Cichlydisch

On 19 februari 2010, in theorie, by Zef Hemel
Gelezen op Evolutie.blog.com van 2 oktober 2000:
 
Vandaag ontmoette ik Marc Hanou. Ook hij was bij de lezing van Tijs Goldschmidt (Darwin in the City) aanwezig geweest. Hem was vooral het verhaal over de cichlyden bijgebleven. Cichliden zijn vissen en vormen ecologisch en evolutionair een buitengewoon succesvolle familie, die voornamelijk in de grote meren van Afrika en de rivierstelsels van Zuid- en Midden-Amerika vele soorten telt. Zelf heeft Marc een speciaalaquarium, geschikt voor cichlyden, vertelde hij me, en eigenlijk vindt hij dat elke planoloog een cichlydisch agquarium zou moeten hebben. Wablief?
Wat hem en mij in de lezing trof was de snelle verandering van soorten cichlyden door sexuele selectie. Ook stadsecoloog Remco Daalder had daar die gedenkwaardige avond aan gerefereerd. Thuis zoek ik het op. Op evolutie.blog.com vind ik een tien jaar oude, maar niettemin boeiende passage over de evolutie van cichlyden. Ik lees:
"De onderzoekers hebben ontdekt dat vissen met verhoogde roodgevoeligheid in water van meer dan 3 meter diep leven en de blauw-gevoelige individuen in water van minder dan 3 meter. Dit heeft te maken met de selectieve absorptie van licht in water en wordt bepaald door de diepte en eigenschappen zoals helder of troebel water. Het bijzondere van de situatie is dat de cichliden voorkeur hebben voor water met een bepaalde diepte, waardoor een ruimtelijke scheiding ontstaat. Tel daar bij op de verschillende voorkeuren van vrouwtjes (sexuele selectie) en je hebt ideale omstandigheden voor het ontstaan van twee soorten." Er zou zelfs sprake zijn van sympatrische soortvorming. "Dat is soortvorming waarbij individuen van twee populaties elkaar wel tegen kunnen komen, maar de kans daarop is kleiner omdat ze binnen hun verspreidingsgebied lokale ruimtelijke voorkeuren hebben."
 
Zou dit ook bij mensen kunnen gebeuren? Dat dus stadsmensen zich ruimtelijk scheiden van plattelandsmensen en dat bij sexuele selectie onder de stadsmensen zich versneld nieuwe soorten zullen vormen. Een soort van verhevigde evolutie dus. Zou dat de redding van de mensheid kunnen zijn?
Tagged with:
 

Humble, not arrogant

On 16 februari 2010, in planningtheorie, by Zef Hemel
Gelezen in ‘The Power to Collaborate’ (2010) van Nadav Haran:
 
Binnenkort, op 10 maart, hoopt Nadav Haran, Israelische onderzoeker uit Jerusalem en cum laude afgestudeerd planoloog, te promoveren aan de Universiteit van Amsterdam op een proefschrift over de strategische samenwerking van regio’s in Nederland. Daartoe vergeleek hij Brabant Stad, de regio Arnhem-Nijmegen en de Metropool Regio Amsterdam met elkaar. Deze week ontving ik een exemplaar van zijn proefschrift. De titel luidt ‘The Power to Collaborate’. Natuurlijk zocht ik eerst op hoe hij de Metropool Regio beschrijft en typeert. Hij baseert zich in zijn onderzoek op veel interviews met betrokkenen. Strategische planning is zijn onderwerp. Ergens schrijft hij dat hij het opmerkelijk vindt dat de provincies Noord-Holland en Flevoland wel betrokken zijn, maar niet de hoofdrol spelen in de Amsterdamse samenwerking. Het is de stad Amsterdam die de partijen – liefst 37 gemeenten – feitelijk samenbindt. "In their interviews, all respondents emphasized the great influence of the politicians and the civil apparatus of Amsterdam within the region and on the national policymakers." Amsterdam, stelt Haran bovendien, heeft geen enkele bevoegdheid om dit te doen. Toch doet de stad het. "It appeared from the interviews that the municipality of Amsterdam offered its expertise and knowledge to the regional parties it collaborated with in a manner seen as humble, not arrogant." Die dienstbare houding zou in schril contrast staan met de wijze waarop de hoofdstad vroeger, toen de samenwerking binnen de zogenaamde Noordvleugel net begon, de leiding had genomen.
 
In de conclusie valt opnieuw op hoe de onderzoeker het opmerkelijk vindt dat Amsterdam geen bevoegdheden heeft om leiding te geven aan de regionale samenwerking en het toch doet. "The municipality of Amsterdam had less legislative or financial resources in the regional arena but it gained its domination from its image and its skills." De strategische kracht van de regionale samenwerking slaat hij overigens hoog aan. De houding van Amsterdam, die hij karakteriseert als ‘nederig’, acht hij daar vooral debet aan.
Laten we hopen dat de Amsterdamse politici die op dit moment het mes willen zetten in het ambtelijk apparaat vanwege de bezuinigingen dit proefschrift lezen en niet de succesvolle regionale samenwerking op het spel zetten door te snoeien in de gemeentelijke uitgaven over de ruggen van de buurgemeenten heen. Juist het succes van de regionale strategisch planning schuilt in de genereuze wijze waarop Amsterdam de samenbindende rol tot nu toe op zich neemt.
Tagged with:
 

No feedback

On 14 februari 2010, in economie, by Zef Hemel
Gelezen in de Volkskrant van 13 februari 2010:
 
Volgens André Szasz, oud-bankier van De Nederlandsche Bank en voormalig hoogleraar Europese integratie, is de euro helemaal niet zo’n gelukkig gegeven in de huidige omstandigheden. "Politici riepen dat we als een kind zo blij moesten zijn met de euro tijdens de crisis. Anders was het nog erger geweest en waren er ook valutaproblemen ontstaan. Maar dat is maar een halve waarheid. Omdat er geen valutaproblemen konden ontstaan, ontstond een veel groter probleem. De economieën van landen groeiden uit elkaar zonder dat het mogelijk was de valutakoers aan te passen. De onevenwichtigheden zijn groter geworden dan als iedereen met de crisis nog een eigen valuta had gehad."
 
Het is nog veel erger. Idealiter zou elke stedelijke regio zijn eigen munteenheid moeten hebben. In dat geval zullen economische onevenwichtigheden het snelst worden gecorrigeerd door lokale koersaanpassingen. Dat heet feedback. Lees Jane Jacobs in ‘Cities and the wealth of nations’ (1985) er maar op na. "Cities within a nation get no feedback whatever from the national currency with respect to their trade with one another nor their other domestic trade either, for that matter." In Amerika, zoveel groter dan de afzonderlijke landen van Europa, was dat zeker het geval toen zij haar boek schreef. Daarom stagneerden de Amerikaanse steden in de jaren tachtig. "With no admonitory feedback from the national currency, American cities flourished migthily, but only up to a point. All cities tend to have their runs of bad economic times for many reasons, ranging from unavoidable hard luck to outright shortsightedness, folly and overspecialization. Furthermore, every city’s already established export work dwindles over the course of time owing to replacements in customer cities, transplants to distant regions, and obsolescence. A city that loses export work without compensating for the losses is a city doomed to decline. Such a city needs help and needs it fast, needs the automatic equivalents of tariffs and export subsidies."
Maar steden zijn afhankelijk van naties en doordat Europese naties zich hebben verenigd in de eurozone, is in Europa dezelfde situatie ontstaan als in de Verenigde Staten van Amerika tijdens de vorige grote crisis: er is geen feedback meer voor individuele stedelijke economieën. Met als gevolg grotere onevenwichtigheden. Als dat maar goed gaat.
Tagged with:
 

In all fury

On 14 februari 2010, in internationaal, by Zef Hemel
Gelezen in ‘The Vertigo Years’ (2009) van Philipp Blom:
 
Hoe dicht de mensheid nog bij het leven van de jager-verzamelaar stond, beschrijft de historicus Philipp Blom op indringende wijze in ‘The Vertigo Years’, als hij het leven op het Russische platteland schetst op het eind van de negentiende eeuw. Ik moet eraan denken vanwege de lezing van Tijs Goldschmidt over ‘Darwin in the City’. De Russische samenleving was een rurale, een leven in volstrekte armoede, dikwijls geteisterd door honger, verstoken van recht en politie: niet meer dan tienduizend politieagenten waren er op honderd miljoen Russen. Dorpsgerichten straften spontaan, vooral vrouwen en paardendieven moesten het ontgelden. Het geweld in het dagelijks leven was extreem. Dorpsfeesten ontaardden steevast in drankgelagen en vechtpartijen waarbij het normaal was wanneer de zwaksten niet meer opstonden.
 
Niet dat het leven in de Russische steden veel beter was. Ook daar heerste extreme armoede; de ruwheid en ellende van het plattelandsleven werden gewoon door de stad geimporteerd. Anders dan elders in Europa vestigde zich in Rusland geen stedelijk proletariaat, want na verloop van tijd keerde iedereen weer terug naar zijn of haar dorp. Voor mannen was dat gemakkelijker dan voor vrouwen. Wie eenmaal als vrouw in de stad had geleefd, was voor de rest van haar leven verdacht. Terugkeer naar het land was voor haar bijna niet meer mogelijk. Juist daardoor waren de gevolgen voor het dorpsleven zo ingrijpend. Wie korter of langer in Moskou of St. Petersburg had gewoond, was onherkenbaar veranderd. Baarden waren afgeschoren, het haar was netjes geknipt, het hemd hing niet meer over de broek, mannen waren veelal getrouwd, ze hadden geld en spullen, brillen soms, kleding, boeken en politieke ideeën. "Even the women who had done factory work seemed ‘distinguished by a livelier speech, greater independence, and a more obstinate character." Ziedaar de eigenschappen van de moderne stedelijke samenleving: men is mondiger, onafhankelijker en obstinaat. Die moderniteit is nog maar honderd jaar oud. En ze wordt gevoed door het leven in steden.
Tagged with:
 

Green City

On 12 februari 2010, in duurzaamheid, by Zef Hemel
Gelezen in ‘European Green City Index” (2009):
 
 
Onlangs verscheen de European Green City Index, opgesteld door de Economic Intelligence Unit te Londen. Dertig steden in Europa werden vergeleken op hun prestaties inzake duurzaamheid. Amsterdam eindigde op de vijfde plaats, achter Kopenhagen, Stockholm, Oslo en Wenen. In Amsterdam reageerde men teleurgesteld op het nieuws, maar de score is allerminst beroerd. De drie winnaars zijn alle Scandinavische steden; Nederland is lang geen Scandinavië, helaas. De prestaties bleken bovendien sterk te correleren met welvaart, die in Scandinavië nu eenmaal groter is, en met vrijwilligerswerk, want hoe meer vrijwilligerswerk een stad telt, hoe duurzamer deze blijkt te zijn. Amsterdam blijkt relatief veel vrijwilligers te tellen, waardoor de onderzoekers de civil society van de Nederlandse hoofdstad hoog aanslaan. Wat mooi is. Ook stadsgrootte speelt een rol: de hele grote steden presteren minder dan de steden met iets minder dan een miljoen inwoners.
 
Amsterdam komt veel aan bod in het eindrapport. De stad wordt als voorbeeld gezien van uitstekende afvalverwerking. Daarin is ze het tegenbeeld van een stad als Zürich. De Zwitserse stad heeft ooit besloten om zwaar in te zetten op afvalreductie en is daarin wonderwel geslaagd: de inwoners van Zürich produceren slechts 406 kilo per jaar per persoon. In Amsterdam is dat 487 kilo, iets minder dan het gemiddelde. Maar Amsterdam verbrandt zijn afval op uiterst efficiënte wijze en gebruikt de restwarmte voor de stadsverwarming. Daardoor staat ze toch op één. Amsterdam excelleert ook op het gebied van water, transport (fiets!) en landgebruik (intensieve bebouwing). Waar ze matig in presteert zijn CO2-beleid en luchtkwaliteit. Daarin wreekt zich haar ligging. Waar de Scandinavische steden in dunbevolkte, natuurrijke gebieden gelegen zijn, bevindt Amsterdam zich in een hogedrukgebied met veel congestie: "Amsterdam suffers particularly from its proximity to heavy industry in the Netherlands, Germany and Belgium, as well as from traffic congestion in the wider Randstad area." Om nog duurzamer te worden zou Amsterdam moeten inzetten op verplaatsing van de hoofdstad naar het noorden.
Tagged with:
 

Een zucht

On 11 februari 2010, in regionale planning, by Zef Hemel
Gehoord in Haarlem op 9 februari 2010:
 
Ijskoud maar windstil was het op de Markt van Haarlem, die donkere dinsdagavond in februari. Ik vluchtte naar binnen. Aanwezig waren de bestuurders van de Metropoolregio Amsterdam. Onze gastheer was Jan Nieuwenbrug, wethouder ruimtelijke ordening van Haarlem. We vergaderden in het oude raadhuis aan de Markt. Acht strategieën voor de metropool Amsterdam stonden die avond centraal. Maar eerst kwamen we bijeen in de oude raadszaal, de zogenaamde vroedschapskamer. Ik draaide me om en zag een onwaarschijnlijk mooi en groot geweven wandkleed, tien meter lang en 2,40 meter hoog. Het bleek te stammen uit 1629 en stelde de slag bij Damiate voor. Inwoners van Haarlem voeren op schepen de haven van de oude stad binnen en braken daarbij de ketting die voor de haventoegang was gespannen. Het moet tijdens een van de laatste kruistochten zijn geweest, zo omstreeks 1219. Ik dacht even dat ik in Florence was. Zo mooi.
Daarna betraden we de grote zaal met zware balkenzoldering, daterend van het midden van de zestiende eeuw. Boven ons hoofd brandden kaarsen in drie kerkkronen, 17e eeuws, uit Medemblik afkomstig. Ze wierpen een gedempt licht over de stenen vloer, de witte wanden en de houten balken. Het complex waarvan het deel uitmaakt zou stammen uit de 13e eeuw, maar in werkelijkheid verwees het terug naar midden veertiende eeuw, aanvankelijk was het het paleis der graven van Holland. De zaal waar we vergaderden was de Gravenzaal, de zaal van graaf Willem II die de oude stad ooit zijn stadsrechten had gegeven. Ik lees: "Toen de graven van Holland in Den Haag gingen wonen op het Binnenhof, hadden zij het ruime huis aan het Sandt niet meer nodig en hebben zij het voorste gedeelte aan het stadsbestuur in bruikleen gegeven en het achterste deel aan de Dominicanen." (J.J. Temminck, Haarlem vroeger en nu, 1971). In dat voorste gedeelte, daar vergaderden wij.
 
Wat moet je als planoloog nog zeggen over de komende tien jaar, dat is een zucht in het leven van de metropoolregio Amsterdam wanneer je in zo’n historische omgeving staat? Als ze dit gebouw nu maar bewaren, dacht ik alleen. En die Bavo aan de overkant. En het vleeshuis. En de markt zelf. En wat wij de komende jaren toevoegen zou eigenlijk even fraai moeten zijn. Maar dat zal wel niet. Want zo mooi kunnen wij niet meer bouwen.
Tagged with:
 

Pril

On 6 februari 2010, in theorie, by Zef Hemel
Gehoord in de Tijgerzaal van Artis op 3 februari 2010:
 Tijs Goldschmidt met een Nyemwezibeeld uit Tanzania    Foto Vincent Mentzel
Tijs Goldschmidt hield afgelopen week een fascinerende lezing over ‘Darwin in the City’. In de Tijgerzaal van Artis vertelde hij aan de leden van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing over Darwins evolutietheorie. Of eigenlijk, zei hij, moeten we spreken van een hele reeks van samenhangende theorieën rond evolutie van het leven die gegroeid is sinds Charles Darwin zijn ‘On the Origin of Species’ naar buiten bracht. En Darwin, moesten we weten, had zelf nooit het woord ‘evolutie’ in de mond genomen; hij sprak hoogstens van modificatie (modification). Goldschmidt memoreerde dat Multatuli veelvuldig over Darwin voordrachten heeft gehouden en dat de negentiende eeuwse schrijver vast en zeker maar wat graag bij deze avond aanwezig had willen zijn zo hij nog geleefd had. Het was een mooi begin van een intrigerende rede.
We gingen miljoenen jaren terug in de tijd en beseften dat het verschijnsel mens als stadsbewoner slechts een tijdperk beslaat van een paar milimeter op een tijdschaal van vele kilometers leven op aarde. Duizenden jaren lang was de mens niets anders dan een jager-verzamelaar geweest; veel van de eigenschappen van de stedeling verwijzen nog altijd naar die lange voorgeschiedenis, zoals het feit dat mensen nog altijd niet in staat zijn sociale verbindingen aan te gaan met meer dan honderdvijftig mensen in hun omgeving – een aantal dat gelijk is aan de leden van een primitieve stam -, waarmee hij verwees naar de theorie van de Britse antropoloog Robin Dunbar, ook wel bekend als ‘Dunbar’s number’. De stadsbewoner kiest zijn eigen honderdvijftig, de rest negeert hij. Dat negeren, aldus Goldschmidt, is een vermogen dat de stedeling ontwikkeld heeft sinds hij in steden woont. Geen enkele verwante soort zou in miljoenensteden kunnen overleven. Chimpansees bijvoorbeeld zouden er gek worden. Het feit dat het de mens zo snel lukt getuigt van een groot aanpassingsvermogen, maar het achterliggende genetische gedrag dateert dus nog van duizenden jaren her. En ook het feit dat een mens zich kan voeden met zoveel verschillende bronnen – eieren, planten, zaden, dieren, vruchten – stelt hem als geen ander levend wezen in staat in zeer diverse milieus te overleven. Goldschmidt toonde de vele verschillende ingrediënten van de rijke Chinese keuken, waaronder levende kikkers. Het was overtuigend bewijs.
We zagen tijdschalen waarop soorten zich ontwikkelden; die ontwikkelingen schijnen in bepaalde perioden versneld te zijn gegaan, dit zijn de zogenaamde transitieperiodes. Maar versnelde transities kunnen zich ook in de ruimte voltrekken. Zo had Darwin gesteld dat de extreme soortenrijkdom op de Galapalos Eilanden verband moest houden met het isolement. Vogels waren sporadisch naar het volgende eiland gevlogen, waar zij in een nieuwe omgeving terecht waren gekomen; zo had het aantal soorten zich snel opgebouwd. Goldschmidt toonde enkele transities: het waren fossielen van vreemde overgangsverschijnselen. De theorie dat alle leven vanuit zee zou zijn ontstaan, waarna het aan land was gekomen of voor het luchtruim koos, illustreerde hij met fraaie beelden als gevleugelde vissen en reptielachtige zeemonsters, gevonden in het noorden van Canada. Bij sommige mensen, zei Goldschmidt, zie je nog een snee onder de oren in de hals – een spoor van kieuwen. En embyo’s van mensen lijken sprekend op die van konijnen, vissen en vogels. Maar er heeft ook landleven bestaan dat vervolgens weer naar zee terugkeerde. Zo zou de walvis – een zoogdier! – ooit de omgekeerde route hebben gevolgd: hij ging van land weer terug naar zee. We zagen een soort van slanke beer over de zeebodem lopen; dat zou een voorloper van de blauwe vinvis zijn geweest. De bewijsvoering hiervoor school in een reeks van skeletten van opeenvolgende soorten die eindigde bij het skelet van de bedoelde zoogdiervis. Ook dit zag er overtuigend uit.
 
Gedurende de lezing voelde ik me nederig worden; ons stedenbouwers, begreep ik, past grote bescheidenheid. De stadsmens is evolutionair gesproken een zeer prille figuur – hij komt net op aarde kijken – en als levend wezen genetisch nog volkomen onaangepast aan de stedelijke omstandigheden. Geen wonder dat het stadsleven zoveel spanning oproept of eigenlijk verbazingwekkend hoe makkelijk wij mensen ons in steden hebben gevestigd. Wij stadsbewoners gedragen ons nog altijd als waren we jager-verzamelaars. Goldschmidt toonde een foto van een aapmens in een savanne alsof we hem vanuit een helicopter spotten. Het was net echt. Cultuur, zei hij, stelt ons in staat om de snelle veranderingen in onze leefomgeving bij te houden – aanpassingen die genetisch duizenden jaren zouden vergen. Dit illustreerde hij met fraaie beelden van jaren zestig mannequins in het Parijse straatbeeld.
De evolutiebioloog eindigde zijn lezing met een verwijzing naar de overleden schrijver-bioloog Dick Hillenius. In ‘Wat kunnen wij van rijke mensen leren?’ (1986) had deze gesteld dat rijke mensen – dat zijn mensen die in staat zijn hun zin door te drijven – zich steevast terugtrekken in grote huizen met veel open ruimte eromheen. Gek. Het lijkt wel het gedrag van de jager-verzamelaar.
Tagged with:
 

Politieke wingewesten

On 5 februari 2010, in politiek, by Zef Hemel
Gelezen in NRC Handelsblad van 5 februari 2010:
 
Je kon de klok erop gelijk zetten. In 2010 begint in Nederland het grote debat over de bevolkingskrimp. Waarom? Omdat het eerste cohort babyboomers dit jaar met pensioen gaat. Vanaf nu gaat de vergrijzing van de Nederlandse bevolking in de versnelling. En kort daarna zal in grote delen van Nederland de bevolkingskrimp een aanvang nemen. Je zag het al jaren aankomen, maar de wethouders, burgemeesters en projectontwikkelaars wilden er niets van weten. Zelfs de Nota Ruimte van de vorige regering repte er met geen woord over. Ik voorspel u een parlementaire enquete binnen tien jaar, waarbij de enquetecommissie aan de minister van VROM zal vragen waarom zijn voorganger dit allemaal niet had voorzien. "Meneer, uw departement wist toch van de demografische prognoses? Waarom deed u er niets mee?" Hij zal antwoorden: "Destijds bedreven wij geen ruimtelijke ordening meer. Wij lieten alles over aan de markt."
 
"Een duivels dilemma," noemt wethouder Custers van het Limburgse Margraten de kwestie in NRC Handelsblad. Eigenlijk zou hij nog woningen moeten bijbouwen, zegt hij, maar over tien jaar krimpt zijn bevolking genadeloos. Hoezo dilemma. Gewoon niet meer bijbouwen als je het nu al weet. Nu zegt de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken dat gemeenten in krimpgebieden moeten stoppen met woningen bijbouwen. "De staatssecretaris noemde Blauwe Stad, even buiten Winschoten, als voorbeeld. Volgens Bijleveld blijkt in dit nieuwbouwproject hoe moeilijk het is om potentiële kopers naar dunbevolkte gebieden te lokken." In plaats van een streng planologisch regime buiten de groeigebieden rond Amsterdam en Utrecht uit te vaardigen roept ze alleen maar: "jongens, doe het nou niet." Het klinkt tamelijk onbeholpen. En minister Van der Laan probeert alleen maar stemmen te winnen in de krimpgebieden door ze voor te houden dat er rijksgeld komt voor grootschalige sloop. Maar dat geld heeft hij helemaal niet. Het zijn politieke wingewesten. Jammer voor de minister dat de populatie kiezers in deze gewesten stelselmatig minder wordt. Ik voorspel u een parlementaire enquete. Het wordt een groot schandaal.
Tagged with: