Topdorpen

On 30 maart 2010, in regionale planning, by Zef Hemel
Gelezen in S&RO 2010 nr 1. (februari 2010):
 
Door een wonderlijk toeval ontving ik pas vandaag het eerste nummer van S&RO jaargang 2010. Eerst dacht ik dat ik niet tijdig mijn contributie betaald had, maar het bleek een foutje in de verzending te zijn. Tja, de nieuwe vormgeving van het NIROV-tijdschrift, wat vind ik ervan? Hij doet me denken aan ‘Huig’, het tijdschrift van de Rotterdamse Academie van Bouwkunst. Hip en trendy. Goed gedaan, Kisman en Verhaak, vooral de infographics (zie bijvoorbeeld kaart 4 op bladzijde 21: krimp en groei in Nederland 2008-2025, en je weet beter!). Maar om te lezen vond ik het lastig worden, vooral waar driekolomsteksten verschenen. Zo’n opmaak bewijst dat niemand meer leest. Je bladert wat en je shopt wat rond, net als op het internet. Werd ik er wijzer van? Niet echt. Het nummer gaat over ‘trends’. Nu, die trends kennen we. Bill Bishop bijvoorbeeld over het grote uitsorteren. Of de Rotterdammers met hun ‘narratieve planning’. Die hebben ergens een klok horen luiden. Hoogleraar Wouter Vanstiphout weet het niet meer, maar op de (Rotterdamse) overheid heeft hij het niet. Echt geïnspireerd raak je er niet van. Wim Derksen is nog het interessantst. Hij gelooft niet in een nieuwe ronde bestuurlijke reorganisatie. Maar hij voelt de bui al hangen. Die provincies, die gaan eraan. Hij hoopt op meer regionale samenwerking. En hij denkt dat het rijk dat kan bewerkstelligen door geldstromen langs regionale samenwerking te sluizen. Typisch een blik vanuit de rijksoverheid. Alsof de rijksoverheid de ‘lagere overheden’ nog kan sturen. En alsof het zo’n rommeltje in dit land wordt door handelen van gemeenten (en niet de rijksoverheid). En demograaf Jan Latten schrijft weer eens oerhollands over ‘topdorpen’. Mark my words: alle dorpen van Nederland worden topdorpen!
 
Wat ik het leukste vond? Het interview met Ton Schaap en Gert Urhahn. Die twee mannen hadden iets te vertellen. Goede journalistiek trouwens. De meest onbegrijpelijke bijdrage kwam van Pieter van Wesemael van INBO. Wilt u mij volgen? "In mijn idee is het ideaal als de stedenbouwkundige en het stedenbouwkundige plan een voertuig vormen die ruimtelijke maar ook sociaal-economische karakteristieken en aspecten van historische ontwikkelingslogica van een plek weten te vertalen in wezenskenmerken. De stedenbouwkundige moet in staat zijn op het snijvlak van lokale identiteit en globale trends in een iteratief proces een unieke opgave, visie en strategie te formuleren. Strategisch denken is dan cruciaal, om vervolgens in ruimtelijk-programmatische zin met alle partijen aan de slag te gaan."
Tagged with:
 

Mooi Nederland is ….

On 28 maart 2010, in internationaal, by Zef Hemel
Gelezen in ‘Mapping the World’s Photos’ van David Crandall, Lars Backstrom, Daniel Huttenlocher and Jon Kleinberg van 29 maart 2010:
 
Jeroen den Uyl van TG wees me erop. Een curieus artikel van vier wetenschappers van Cornell University, New York, Department of Computer Science. Daarin worden steden in de wereld gebenchmarked naar aantallen foto’s die via flickr wereldwijd worden gedownload. Wat blijkt? Niet verrassend voert New York de lijst aan. Daarna volgt Londen. Parijs staat op vier. San Francisco trouwens op drie. Daarna volgen vier Amerikaanse steden: Los Angeles, Chicago, Washington en Seattle. Op plaats negen staat – ook niet verrassend – Rome. En dan…. Amsterdam, op plaats tien. Dat vind ik nou wèl verrassend.
De Amerikaanse wetenschappers hebben ook gekeken welke plekken in deze steden het meest met in trek zijn. In New York is dat het Empire State Building. Daarna Times Square. Dat zijn dus de meest gefotografeerde plekken op aarde, althans als we het downloaden via Flickr als maatstaf nemen. Voor Amsterdam zijn dat: de Dam en de Westerkerk, daarna de Nieuwmarkt en vervolgens het Museumplein. Interessant.
 
Je zou zeggen, in die plekken zouden we extra moeten investeren. In hun schoonheid, wel te verstaan. Dat zouden eigenlijk nationale investeringen moeten zijn. En over de bekendheid van het ‘merk Amsterdam’ hoeven we dus geen twijfel meer te hebben. Wenen, Berlijn, Brussel, Kopenhagen, Rotterdam, we laten ze ver achter ons. Maar dat wisten we al.
Tagged with:
 

Metropolitane democratie

On 27 maart 2010, in planningtheorie, by Zef Hemel
Gelezen over ‘Outsourcing Planning. What do consultants do in regional spatial planning in the Netherlands’ (2010) van Jantine Grijzen:
 Outsourcing Planning-Grijzen, J.-isbn 9789056296193-boek cover
Gisteren promoveerde de politicologe Jantine Grijzen aan de Universiteit van Amsterdam op een proefschrift over de rol die consultants spelen in de regionale planning. Die rol wordt steeds prominenter. Grijzen wijt dat aan de toenemende complexiteit van planning, zeker wanneer deze steeds meer regionaal van karakter wordt. "Planning is uitgegroeid tot een activiteit die wordt uitgevoerd door vele instanties en belanghebbenden, met overlappend beleid, deskundigheid en procedures." Begrijpelijk dat de bestuurders naar externe hulp grijpen. Grijzen wijst er op dat dit uitholling van de ambtelijke macht kan betekenen. "Als overheden kerntaken, zoals beleidsarticulatie en samenwerking met andere overheden, gaan uitbesteden, kan dit resulteren in een onvermogen om nog langer zelfstandig democratische plannen van hoge kwaliteit te ontwikkelen."
 
Zelf denk ik dat de consultants aan hun snelle opmars bezig zijn omdat overheden voortdurend snoeien in hun ambtelijke apparaten en denken dat externe expertise inhuren goedkoper is en hen meer greep geeft op de processen. Maar dat is het niet. En het democratische gat dat ze ermee graven zien ze helemaal niet. Na vier jaar zijn ze weer weg, een hoop ellende achter zich latend. De grootste kwaal: geheugenverlies, gebrek aan continuïteit, geen opbouw van wederzijds vertrouwen. En het einde is nog lang niet in zicht. Want opnieuw moeten er ambtenaren weg. Welkom consultants. Weer minder democratie. Lezen dus dat proefschrift van Grijzen.
Tagged with:
 

Meest geplande metropool

On 26 maart 2010, in Geen categorie, by Zef Hemel
Gelezen in ‘De grote uitleg van Amsterdam. Stadsontwikkeling in de zeventiende eeuw’ (2010) van Jaap Evert Abrahamse:
 
Vandaag maakte ik weer eens een wandeling langs de grachten. Het weer was ernaar. Het was een prachtige lenteavond, nog fris, enigszins grijs weer, het water van de Amstel stond bijna stil. Thuis las ik het fraaie standaardwerk over de zeventiende stadsuitleg van Amsterdam van Jaap Evert Abrahamse, architectuurhistoricus en ooit werkzaam bij de afdeling Binnenstad van de Dienst Ruimtelijke Ordening. Zijn opvatting over de stadsuitleg is niet die van degenen die menen in de Amsterdamse uitleg een ‘ideaalstad’ te bespeuren, Abrahamse voegt zich eerder bij de pragmatische stroming. "Deze studie richt zich niet op de ideale, theoretische stad, maar op de reële, gebouwde stad, en daarmee op de optimale stad: een weerbarstige fysieke en sociale werkelijkheid met een onvoorspelbare dynamiek, die door de stedelijke overheid zo goed mogelijk voor gebruik wordt ingericht, al naar gelang de aangetroffen situatie, de grondeigendom, de sociaal-economische doelstellingen, de heersende inzichten over planning, beheer en representatie, de aanwezige technische kennis, het gebruik van stedenbouwkundige theorie en methodiek en het beschikbare juridisch-planologische instrumentarium."
 
Een dergelijke benadering spreekt me wel aan. Hij staat dicht bij de praktijk zoals we die in Amsterdam nog steeds kennen. Vandaag had ik daarover een tweegesprek met Maarten Hajer, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving, op uitnodiging van Elba Media. Daarin benadrukte ik de complexiteit van het vak, de vele facetten waarmee moet worden rekening gehouden. We waren positief over wat er op dit moment in Amsterdam qua stadsontwikkeling gebeurt en hoopten dat Amsterdam zijn plannen kan blijven uitvoeren, alles gebaseerd op de ervaring van de laatste decennia. Vooral die opgedane ervaring is belangrijk. Het slot van Abrahamses boek is in die zin treffend: "Men kwam op basis van ervaring tot het inzicht dat ordening en vrijheid geen tegengestelde begrippen zijn. Integendeel, een goede ordening faciliteert functies, voorkomt conflicten en draagt bij aan economisch succes op de langere termijn. Amsterdam was een icoon van het kapitalisme en tegelijkertijd de meest geplande metropool van Europa." Knap geformuleerd, een tijdloos gegeven. Hoop dat de bestuurders anno 2010 deze wijsheid delen en dat de verdere uitleg van Amsterdam gestalte mag krijgen langs geordende weg.
Tagged with:
 

Vrienden

On 24 maart 2010, in economie, by Zef Hemel
Gelezen in PS van de Week van 12 december 2009:
 
Gelezen bij het opruimen: een reportage over het Amsterdamse bedrijf Hyves in Het Parool. Opzienbarend. Interessant. Het bedrijf is inmiddels vijf jaar oud en telt niet minder dan 140 medewerkers. Het is sinds enkele maanden gevestigd aan het Frederiksplein, in een voormalig gebouw van oliemaatschappij BP tegenover De Nederlandsche Bank. Elke dag fiets ik er langs. Eerst zag ik er de IDFA – het Internationale Documentaire Festival Amsterdam – al neerstrijken, toen Hyves. Even verderop zit nog altijd de redactie van De Groene Amsterdammer. Het Hyves-personeel, meest twintigers en dertigers, drinkt veel buiten de deur. Populair zijn café Kale of De Huyschkaemer. Nee, het begint daar echt creatief te worden.
Oprichters Raymond Spanjar, Floris Rost van Tonningen en Koen Kam begonnen in hun studententijd met het bedrijf, in de herfst van 2004, op de zolder van een Amsterdams grachtenpandje. Inmiddels zijn ze met hun bedrijf al vijf keer verhuisd, de laatste keer van de Herengracht naar het Frederiksplein. De aanleiding was een bezoek aan Amerika, waar de studenten met eigen ogen zagen hoe succesvol vriendensites waren. Dat wilden ze ook eens proberen. Eerst werden Amsterdamse studenten massaal lid, al snel haakte de rest van Nederland in. Na een jaar waren er al een miljoen bezoekers. Nu is Hyves met acht miljoen bezoekers de best bezochte site van Nederland. Geduchte concurrent is inmiddels het Amerikaanse Facebook, dat aan een razendsnelle opmars bezig is. Facebook telt inmiddels anderhalf miljoen Nederlandse gebruikers.
 
Zo groeit een bedrijfje in Amsterdam uit tot een wereldbedrijf: door importvervanging. Iets wat in Amerika een succes is, wordt in Amsterdam nageaapt en op een lokale consumentenmarkt – van Amsterdamse studenten – geïntroduceerd. Door succesvol te zijn wordt het nationaal uitgerold, d.w.z. geëxporteerd en groeit het bedrijf. Het begint – letterlijk – op een zolderkamertje en eindigt tegenover DNB. Universiteit, café’s en grachtengordel zijn de noodzakelijke ingrediënten. Geen brainpark, geen zichtlocatie, geen incubator is nodig. Het regelt zichzelf. Het zijn de mensen en het is de stad.
Tagged with:
 

Een stilstaande vijver

On 21 maart 2010, in politiek, by Zef Hemel
Gelezen in Volkskrant Magazine van 20 maart 2010:
Columniste Sylvia Witteman bivakkeert in de USA. Elke week schrijft ze over haar Amerikaanse leventje in Volkskrant Magazine. Dit weekeinde over het feit dat Amerikanen er geen moeite mee hebben om hun boeltje op te pakken en met het hele gezin duizenden kilometers verderop weer neer te strijken. Er is daar geen sociaal vangnet, iemand kan zo maar worden ontslagen, dus dan zit er niets anders op elders een baan te zoeken en te verhuizen. In Nederland is dat onbestaanbaar. "Nederlanders kunnen zich daar geen voorstelling van te maken," aldus Witteman. "Ik ken een gezin dat onlangs van Amsterdam naar Haarlem ging verhuizen, en een groots en larmoyant feest organiseerde bij wijze van ‘afscheid’ van Amsterdamse vrienden, familie en klasgenootjes. Iedereen was danig ontroerd en overstuur over dit vertrek. Let wel, het duurt ongeveer een kwartier om van Haarlem naar Amsterdam te reizen, een zelfde tijdspanne tijds die ik zeker viermaal daags doorbreng in mijn auto om de kinderen naar feestjes of sportclubs te brengen."
 
Toevallig deze week vertelde ik in een gesprek over het Nederlandse verstedelijkingspatroon en hoe dat als gevolg van decennialange gelijkmatige spreiding van publiek geld dat eigenaardige karakter heeft gekregen: overal stadjes, dorpjes, laagje voor laagje, wijkje na wijkje, als betrof het schimmel, een geheel kunstmatig patroon waarin geen plaats is voor echte grote steden. De ambtenaar van VROM in het gezelschap protesteerde en rekende voor dat zoiets niet te wijten viel aan publieke investeringen; die waren immers slechts een fractie van de totale ruimtelijke investeringen. Het was de markt die hierover besliste. Maar hij vergat dat de overheid als geheel enorme bedragen uitkeert aan provincies en regio’s die naast fysiek-ruimtelijk ook sociaal (uitkeringen), cultureel en economisch van aard zijn. Bij elkaar opgeteld een enorme smak geld. Motief bij de verdeling blijkt steeds weer te zijn: rechtvaardigheid.
Maar hoe rechtvaardig is het eigenlijk? Uitgerekend de sociale uitkeringen en de economische investeringen lijken minder bedoeld om rechtvaardig te zijn, dan om mensen vast te houden op hun plek. De verzorgingsarrangementen komen gewoon naar de mensen toe. Cijfers over verhuisbewegingen worden gebruikt om alarm te slaan. Zodra een substantieel deel van de bevolking ergens weg wil, wordt er in dat gebied namelijk moord en brand geschreeuwd en gaan er promp sloten geld vanuit ‘Den Haag’ naar dit gebied om ervoor te zorgen dat die mensen daar zitten blijven. Er moeten dan scholen, ziekenhuizen, zelfs universiteiten naar toe. Niemand mag van zijn plaats. Iedereen moet netjes blijven zitten waar ie zit. Nederland is al honderd jaar een stilstaande vijver. En zo’n vijver, die gaat op den duur stinken.
Tagged with:
 

Te ingewikkeld

On 19 maart 2010, in stedenbouw, by Zef Hemel
Gelezen in ‘Vierwindenhuis Amsterdam’ (1985):
 
Gisteravond een hele discussie gevoerd over zelfbouw. Ook ging het over collectieve (zelf)bouw. Vooral van institutionele kant werd er flink gehoond. De sfeer was er een van: ""Die zelfbouwers kunnen helemaal niet zelf bouwen. Uiteindelijk komen ze toch weer bij ons terug, voor professionele hulp." En ook: "Het bouwproces is veel te ingewikkeld voor hen." Of: "De gemeente legt ze in de watten." Desondanks wordt op dit moment alweer 8% van de woningbouw in dit land in zelfbouw gerealiseerd. Dat is helemaal niet weinig. Ook al helpen de marktpartijen of de overheid een handje. Het is een groeimarkt.
 
Ik noemde het voorbeeld van het Vierwindenhuis op Wittenburg in Amsterdam, maar dat bleek te lang geleden. Het is een van de vroegste voorbeelden van zelfbouw, althans in de twintigste eeuw, binnenstedelijk. Nu lees ik in de publicatie die destijds bij de oplevering verscheen het volgende. Het is opgetekend door Rainer Bullhorst. "In het voorbereidingsproces komt een bouwplan in aanraking met verschillende spelers in het spel. In een vroeg stadium moet er met de buurt worden gepraat. Bij eventueel verzet is de kans op slagen in de oorspronkelijke opzet gering omdat vrijwel geen enkel college van Burgemeester en Wethouders buurtbelangen durft te negeren. Komt een project wel verder ‘in de molen’, dan buigen ambtenaren op verschillende niveaus zich over de plannen. Hun optiek wordt bepaald door de belangen van de afdeling die zij vertegenwoordigen, zoals grondbedrijf, stadsontwikkeling, brandweer, bouwtoezicht enz. Als verschillende aspecten in elkaar schuiven stuit een plan soms op bepaalde persoonlijke grenzen of beperkingen. Dan ligt het lot of noodlot in handen van directeuren van afdelingen of diensten en van wethouders. Afgezien van vermeende of aantoonbare kwaliteiten van een concept heeft elke toetsende of beoordelende instantie één voor één de capaciteit om een project tegen te houden, te vertragen of mee te werken of juist te versnellen. Op elk niveau is men afhankelijk van personen die willen mee- of tegenwerken."
Voor het Vierwindenhuis pakte het uiteindelijk gunstig uit. Er werd vrijstelling verleend van de Voorschriften en Wenken. Zo ging dat twintig jaar geleden. Zo gaat het nog steeds. Maar wat als deze groeimarkt dominant wordt en ze de bouwcultuur in ons land ècht gaat beïnvloeden?
Tagged with:
 

Goede ideeën

On 17 maart 2010, in internationaal, by Zef Hemel
Gelezen op Citiwire.com op 13 maart 2010:
 
Tim Campbell is internationaal waarnemer, verbonden aan het Urban Age Institute in Londen. Binnenkort verschijnt van zijn hand een boek, getiteld ‘Beyond Smart Cities’. Dat gaat over hoe steden leren. Onlangs schreef hij er een column over op het Amerikaanse Citiwire.com van Neal Peirce. Hij heeft er onderzoek naar gedaan door talloze betrokkenen te interviewen. De effectiefste vorm van leren door steden blijkt te zijn: andere steden bezoeken. En dat doen steden tegenwoordig op grote schaal. Alle vijfhonderd grootste steden ter wereld sturen voortdurend delegaties naar andere steden om oplossingen en aanpakken te bestuderen. De bezoeken over en weer nemen hand over hand toe. Vooral Amsterdam en Kopenhagen zijn op dit moment in trek, stelt Campbell vast. In deze Noord-West Europese steden willen andere steden vooral leren hoe je geïntegreerde verkeerssystemen kunt ontwikkelen waarbij ruim baan wordt gemaakt voor openbaar vervoer, wandelaars en fietsers.
De geleerde lessen vervolgens thuis implementeren is overigens een heel ander verhaal. Campbell valt het op dat die steden hierin succesvol zijn, die thuis over informele netwerken beschikken en daar een klimaat weten te scheppen van consensus, vertrouwen en bereidheid om de zaken anders te organiseren. Zulke steden zijn echte leeromgevingen.
 
Het is inderdaad opmerkelijk hoeveel delegaties er op dit moment naar Amsterdam komen. Vandaag nog viel het ons op dat er zoveel Japanse delegaties door de DRO de afgelopen weken werden ontvangen. Vorige week vroegen teamleiders om aanscherping van het groepsbezoekenbeleid omdat het aanvragen uit het buitenland regende. En Geert de Jong van de Dienst Infrastructuur, Verkeer en Vervoer, vertelde me vorige week dat bij hen wekelijks wel vier verzoeken binnenkwamen voor buitenlandse ontvangsten. Onderwerp: het Amsterdamse fietsbeleid. Elke stad in de wereld wil het fietsen stimuleren. Steden willen leren en ze hebben haast. Campbell: "Cities in the modern world are beginning to share some features with the city-states of millennia past – communicating, trading, competing." Duizenden steden zijn in opkomst. Ze willen even welvarend worden als de vijfhonderd grootste steden ter wereld. Hen gaat het niet om zijde en specerijen, maar om goede ideeën.
Tagged with:
 

Zo grondig mogelijk

On 14 maart 2010, in stedenbouw, by Zef Hemel
Gelezen in ‘Amsterdam op de helling’ (2010) van Herman de Liagre Böhl:
 
Afgelopen week begon Piet de Rooy over het boek. Ik kende het nog niet. Het gaat over de Amsterdamse stadsvernieuwing. Auteur is Herman de Liagre Böhl, hoofddocent politicologie aan de UvA. Niet iemand uit het vak dus. Steekproefsgewijs begin ik te lezen. Omdat ik gisteravond bij Gert Urhahn was, die me vertelde over zijn beginjaren bij de Dienst Ruimtelijke Ordening en waarbij de vernieuwing van Kattenburg de revue passeerde, lees ik in ‘Amsterdam op de helling’ het hoofdstuk over de vernieuwing van de Oostelijke Eilanden. Voor de goede orde, het betreft hier de vroegste stadsvernieuwing in Amsterdam. Het is direct smullen.
Het ‘wederopbouwplan’ voor de Oostelijke Eilanden kwam in 1953 gereed. Begonnen werd met Kattenburg. Aanvankelijk verliep de sanering langzaam. De ambtenaren kregen de opdracht een plan voor dit eerste eiland te maken. Hun oordeel: ‘De sanering moet zo grondig mogelijk gebeuren.’ Alle woningen zouden worden gesloopt. Dit ambtelijke advies werd aanvaard. Rond 1400 gezinnen zouden moeten verhuizen. En dat terwijl er woningnood heerste. Vanaf 1963 begint men met onteigenen en ontruimen. Woningen die leegkomen worden niet gesloopt, maar komen leeg te staan. Leegstaande panden worden clandestien bezet. Het zijn de eerste ’stadsnomaden”. In 1966 kopt De Telegraaf: ‘Kattenburg: vergaarbak van menselijke ratten.’ In 1969 worden de laatste Kattenburgers ontruimd. Burgemeester Samkalden viert dit in Frascati met de leuze ‘Tot ziens op Kattenburg!’ Vrijwel geen enkele bewoner zal later echter terugkeren. Want het zal nog tot 1973 duren voordat met de nieuwbouw een begin wordt gemaakt. Wat in de jaren ‘50 werd bedacht, wordt pas ruim twintig jaar later uitgevoerd.
 
Wat de auteur niet vermeldt is dat het nog tot begin jaren ‘70 de bedoeling was de Kattenburger Vaart geheel te dempen en Kattenburg en Wittenburg samen te voegen. Gert Urhahn vertelde me gisteravond dat hij tijdens het samenwerken met de architecten het water wist te redden. Een deel moest worden versmald, dat wel. Maar de verkaveling op het eiland werd toch aangepast aan dit stedenbouwkundige reddingsplan, dat mede werd ingegeven door praktische redenen: de fabrieken aan de overzijde, op Wittenburg, dreigden te verzakken als het water werd gedempt. In die twintig jaar tijd waren de gedachten van de stedenbouwkundigen dus wel degelijk veranderd. Althans van sommige. Want de directie van de Dienst Ruimtelijke Ordening was over de actie van een van zijn medewerkers not amused. Het bestemmingsplan was namelijk al vastgesteld. Urhahn had zich er niets van aangetrokken. Dat plan moest dus worden herzien. En zoiets kost drie jaar.
 
Tagged with:
 

Het gelijk van Florida

On 10 maart 2010, in politiek, by Zef Hemel
Gelezen in ‘The Big Sort’ (2008) van Bill Bishop:
 
Een week na de lokale verkiezingen trekken de kruitdampen langzaam op en wordt het nieuwe patroon zichtbaar in het politieke landschap van Nederland. In NRC Handelsblad van 4 maart 2010 stonden op bladzijde 3 de nieuwste kaarten van Nederland afgebeeld, weergevend het stemgedrag in de gemeenten. Opnieuw zijn de kaarten moeilijk leesbaar. Kennelijk hoopt de redactie patronen in stemgedrag te zien die regio’s markeren. Tevergeefs. De patronen zijn wel geografisch maar niet meer regionaal. Ze zijn stedelijk.
Richard Florida krijgt steeds meer gelijk. Onder de kop ‘A New Theory of Growth’ beschrijft Bill Bishop in ‘The Big Sort’ hoe Richard Florida begin 2000 op het idee kwam van een creatieve klasse. Met de opkomst van deze klasse sorteerde de Amerikaanse bevolking zich ruimtelijk uit. Niet regio’s, maar steden onderscheiden zich. Sommige steden werken als magneten op de creatieve klasse, andere stoten deze klasse juist af. Deze ruimtelijke uitsortering, waarschuwde Florida, zou leiden tot nieuwe vormen van segregatie. Op datzelfde moment vonden Bishop en de zijnen gegevens over groepen steden die zich in totaal verschillende richtingen ontwikkelen: High-Tech Cities versus Low-Tech Cities. High-Tech Cities doen het in economisch opzicht veel beter, ofschoon ze zich kenmerken door zwakke sociale verbanden. Ze kenmerken zich door grote openheid, individualisme, kosmopolitisme, economische groei, een gemiddeld hoog opleidingsniveau, vernieuwingsdrang, een relatief hoog inkomensniveau, hoge vastgoedwaarden dus duur om in te wonen. Het zijn, zeg maar, welvarende links-liberale steden. Daartegenover staan steden die het minder goed doen, met een relatief laag opleidingsniveau, veelal nog hechte sociale verbanden, gekenmerkt door geslotenheid, lokale trots, weinig vernieuwingsdrang, chauvinisme.
 
Welnu, datzelfde patroon zie je in de Nederlandse verkiezingsuitslag terug. Steden als Amsterdam, Groningen, Haarlem, Leiden, Eindhoven en Utrecht stemmen overwegend links-liberaal (D66, GroenLinks, PvdA), steden als Rotterdam, Almere, Hoofddorp, Vlissingen, Dordrecht en Den Haag stemmen Lokaal, PvdD, PVV en TON. Het platteland stemt nog altijd overwegend CDA en VVD. Mooi is de treffende gelijkenis tussen de landelijke patronen van D66 en GroenLinks. Vooral in Brabant zie je dit terug: de Brabantse steden scoren hier hoog, maar hun omgeving juist opmerkelijk laag. In de Low-Tech Cities wordt gemopperd en heerst het grote ongenoegen, in de High Tech Cities – kleine eilanden in een zee van woede- is het nog altijd rustig.
Tagged with: