Fortune Global 500 company headquarters were in a city to the size of its capital markets and the flow of goods through its airports and ports, as well as factors such as the number of embassies, think tanks, political organizations, and museums. Taken together, a city’s performance on this slate of indicators tells us how worldly — or provincial — it really is.”

In het bijgevoegde foto-essay staat een foto van Amsterdam afgedrukt. Het bijschrift is kraakhelder: “Despite the city’s reputation for religious and racial tolerance, tensions have increased in Amsterdam in recent years. An influx of Muslim immigrants has … The 2004 murder of controversial Dutch film director Theo van Gogh is the most notable example. Here, bikes are chained along a canal on May 9, 2009.” Dat is dus, kort samengevat, onze invloed over de grens, onze internationale marktpositie, onze culturele uitstraling en innovatie: politieke moorden en fietsen op de gracht. Lang leve het rechtse kabinet!

Tagged with:
 

Homo lulu

On 19 september 2010, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in Vrijstaat Amsterdam/Free State of Amsterdam (2010):

Daar is ie dan. De lezing, nu op schrift, van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk bij de opening van de Vrijstaat Amsterdam. Verschenen in een boekje, uitgegeven door de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam. Titel: ‘Samenlevingsdesign in de open stad’’. Na de voordracht in de Tolhuistuin in Amsterdam-Noord, vorig jaar september, heeft Sloterdijk de door ons toegezonden geluidsband zorgvuldig bewerkt en gereed gemaakt voor publicatie. Vervolgens heeft Hans Driessen de Duitse tekst in het Nederlands vertaald. En heeft de Duitse vertaler van zijn teksten een Engelse versie afgescheiden. Alles is nu bij elkaar gebracht in een handzaam boekje dat schitterend is vormgegeven door Martijn Mulder van Beautiful Minds. Een prachtig relatiegeschenk. Ik citeer het slotbetoog, waar Sloterdijk de belangrijkste bouwheer van de stad van de eenentwintigste eeuw opvoert: de homo ludens luxurius  – homo lulu – in de persoon van de toerist, te gast in de stad.

“Als verslonsde flaneurs hebben de toeristen van tegenwoordig alle attractieve steden in bezit genomen; ze werken op die manier mee aan de stedenbouwkundige imperatieven, onder invloed waarvan de urbane complexen van morgen zich ontwikkelen. Omdat het toerisme overige takken van industrie inmiddels heeft ingehaald, ligt het voor de hand dat het niet in de laatste plaats de aan de noodzaak ontsnapte mens zal zijn, de nomadische, op het overbodige verliefde homo ludens, die zich met zijn behoefte aan prikkeling, fascinatie en vrijblijvendheid zal opwerpen als een van de belangrijkste bouwheren van de stad van morgen. Dit geldt niet alleen voor gecertificeerde speelparadijzen als Monaco, Macao of Las Vegas, alle metropolen van de toekomst zullen mede worden gebouwd door mensen die aanwezig zijn alsof ze alweer ergens anders zijn. Ludieke stad, luxueuze stad: de homo lulu zal weten weten waar hij zich op zijn gemak voelt.”

Tagged with:
 

Koud klimaat

On 19 september 2010, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 28 augustus 2010:

Eerder schreef ik al over de onstuimige groei van het aantal kleine bedrijfjes in Amsterdam tussen 1995 en 2005. Voor Ed Glaeser, wiens werk ik toen aanhaalde,  is het een indicatie van stedelijke groei en succes. In 2008 groeide het aantal starters opnieuw, met liefst zeventien procent. En in het eerste kwartaal van 2009 zette de groei door, met dertien procent. We zitten dan midden in de economische crisis. Er waren natuurlijk ook faillissementen te melden, maar dat aantal nam geleidelijk weer af. Het Parool maakte een reportage van een aantal Amsterdamse starters. Boeiend. Het betreft Fronteer, met tien werknemers, een strategiebureau dat doet aan cocreatie; de Zonnefabriek, een bedrijf dat zonnepanelen op daken legt; AimAtArt, dat speciale bedrijfsuitjes organiseert; Harvest, dat begon in een garagebox in Amsterdam West, en dat helpt om websites lonend te maken; Sloepcompany, een bedrijfje dat reddingssloepen importeert; TenPages.com, een bedrijfje dat aandelen uitbrengt van nog niet uitgegeven boeken; Layar, het bedrijf dat een nieuw medium op de mobiele telefoon begon. Het beeld dat uit al deze portretten oprijst is er een van een op een breed front ondernemende stad die niet bij de pakken neerzit. Al deze ondernemers zien de crisis juist als een uitdaging. “Ik heb juist het idee dat er meer mensen een eigen bedrijf zijn begonnen de laatste tijd,” zegt een van hen. Men is optimistisch. Het Parool concludeert: “De gedachte dat als je de crisis overleeft, het daarna ook wel goed zal komen, overheerst.”

Opvallend is dat alle genoemde Amsterdamse bedrijven geen geld lenen bij banken. Sommigen namen niet eens de moeite. Ze vermoedden dat banken hun ideeën toch zouden afschieten. Ze beginnen met weinig geld en een simpele huisvesting, onzichtbaar voor de officiële statistieken. En ze helpen elkaar. Sommigen van hen hebben zich bijvoorbeeld verenigd in ‘Starters in een Koud Klimaat’ – Stikk. De club organiseert borrels voor jonge technologiebedrijven in Amsterdam. Om ervaringen uit te wisselen met de Amsterdamse goden van TomTom of Nu.nl. Hun website toont een keur aan bedrijfjes op het grensvlak van technologie en creativiteit. Als Ed Glaesers theorie klopt, dan blijft de Amsterdamse economie bloeien. Ondanks het koude klimaat. Wat dat op termijn voor de bedrijfshuisvesting betekent, is een andere vraag. Een vraag voor jonge, ondernemende planologen.

Tagged with:
 

Wereldburgers

On 18 september 2010, in demografie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 17 september 2010:

Het gezin Hemel woont hartje Amsterdam. Elke ochtend fietsen wij met de kinderen naar school. Ze zijn vier en zeven jaar oud. Elk heeft een eigen fietsje. Zo leren ze het stadsverkeer kennen.  Trouwens, bijna iedereen uit de buurt komt wandelend of fietsend naar school. Sommige ouders hebben een bakfiets, maar dat is bij ons toch een uitzondering. Dat is meer iets voor Zuid. Auto’s zijn er bijna niet. Geen wonder, want door de nauwe straatjes van de Pijp ga je niet met de auto rijden tenzij het beslist moet. De ouders fietsen vervolgens door naar hun werk. Iedereen groet elkaar. De sfeer op onze multiculturele basisschool is opperbest. Ik denk dat het fietsen daaraan bijdraagt. Je ziet elkaar en je groet elkaar. Onze fietsen zijn nog nooit gestolen.

Gisteravond sloeg ik Het Parool op. Op bladzijde negen van deze Amsterdamse krant trof mijn oog een advertentie. De kop luidt: ‘’Laat uw kinderen veiliger naar school fietsen’’. Daaronder staat een foto afgedrukt van drie jongens op de fiets: een blanke, een chinese en een licht-donkere met bril. Zonder ouders. De begeleidende tekst: “Op onze afdeling educatie, ontdekt u dat het in Zuid-Limburg een stuk veiliger is voor naar school fietsende kinderen. En een kinderfiets is er even duur als elders (maar wordt minder snel gestolen).” De advertentie is afkomstig van de provincie Limburg. Zuid Limburg wel te verstaan. Er wordt verwezen naar een website: “Bright site of life.” Ik begrijp het. De bevolking van Limburg krimpt. Daarom is de provincie gestart met een campagne. De afdeling educatie heeft iets ontdekt. Werkelijk? Van uw belastingcenten proberen ze nu jonge gezinnen uit Amsterdam – nummer 1 op de woonaantrekkelijkheidsindex van de Atlas van Gemeenten! – te verleiden te verhuizen naar Zuid Limburg. Net zoals landen als Canada en Australië dat in de jaren vijftig deden. Maar dat was toen toch anders: wij waren destijds berooid en een hoge dichtheid van mensen was toen een probleem. Nu is volte juist een kwaliteit. Er staat ook nog: “Als je vlakbij Luik en Aken woont, worden je kinderen wereldburgers.” Denken ze daar in Limburg nu werkelijk dat wij Amsterdammers niet weten waar Limburg ligt? Wereldburgers zijn wij kennelijk niet.

Tagged with: