Augmented Reality Valley

On 31 augustus 2010, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 2 augustus 2010:

Layar. Onthoud die naam. Het is een Amsterdams bedrijf, opgericht in 2009. Van de financiële crisis heeft het geen last. Het bedrijf houdt zich bezig met toegevoegde realiteit voor mobiele apparaten, zoals telefoons en tablet pc’s. De Volkskrant: “Wie via Layar door de camera van zijn telefoon naar de wereld om zich heen kijkt, krijgt via het beeldscherm van zijn telefoon aanvullende informatie.” Een van de oprichters, gefotografeerd in het Oostelijk Havengebied,  belooft tegenover de krant nieuwe toepassingen die een ‘onderdompelende ervaring’ zullen genereren. Nu al is in eenderde van alle nieuwe smartphones technologie van Layar geïnstalleerd. Er schijnt in Amsterdam al iets van een industrie te ontstaan op het gebied van toegevoegde realiteit. “Al vierduizend bedrijven en ontwikkelaars, variërend van zolderkamerontwikkelaars tot multinationals, hebben inmiddels ruim duizend lagen gemaakt voor een platform en ze hebben er nog eens 3700 in ontwikkeling.” Zo opende een paar weken geleden het jonge bedrijf TAB Worldmedia in Amsterdam een eigen kantoor, als een van de eerste Layar agencies. Layar is een prime mover, dat is wel duidelijk. Er werken op dit moment 30 mensen. Ze verbranden allemaal geld van investeerders, maar winst zal er op termijn worden gemaakt.

Fascinerend is om te lezen dat Amsterdam volgens de oprichters een internationale hub is geworden voor creatieve techneuten. “Het is niet voor niets dat wij werknemers hebben rondlopen uit Spanje, Frankrijk, Argentinië, China, Amerika en Duitsland.” Amsterdam zou een aanzuigende werking omdat veel van de dingen die hier ontwikkeld worden ‘internationaal de kroon spannen.’ Over tien jaar, voorspellen de oprichters van Layar, zitten in de Nederlandse hoofdstad de echt grote bedrijven in de toegevoegde realiteitsindustrie. “Tegen die tijd exporteren wij onze kennis en openen we vestigingen in steden als New York en Tokio.” Technologie gaat via steden.

Tagged with:
 

Blokje om

On 28 augustus 2010, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Elk jaar Darwinjaar’ (2010) van Tijs Goldschmidt:

Afgelopen week kreeg ik via de post een exemplaar van Tijs Goldschmidt’s Eindhoven University Lecture 16 december 2009  toegestuurd, met voorin een opdracht van de auteur. Goldschmidt spreekt van een ‘’blokje om’ in zijn lezing, dat te danken zou zijn aan mijn uitnodiging van destijds aan hem om voor het Forum voor Stedelijke Vernieuwing een lezing te houden over Darwin & The City. Die wonderlijke confrontatie in de Tijgerzaal van Artis tussen de evolutiebioloog Goldschmidt en de beide stadsecologen van Amsterdam, Martin Melchers en Remco Daalder, staat me nog helder voor de geest. Dus nu het weekeinde is aangebroken en de ambtelijke stukken even terzijde kunnen worden geschoven, zoek ik naar zijn ‘blokje om’ in de tekst. Al op de eerste bladzijde vind ik het. Het is te aardig om, zeker na de genoten vakantie, hier niet te citeren.

“Tijdens een reis een mooi, gek of bijzonder dier tegenkomen is meestal voldoende om mijn sluimerende evolutionaire belangstelling in volle hevigheid tot leven te wekken, maar zelfs een stadswandeling kan voldoende zijn. Zoveel vragen als een blokje om kan oproepen. Hoe is het mogelijk dat mensen in staat zijn relatief vreedzaam samen te leven in een miljoenenstad? Hoe kan het dat mensen, doorgaans zonder elkaar de hersens in te slaan, over het bomvolle Damrak in Amsterdam lopen? Of door de Kalverstraat, die ellenlange darm met winkeldivertikels waarin je boodschappen kunt doen. Chimpansees zouden dat nooit kunnen. Er zijn onvoldoende chimpansees op aarde om dit sowieso onwenselijke experiment uit te voeren, maar vast staat wel dat zij elkaar zouden aanvliegen en gillend gek zouden worden van chronische stress wanneer zij in dergelijke aantallen van punt a naar punt b zouden worden gestuurd. Homo sapiens is een afwijkende primaat en verontrustend succesvol als je alleen al kijkt naar het aantal individuen. Ik beweer zeker niet direct onderbouwde verklaringen te kunnen spuien voor de verschillen tussen mensen en hun nauwste verwanten, maar ik ben erg geneigd tot een evolutionaire benadering van dergelijke vragen.” Laat Werner Herzog het niet lezen.

Tagged with:
 

Veelgeplaagd

On 28 augustus 2010, in cultuur, openbare ruimte, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool, de Volkskrant, NRC Handelsblad van 27 resp. 28 augustus 2010:

Terwijl ik dit item schrijf stortregent het in Amsterdam. Op en rond het Museumplein is de jaarlijkse Uitmarkt van start gegaan. Gisteravond, bij de opening, was het nog droog. “Het Museumplein was drassig, maar dankzij vlonders redelijk begaanbaar,” meldde Het Parool. Er is echter nog veel meer regen voorspeld. Arm Museumplein. De beslissing om de Uitmarkt dit jaar weer op het Museumplein te houden begrijp ik wel. Vorige week nog was Sail Amsterdam met anderhalf miljoen bezoekers. Dus je gaat de Uitmarkt niet ook nog eens aan het IJ programmeren. Bovendien wilde de wethouder dat de oudbouw van het veelgeplaagde Stedelijk Museum alvast open ging. Het samenvallen van de feestelijke opening van dat museum voor moderne kunst aan het Museumplein met de Uitmarkt op het aanpalende plein leek goedbedacht. Maar de eerste kritieken op de tentoonstelling vallen niet mee. Dezelfde critici die de afgelopen jaren de verwachtingen rond het vernieuwde museum met hun stukken danig opschroefden, blijken nu teleurgesteld. Gelukkig komt het gebouw er genadig vanaf.

En dan is er die regen. Het plein stond al blank, dus dat wordt een hele nare vertoning. Er liggen plannen klaar om het plein te verbeteren en de gevolgen van eerdere bezuinigingen te herstellen, maar het geld is er niet meer. Bovendien is iedereen moe van de bouwputten, budgetoverschrijdingen en uitstel van opleveringen. Dat het San Marcoplein in Venetië met dezelfde problemen worstelt gaat er hier niet in. Dezelfde culturele elite die zich tegen de renovatie van het museumplein verzette, klaagt morgen vast en zeker over de bende op en rond het Museumplein. Wie de zwarte piet krijgt kan ik wel raden. Nee, de weergoden zijn het gemeentebestuur niet gunstig gezind. Misschien dat daarom de democratie in dit kleine kikkerlandje zulke zure trekken heeft. Nu maar hopen dat het meevalt. Zodra het droog is ga ik even kijken.

Tagged with:
 

Abuis

On 27 augustus 2010, in filosofie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in The Condition of Postmodernity (1990) van David Harvey:

Hoogtepunt vandaag was een debat met een BNSP-werkgroep (Bond van Nederlandse Stedenbouwkundigen en Planologen) over de staat van de Nederlandse planningmachine. En dat na een ochtend vergaderen met de sociale sector van Amsterdam, die tot op pandniveau de maatschappelijke voorzieningen wil afstemmen op de lokale vraag. Mijn stelling werd natuurlijk aangevochten. Die luidde: de huidige Nederlandse planningmachine is nog steeds op modernistische leest geschoeid, terwijl ze al decennia postmodern zou moeten zijn. Modernistisch wil zeggen: optimistisch, doordrongen van vooruitgangsgeloof, op sociale gelijkheid gericht, strevend naar de vervulling van alle menselijke behoeften, plan- en projectmatig, conceptueel, grootschalig, (zichzelf overschattend), efficiënt, instrumenteel, met veel aandacht voor techniek en groen. Postmoderne planning, naar het voorbeeld van het werk van Jane Jacobs, heeft veel meer oog voor de kwaliteiten van congestie, geschiedenis, gelaagdheid, verval, verschil, fragmentatie, chaos, oefening, improvisatie, experiment. De eerste hoort nog sterk bij de verzorgingsstaat en wordt tegenwoordig met ‘linkse dogma’s’ in verband gebracht, de tweede past meer bij het steeds dominanter wordende (neo)liberale denken. Als de Nederlandse planners niet meebewegen, dan gaan ze eraan, klonk het omineus van mijn kant. Dan maken de neoconservatieven straks korte metten met de planningmachine, iets waar ze overigens al jaren mee bezig zijn. Men keek mij ongelovig aan.

Ben ik abuis? Wat schreef David Harvey ook alweer over planning? “In the field op architecture and urban design, I take postmodernism broadly to signify a break with the modernist idea that planning and development should focus on large-scale, metropolitan-wide, technologically rational and efficient urban plans, backed by absolutely no-frills architecture.” Daar tegenover stelt hij postmodernisme als een opvatting die een conceptie van het stedelijk weefsel als noodzakelijkerwijze gefragmenteerd cultiveert, “a ‘palimpsest’ of past forms superimposed upon each other, and a ‘collage’ of current uses, many of which may be ephemeral.” Harvey noemt Jane Jacobs als een van de vroegste postmoderne denkers over de stad. Haar protesten tegen de afbraak van Pennsylvania Railroad Station in New York (1910) in 1963 en de vervanging van dit station door Madison Square Garden waren niet ingegeven door monumentenbehoud, maar door afkeer van het modernisme dat ervoor in de plaats kwam. Om met Vincent Scully te spreken: “One entered the city like a god, one scuttles in now like a rat.” Terwijl modernisten de ruimte zien als iets dat sociale doelen dient en daarmee dienstbaar is aan het sociale project, zien postmodernisten de ruimte als iets onafhankelijks en autonooms. Postmodernisten accepteren de complexiteit van de stad en proberen die niet te beheersen. Goed observeren leert hen dat de stadsomgeving bestaat uit “an intricate system of organized rather than disorganized complexity, a vitality and energy of social interaction that depend crucially upon diversity, intricacy, and the capacity to handle the unexpected in controlled but creative ways.” Dat schreef Harvey twintig jaar geleden. Ik geloof dat Nederland vergeleken bij Amerika, nog altijd decennia achterloopt.

Emerging fashion capital

On 26 augustus 2010, in benchmarks, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 19 augustus 2010:

Het was een klein berichtje in de krant, rechtsonder op bladzijde 10. Zelfs de titel was sterk ingekort, natuurlijk vanwege de beperkte breedte: het was een tweekoloms tekst. De titel luidde: ‘Modestad nummer zes’. Bedoeld werd Amsterdam, de stad die Rome is voorbijgestreefd op de ranglijst van belangrijke modesteden binnen Europa. Londen, Parijs en Milaan staan bovenaan. Daarna volgen Barcelona en Madrid. En dan komt Amsterdam. De door Het Parool geraadpleegde bron is de Global Language Monitor (GLM), een Amerikaanse website, gevestigd in Austin, Texas. Het bericht was daar op 16 augustus op de website geplaatst. Wereldwijd staat Amsterdam nu op plaats zeventien, New York staat bovenaan.

Plaatsing op de lijst blijkt de uitkomst van peilingen per continent. Welke stad wijst men binnen Europa aan als meest trendy modestad? En welke stad binnen Azië? Enzovoort. De website citeert New Yorks modecorrespondent Bekka Payack. Over de relevantie van de scores voor de stedelijke economieën zegt ze: “"The importance of the emerging regional fashion capitals demonstrate a major global re-alignment in the multi-trillion dollar global fashion industry.” Grote stijgers blijken Hongkong, Melbourne en Madrid te zijn. Top nieuwkomer, aldus de site, is Amsterdam. Kijk, dat vermeldt Het Parool weer niet. Wel laat ze weten dat Parijs is voorbijstreefd door hip Londen. Dat dan weer wel. Hoe dan ook, de grote vraag is: hoe is het mogelijk dat Amsterdam vanuit het niets in zo’n korte tijd tot zo’n vooraanstaande modestad is uitgegroeid? En dat dit internationaal ook wordt erkend.

Tagged with:
 

Snelwegsociologie

On 26 augustus 2010, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 21 augustus 2010:

Afgelopen weekeinde keerde ik met auto en gezin terug naar Nederland. We reden via Parijs, Lille en Antwerpen. Parijs was een beproeving; om door de metropool te komen hadden we bijna twee uur nodig. Antwerpen ging beter. Daarna Breda. Toen Utrecht. Tot zover niets bijzonders. Na Utrecht begon het feest. We bereidden ons voor op files naar de hoofdstad. Er was immers Sail Amsterdam. Niets van dat al. We zagen leeg asfalt, tientallen meters breed. Tussen Utrecht en Amsterdam ligt sinds vorige week een plak asfalt van een breedte die ik in heel Europa, Parijs incluis, nog niet heb gezien: kilometers lang 2 x 5 rijstroken. Het was hilarisch. Thuisgekomen lees ik in de Volkskrant dat journalist Tijs van den Boomen, tevens snelwegsocioloog, opgetogen is. “Het is natuurlijk een monster van een weg. Vijf rijstroken, plus vluchtstroken links en rechts. Maar kijk goed: op hele stukken is geen vangrail, niet in het midden en niet aan de zijkant. De slootjes lopen door tot aan de weg. Daardoor is het een heel dunne plaat asfalt geworden, met een maximale breedte maar met een minimale impact op het landschap.”

Had ik niet goed gekeken? Ik had helemaal geen landschap meer gezien, laat staan slootjes, ook al reed ik met mijn twintig jaar oude Volvo helemaal in de rechterbaan. Ik zag alleen maar asfalt. En links zag ik vooral hoogspanningsleidingen boven het asfalt uitkomen. Even, heel even, toonde zich het landschap. Ter hoogte van Vinkeveen werd de snelweg opgetild. Socioloog Van den Boomen had het ook opgemerkt. In de Volkskrant wordt hij als volgt geciteerd: “En dan dat viaduct bij Vinkeveen, waar je opeens zo majestueus wordt opgetild boven het landschap.” Wat je dan ziet, zegt hij er niet bij. Heel in de verte zag ik Amsterdam liggen. Minder hoog rees de hoogbouw van ‘s lands hoofdstad dan die van ‘s lands tweede stad, maar de impact was verbluffend. Van de Boomen zwijgt er verder over, maar de krant citeert, heel fraai, de Limburgse minstreel Gé Reinders. Die schreef al in 1995, nog lang voordat al dat asfalt was gestort: “Schitterende weg, de A2. Onnederlands bijna. (…) Volg deze weg 362 kilometer. Kijk, dan ga je ergens naartoe. Dat kennen wij niet, behalve op de A2, een beetje dan. De magie van het eindpunt draagt daar ook aan bij: Amsterdam, symbool van de vrijheid.” Mooi niet? Dàt is pas snelwegsociologie.

Tagged with:
 

Paradisodebat 2010

On 25 augustus 2010, in kunst, by Zef Hemel

Besproken op 25 augustus 2010:

Komende zondag acteert deze meneer op de Amsterdamse Uitmarkt. In Paradiso om precies te zijn. Ik denk dat ik daarmee de eerste planoloog zal zijn die op de jaarlijkse Uitmarkt zijn kunsten vertoont. Het gaat om een inleiding op een debat. Het onderwerp: de toekomst van kunst en cultuur in het licht van de komende bezuinigingen. Of beter: wat is de maatschappelijke betekenis van kunst en cultuur in de komende decennia? Vandaag sprak ik erover o.a. met Jacques van Veen, directeur van het Uitburo. Hij was nieuwsgierig naar de opinie van mensen, niet afkomstig uit de kunstwereld. Zo zal ook Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van de SER, een inleiding houden. En de directeur van Mojo. Daarna is er een politiek debat tussen Tweede Kamerleden, geleid door Twan Huys.

Wat voor zinnigs kan een planoloog over het onderwerp zeggen? Soms heeft het voordelen als je er niet al te dicht bovenop zit en van een afstand kijkt. Wat dacht u van het volgende? De wijze waarop het beleidsveld rond kunst en cultuur in dit land is georganiseerd, evenals de dominante politieke opvattingen erover, verwijst nog sterk naar het tijdperk van de verzorgingsstaat. Iedere Nederlander moet toegang hebben tot elke vorm van kunst. Kunst als een vorm van emancipatie. Elke provincie moet haar inwoners dus alles kunnen bieden. Gevolg: overal in het land dezelfde schouwburgen met hetzelfde aanbod, alles vanuit Den Haag gesubsidieerd. Kunst en cultuur dus meer als een regionale voorziening dan als een maatschappelijke en steeds meer economische kracht die alleen op sommige plekken iets teweeg kan brengen. De ruimtelijke spreiding is, kortom, nog helemaal aanbodgestuurd en gaat voorbij aan het gegeven dat sommige mensen in bepaalde streken niet gediend zijn van cultuur, of alleen van een bepaalde stroming, genre, soms is dat hoge cultuur, soms lage cultuur. Trouwens, veel cultuurminnende mensen hoppen tegenwoordig van plek naar plek om cultuur te genieten en deinzen er niet voor terug om voor een tentoonstelling of voorstelling het vliegtuig te nemen. De wereld is ingrijpend veranderd. Want zie, er doet zich een steeds grotere scheiding voor tussen doorsnee cultuurconsumptie en experimentele, innovatieve kunst gericht op een kosmopolitisch ingesteld grootstedelijk publiek. Die eerste kan heel goed óók door commerciële partijen bediend worden, die tweede kan alleen maar dankzij overheidssubsidies bestaan. Eigenlijk zou het Haagse subsidiestelsel dezelfde tweedeling moeten krijgen als die in het verkeer- en vervoerbeleid bestaat: een decentralisatie van een deel van de budgetten naar de regio’s voor verzorgingsstaatcultuur (Brede Doeluitkeringen), de rest vanuit Den Haag uitsluitend, streng, toewijzen aan grensverleggende kunst die georiënteerd is op een kosmopolitisch, internationaal georiënteerd publiek.

Tagged with:
 

Spiky Delta

On 23 augustus 2010, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in S&RO nr. 4 (augustus 2010):

Afgelopen week verscheen het themanummer van S&RO over Ruimte en Economie. Mijn artikel, getiteld ‘Spiky Delta’, zag ik eindelijk afgedrukt. Ik zag trouwens dat je het ook kunt downloaden vanaf de NIROV-website (http://nirov.nl/Home/Publicaties/Tijdschriften/Publicatie_items/S_RO_4_2010.aspx?mId=10443&rId=177). Bij nalezing merk je altijd weer dat je iets cruciaals vergeten bent. Maar eerst de strekking van het artikel: het Ministerie van Economische Zaken is al sinds zijn oprichting in de jaren ‘30 van de twintigste eeuw primair gericht geweest op handelsbevordering (groei van import en export), volumegroei en bovenal kostenverlaging voor ondernemers. Het beleid is ontwikkeld vanuit de handelsnatieretoriek die stelt dat Nederland een klein landje is, met een open economie, en dat het vooral handel moet drijven met het buitenland. Daarbij heeft het departement aan de Bezuidenhoutseweg steeds het werk naar de mensen willen brengen. Dat betekende voortdurende spreiding van bestaansbronnen over het land, de aanleg van grootschalige infrastructuur, vooral van achterlandverbindingen tussen de mainports en de buurlanden, lage grondprijzen, suburbanisatie, bedienen van regio’s. Een grootstedelijke economie had niet haar aandacht, sterker het Nederlandse economische beleid is al honderd jaar anti-stedelijk. Met als resultaat een matige kwaliteit van producten, een veel te hoge importquote (dus een lage graad van zelfvoorziening), een onderschatting van de diensteneconomie, een enorm gesleep met goederen door de delta en een vernietiging van natuur en landschap. Het programma ‘Pieken in de Delta’ vormt daarop geen uitzondering. Elke provincie krijgt weer keurig zijn eigen ‘’piek’. Een ‘spiky delta’ zal er niet door onstaan, eerder een ‘flat delta’.

Wat ik helemaal vergeten ben te vermelden is dat de naoorlogse opbloei van de Nederlandse economie natuurlijk niet zozeer te danken is aan het gevoerde economische structuurbeleid vanuit Den Haag, maar aan de vroege toetreding van Nederland tot de Europese Unie (EEG, later EG, tegenwoordig EU) èn aan het aardgas van Slochteren, later de Noordzee. Het is allemaal economie gericht op export, specialisatie, schaalvergroting, matige kwaliteit, weinig duurzaam.

Tagged with:
 

Monsterstad Parijs II

On 22 augustus 2010, in geschiedenis, internationaal, by Zef Hemel

Gelezen in The Identity of France, Volume I (1986) van Fernand Braudel:

Waarom is Parijs de Franse metropool geworden? Waarom niet Lyon? Lyon ligt aan de Rhone, op een van de belangrijkste istmussen van Europa, tussen de Noordzee  en de Middellandse Zee. Ze verbindt de steden van de Noordelijke Nederlanden over het water van de Maas, Saone en Rhone dan wel via de pas van de Mont Cenis over de Alpen met de steden van Noord-Italië. In de Middeleeuwen telde Lyon dan ook grotere markten dan Parijs. Maar in de zeventiende eeuw, toen Frankrijk economisch achteruit kachelde, kwijnde ook Lyon weg. Juist dan komt Parijs opzetten. Toen de economie in de achttiende eeuw weer aantrok door de industriële revolutie, was het Parijs dat de toon zette. Fernand Braudel schrijft: “little by little the capital city stripped Lyon of its financial supremacy.” Tegen het eind van de Verlichting was het proces voltooid: “by fair means or foul, Lyon’s rival had carried off the prize.” De rivaliteit tussen de twee grote Franse steden groeit nog in de negentiende eeuw, maar Lyon komt er dan niet meer bovenop, ondanks het feit dat ze uitgroeit tot het creatieve centrum van de zijde-industrie.

Braudel is duidelijk op de hand van de Zuid-Franse stad, of eigenlijk is hij anti-Parijs. Lees maar: “Today Lyon has lost all its financial capital to a metropolis whose voracity knows no bounds.” Het is midden jaren tachtig van de twintigste eeuw als hij zijn historische trilogie over Frankrijk schrijft. Decentralisatiepolitiek en anti-metropooldenken zijn dan ook in Frankrijk nog dominant. De historicus van ‘la longue durée’ kan er zich niet aan onttrekken en stelt met pijn in het hart vast dat de lange lijnen van de geschiedenis duidelijk in het voordeel van de Franse hoofdstad spreken. Beleid dat dit tegengaat helpt niet, moet hij toegeven. “This illustrates, in a financial context, the problem of making decentralization work.” Ook in Nederland moet de slag van antistedelijk decentralisatiedenken naar grootstedelijk denken nog steeds worden gemaakt. Het denken in lange historische en ruimtelijke lijnen kan daarbij behulpzaam zijn. Sommige steden hebben nu eenmaal historische voordelen. Maar het sentiment wil het niet. Braudel laat dat mooi zijn. In zijn eigen intellectuele worsteling met Parijs.

Tagged with:
 

Monsterstad Parijs

On 21 augustus 2010, in internationaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Identity of France. Volume I’ (1986) van Fernand Braudel:

Vakantie gevierd in Frankrijk. Eindelijk Braudel gelezen. Op het eind van zijn leven schreef de Franse historicus ten slotte over zijn eigen land. In deel 1 van het drieluik schetst hij de lange lijnen van de geschiedenis en de geografie, la longue durée. Mooi hoe hij stilstaat bij de enorme diversiteit van het land. Het grote land in het midden van Europa voerde meer burgeroorlogen dan oorlogen met andere naties. De enorme afstanden telden. Het nederzettingenpatroon: de dorpen, de bourgs, de steden. De grenzen ook. In hoofdstuk acht verklaart hij de dominantie van Parijs. Waarom Parijs? Waarom werd niet Lyon de hoofdstad? Of Rouen, Orléan? Of een havenstad langs de Atlantische kust? Parijs ligt niet in het centrum en de omgeving valt slechts te typeren als het saaiste deel van een verder opwindend landschap. Deels wordt de dominantie van de metropool Parijs verklaard door de vroege samenballing van mensen in de vlakte van de Seine. Ze kwamen in de vroegste tijden gemigreerd uit Oost-Europa. Ile de France bleek buitengewoon geschikt voor hun geavanceerde graanteelt. Als er geen graanteelt mogelijk was, dan was het wel iets anders dat goed te verbouwen viel: druiven, aardappelen, noem maar op. Kortom, de omgeving van de metropool is ronduit vruchtbaar, al heel vroeg relatief dichtbevolkt en dan al kenmerkt ze zich door hoogontwikkelde vormen van landbouw. Toch kan Braudel maar moeilijk een voor de hand liggende verklaring verzinnen voor de dominantie van Parijs: “No long-term calculation really lay behind it. Chance and latent factors played their part, it must be said.” Toch was de stad in de elfde eeuw, toen de Notre Dame werd gebouwd, al ‘’monsterachtig’ van proporties.

De overbevolking van Ile de France, schrijft Braudel, bestond al in de Romeinse tijd. De doorwerking van de Romeinse beschaving was er ook langer dan elders, zeker honderd jaar. Dat heeft zijn uitwerking niet gemist. Veel mensen in de streek woonachtig betekende ook een sterk leger. En het Ile de France was een land van paarden. Ook die droegen bij aan de militaire kracht. Maar waarom dan Parijs? Rouen had ook gekund. Of Compiegne. Parijs had bovendien een groot nadeel: het was een typische landstad en de Seine is een luie rivier. “True, but the royal government itself saw the world through continental eyes.” Of was Frankrijk op het land gericht omdat Parijs het bestuurscentrum werd? “For Paris is as much consequence as cause.” Braudel was bereid de decentrale ligging van het dominante Parijs te accepteren. Welke hoofdstad is niet legitiem? Echter, dat hij niet veel op had met de Franse hoofdstad is wel duidelijk. Het machtige centrum had niet zijn sympathie. Zelf leefde hij in de provincie. Parijs was voor hem in de eerste plaats het gevolg van natievorming, en daarmee de bezegeling van “"a near-catastrophic distortion and dissymetry.” Parijs werd ook niet het centrum op eigen kracht, maar door imperiale bewegingen. “I believe there is as certain logic in nations.”

Tagged with: