‘’Laat ze hun gang maar gaan”

On 30 januari 2010, in cultuur, economie, stedelijkheid, by Zef Hemel

30 januari

 

Gelezen in ‘Perron Nederland’ (1991) van Bram de Swaan:

Het ambtswoninggesprek dat Carolien Gehrels, wethouder van kunst en cultuur, gistermiddag aan de Herengracht organiseerde, deed me weer even terugverlangen naar de Vrijstaat. Twintig burgers van de stad praatten in aanwezigheid van twee wethouders met elkaar over stedelijkheid en de betekenis van de grote stad voor Nederland. In twee uur tijd ontspon zich een fascinerend gesprek dat, regelmatig opgezweept door de anarchistische interventies van actrice Adelheid Roossen, zich in rap tempo uiteenzette met het lastige, complexe begrip ’stedelijkheid’. Alles kwam voorbij. Op de vraag waarom er in dit kleine landje zo negatief over de grote steden werd gedacht passeerde het ene naar het andere verhelderende inzicht: ook de grote stad denkt negatief over zichzelf (Paul Spies); de grote stad ìs voor veel mensen ook gekmakend (psychiater Wilco Tuinebreijer); de grote stad balanceert voortdurend tussen bloei en verval en in dit precaire evenwicht slaat de balans soms door naar het negatieve (Rudy Stroink); vroeger dacht men overwegend negatief over de stad, maar nu niet meer, de grote steden zijn weer motor van de economie (Wiebe Eijbers); niet elke grote stad doet het overigens goed, maar Amsterdam doet het zeker goed (Adelheid Roosen), zie maar, Amsterdam staat nummer één op de woonaantrekkelijkheidsindex van Gerard Marlet (Robert Kloosterman), iedereen wil naar Amsterdam (Ellen Walraven), Amsterdam groeit en zou nog veel sterker kunnen groeien door binnen de ring A10 flink te verdichten (Maarten Hajer); Amsterdam is groter dan haar administratieve grenzen (Maarten van Poelgeest); mensen buiten Amsterdam zouden zich maar wat graag met Amsterdam willen identificeren. Door hen bij Amsterdam te betrekken ontstaat vanzelf het Groot-Amsterdamgevoel.

Op de tweede vraag – wat is de waarde van de grote stad voor Nederland – kwamen evenzovele antwoorden. Emancipatiemachine, laboratorium van innovatie, cultuurcentrum, forum, plek met stedelijke woonkwaliteit. Eijbers wees op de afkalvende bovenkant van de economie en de voortdurende opbouw aan de onderkant. Die onderkant zou veel meer aandacht en ruimte moeten krijgen. Hij doelde op buurten die nu economisch bijna dood zijn en opnieuw tot leven moeten worden gewekt. Engelen dacht daarbij aan de Zuidas, die hij economisch diskwalificeerde: typisch de door Eijberd bedoelde ‘bovenkant’. De geldstromen van rijk en regio voor het dokmodel zag Engelen liever naar het stedelijke onderwijs gaan. Francien Houben noemde de woonkwaliteit als zwaar onderschatte factor; deze vroeg volgens haar om veel meer variatie in woonmilieus – en graag wat minder aandacht voor de toeristen, voegde ze er als Rotterdammer aan toe. Remco Daalder wees vervolgens op de grote waardering van de gemiddelde Amsterdammer voor groen en landschap en voor fraaie parken. Ellen Walraven wilde meer ‘lege ruimten’ waar iedereen zijn gang kan gaan en noemde Berlijn en Lubljana als voorbeeld.

Toen stuitten we op het begrip ‘chaos’, door de anarchistische Adelheid Roossen bozig geïntroduceerd toen ze tegenover haar voortdurend herhaalde klacht over de verstikkende regelgeving het nastrevenswaardige alternatief van de chaos stelde. De grote stad, "dat is nu eenmaal chaos". Waarop Stroink er op schampere toon aan toevoegde dat de overheid denkt die stedelijke chaos te kunnen beheersen. Niet dus. Helemaal géén regelgeving dan? Ach, zei de historicus Spies, de grote stad zit nu eenmaal vol regels, ze telde in de zeventiende eeuw zelfs veel meer regels dan nu. En ex-kraker Remco Daalder was blij dat de anarchie van de jaren tachtig niet meer op straat heerste ("het was toen echt knokken geblazen"), maar miste wel de vrijheid die er in de vele kraakpanden in de stad toen was. Nee, die regelgeving was er niet voor niets, want er is ook nog zoiets als veiligheid, aldus Andree van Es. Burgers èisen zelfs regelgeving van de overheid om zich veilig te kunnen voelen. Waarop Ewald Engelen er op wees dat veel regelgeving preventief is; je zou, zei hij, gewoon moeten ingrijpen als er echt iets misgaat en niet met regelgeving alles vooraf willen dichtkitten. Volgens Engelen en Stroink was er behoefte aan een ‘verlicht regime’ in de grote stad. Iemand pleitte daarop voor stadsstaat-constructies waardoor de grote stad zich meer of minder kan onttrekken aan de strenge regime van de natiestaat. Stroink oogstte bijval toen hij strengheid in het beheer van het publieke domein suggereerde (de stad moet er ’s ochtends vroeg schoon bijliggen en daar is de overheid voor), maar veel vrijheidsgraden in het private. Anders gezegd, een park moet schoon en goed beheerd zijn, maar in datzelfde park moeten ook spontane dingen kunnen gebeuren. Die combinatie van streng beheer en ruimte voor spontaniteit en hoe moeilijk dat is werd door Max van Engen mooi geïllustreerd aan de hand van het voorbeeld van de Ten Catemarkt. In een zijstraat waren Marokkaanse handelaren met veel succes begonnen met de verkoop van verse groenten tegen lage prijzen; de hele markt reageerde opgewonden, er ontstond commotie. Deze opleving plaatste het stadsdeel voor een dilemma: de verandering de kop indrukken en de regelgeving streng handhaven of de handelaren hun gang laten gaan. Omdat het tij niet meer te keren leek, legde men zich uiteindelijk bij de verandering neer. Zo reageert de overheid dus op spontaniteit; ze vindt het maar knap moeilijk. Het leidde bij Carolien Gehrels tot de verzuchting dat acht overheidslagen met hun eigen regels en beleid haar ook wel eens moedeloos maakten; ook zij ervoer al die regels en bemoeizucht als belemmerend in haar handelen.

Het was een fraaie voorzetting van het debat over de creatieve stad, een discours dat enkele jaren geleden was verengd tot de vraag hoe je de creatieve industrie kon aanblazen en daarna een langzame dood gestorven. Het ging weer over de metropool als innovatief milieu, met een belangrijke rol voor kunst en cultuur. Hoe creëer je daarvoor de condities? Ik keek naar buiten. Ik moest denken aan het fraaie essay van Bram de Swaan uit 1985, getiteld ‘Amsterdam, Groot-Holland en de wereld’. Daarin wijst hij op de forumfunctie van Amsterdam voor de metropool ‘Groot-Holland’, een functie die een uitstraling heeft tot diep in het West-Europese achterland. De Swaan woonde toen nog aan de gracht. "De Amsterdamse binnenstad vervult zo’n forumfunctie en vormt zo’n monumentale achtergrond, is sinds jaar en dag het culturele centrum voor de Groot-Hollandse metropool en voor de rest van Nederland; het is een van de voornaamste cultuursteden van Europa, alleen overtroffen door Londen en Parijs, misschien geëvenaard door Berlijn en Rome." Over de gevels aan de overkant viel de avond. De gedachtewisseling in de ambtswoning van de Amsterdamse burgemeester op deze winterse vrijdagmiddag was van die forumfunctie een treffend voorbeeld. Het was gewoon een goed gesprek.

Tagged with:
 

Gebrek aan sociaal kapitaal

On 29 januari 2010, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Great Disruption’ (1999) van Francis Fukuyama:

Afgelopen weekeinde heb ik ‘De Vastgoedfraude’ (2009) van Vasco van der Boon en Gerben van der Marel in één adem uitgelezen. Fascinerend en onthutsend boek. Na de bouwfraude, de misstanden bij de corporaties, de bankencrisis, de dopingschandalen bij het wielrennen, de fraude bij Shell en Ahold en de ondergang van de DSB kan dit er ook nog wel bij. Doordat ik m’n artikel over Singapore (Megacities Lecture 6, 2002) op hetzelfde moment herlas, raakte ik weer in de ban van Fukuyama’s ‘Great Disruption’. Dat blijkt achteraf toch wel een visionair boek. Het verscheen kort voor de eeuwwende, dus een portie ‘millenium-doemdenken’ is het niet vreemd. Mooi vind ik vooral hoe deze Amerikaanse filosoof op de rechterflank de drie-eenheid ‘Crime, Family and Trust’ in samenhang analseert en de demografische ontwikkeling (bevolkingskrimp) aan de basis legt van een reeks potentiële ontsporingen. Door zwakker wordende sociale verbanden waarvan echtscheidingen en kleinere gezinnen de kern uitmaken, verandert het waardenpatroon van mensen op het eind van de eeuw ingrijpend. Hierdoor kan het goed mis gaan omdat maatschappijen in volle breedte vatbaar worden voor fraude en oplichting. Uiteindelijk is dat de basis van de crisis waarin we op dit moment verkeren. Ik lees: "Individualism, the bedrock virtue of modern societies, begins to shade over from the proud selfsufficiency of free people into a kind of closed selfishness, where maximizing personal freedom without regard for responsibilities to others becomes an end in itself."

Deze ontwikkeling van doorgeslagen individualisme leidt er volgens Fukuyama toe dat mensen zelfs de laatste regels overboord willen zetten. Ze willen helemaal af van de overheid, die hen nog maar een strobreed in de weg legt. Ze klagen over regeldruk en hameren op afschaffing van de bureaucratie, terwijl die druk nog nauwelijks bestaat. Zo vernietigen ze zichzelf. "In societies where individuals enjoy more freedom of choice than at any other time in history, people resent all the more the few remaining ligatures that bind them." Het gevaar dat dergelijke samenlevingen bedreigt is dat ze helemaal uit elkaar vallen. Wegens gebrek aan sociaal kapitaal. Met alle gevolgen van dien.

Tagged with:
 

Visionair

On 27 januari 2010, in regionale planning, by Zef Hemel

Meegemaakt op dinsdag 26 januari 2010:

titel

Gisteren passeerde de Structuurvisie Amsterdam 2040 vrijwel ongeschonden het College van B&W. Dat is een historische gebeurtenis. In amper twee jaar tijd is op succesvolle wijze een langetermijnbeeld op metropolitaan niveau ontwikkeld met bijdragen uit alle sectoren: economie, cultuur, sport, wonen, groen en ecologie, verkeer en vervoer en water. Op metropolitaan niveau wil zeggen dat ook de belangrijkste toekomstprojecten in de buurgemeenten in het Amsterdamse beeld zijn opgenomen. B&W oordeelde positief. Iemand die nog durft te beweren dat zoiets anno 2010 niet meer kan, heeft het dus mis. Sterker, wat honderd jaar niet is gelukt, gebeurt nu: regionale langetermijnplanning onder aanvoering van de kernstad, uitmondend in stevige kaartbeelden.

Interessant was de opmerking van wethouder Gerson, die informeerde naar de waarde van uitgerekend de kaarten. De tekst vond hij helder en aansprekend, maar aan de betekenis van de kaarten twijfelde hij. Niemand kan toch kaarten lezen? Zouden die wel beklijven? Hij wist niet dat de visiekaart een samenstelling is van vier andere kaarten en dat deze vier zelfs letterlijk zijn verknipt en in elkaar gevouwen om uiteindelijk het totaalbeeld te verkrijgen. De technocratische lagenbenadering die het vorige structuurplan nog typeerde, is hier ingewisseld voor een ingenieus dynamisch spel van ruimtelijke spanningen die allerminst eenduidig zijn en zich hier en daar zelfs slecht met elkaar verdragen. De visiekaart is er daardoor een van schotsen en breuken, vol spanningen, maar uiteindelijk is alles tot op zekere hoogte met elkaar verzoend in een metropolitaan beeld dat energie uitstraalt, maar allerminst de onderlinge spanningen toedekt. Wel helder, maar toch donker, niet utopisch. Nee meneer Gerson, niet de tekst, maar de kaarten zullen blijven. De tekst is hier en daar te zonnig. Deze had, net als de kaarten, donkerder, geladener en spannender moeten zijn om de tijd goed te kunnen doorstaan. Enfin, we zullen zien.

Wakker Nederland

On 26 januari 2010, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 7 januari 2010:

Minister Eurlings ligt onder vuur. Opnieuw betreft het de spitheffing en het systeem van rekeningrijden die het de minister lastig maken. Elke Nederlandse minister van Verkeer en Waterstaat gaat aan dat dossier ten onder. Steeds vindt hij de ANWB en de Telegraaf tegenover zich. Het lijkt wel nationale folklore. Gisteravond probeerde het NOS Journaal nog de redelijkheid van de voorstellen te benadrukken door buitenlandse voorbeelden aan te halen die succesvol zijn geweest: de invoering van spitsheffingen in Stockholm en in Londen. Het lijkt niet te mogen baten.

Vreemd dat niemand erop wijst dat de buitenlandse successen allemaal betrekking hebben op grote steden en niet op landen. Het systeem had hier allang kunnen zijn ingevoerd als het tot Amsterdam beperkt was gebleven. Daar immers is het fileleed het grootst en daar zorgt de ring A10 met zijn stervormig netwerk van aan- en afvoerwegen voor een bijna ideaaltypisch verkeersmodel dat zich eenvoudig laat beprijzen. Het had als voorloper kunnen dienen van de invoering in de regio Rotterdam-Den Haag. Ten slotte had ook ‘draaischijf Utrecht’ het Amsterdamse voorbeeld kunnen volgen. Je had dan weliswaar geen fiscale compensaties kunnen introduceren, maar wel vlot en efficiënt politiek kunnen handelen en de veroorzakers van de hinder ècht kunnen laten betalen, net als in Stockholm en Londen. Opnieuw is het een voorbeeld van centralistisch denken binnen de eenheidsstaat vanuit een machtig Haags departement. Grappig hoe ze in Den Haag hun eigen tegenstand organiseren.

Tagged with:
 

Woestijn

On 16 januari 2010, in duurzaamheid, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Paris et le déser francais’ (1947) van Jane-Francois Gravier:

Volgende week is er een ambtswoninggesprek aan de Herengracht met een klein maar bont gezelschap over stedelijkheid en het belang van grote steden voor ons kleine land. Initiatiefnemer is de wethouder van kunst, cultuur en sport, Carolien Gehrels. Ik bereid me terdege voor. In de boekenkast vind ik een boek dat ik eind jaren zeventig aan de Universiteit van Groningen moest lezen en sindsdien niet meer heb aangeraakt. Het is van de Franse geograaf Jean-Francois Gravier. Het gaat over de moloch Parijs en het arme Franse platteland. Zo werd je in het noorden van het land al vroeg geïndoctrineerd. Op internet vind ik een terugblik uit Le Monde waarin het boek wordt aangeduid als ‘de bijbel van de decentralisatie’: "Dans un domaine qui n’est pas vraiment une pépinière de best-sellers, le livre de Jean-François Gravier Paris et le désert français a eu une carrière hors du commun. Plus qu’une référence, il reste un témoignage, un symbole : celui de la révolte contre une France déséquilibrée, entre une région-capitale écrasante, où tout se passe, et une province belle endormie qui suscite l’ennui et fait fuir les talents vers la Ville Lumière. Lorsque le jeune géographe (né en 1915, il a alors 32 ans) publie en 1947, aux éditions du Portulan, il n’imagine pas que son essai (tiré à 3 000 exemplaires) puisse inspirer au général de Gaulle l’aménagement du territoire à la française et devenir la bible de la décentralisation."

Even slaat te twijfel toe. Is metropoolvorming een verwerpelijk neoliberaal gedachtegoed waarbij de rest van het land wordt leeggetrokken en er grote onevenwichtigheden groeien tussen centrum en periferie? Of is het een goede ontwikkeling en hebben we dan ten slotte de angst voor de grote stad van ons afgeschud? Hoeveel ongelijkheid staan we toe? En ook, heeft de naoorlogse decentralisatiepolitiek niet iets verschrikkelijks opgeleverd? Overal wordt gebouwd. Het fileleed is niet te overzien, het hele land verrommelt. Straks maakt de demografische krimp alsnog een einde aan dat gespreide veld van ruimtelijke ontwikkelingen

Tagged with:
 

Twenty Minutes in Amsterdam

On 15 januari 2010, in stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Invisible’ (2009) van Paul Auster:

Afgelopen dinsdag organiseerde de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool Amsterdam een bijeenkomst in het Kohnstamhuis aan de Wibautstraat. Het ging over het Weesperplein. Er waren zo’n vijftig genodigden aanwezig. Ze luisterden naar liefst vier sprekers. Yoeri Albrecht zat het voor. Het doel van de bijeenkomst was kennelijk om aan de vooravond van de gemeenteraadsverkiezingen de publieke partijen in de stad – twee stadsdelen en de Centrale Stad – te bewegen de herinrichting van het gebied tussen de twee campussen – Roeterseiland en Amstelcampus – op de agenda te zetten en zo publiek geld te genereren voor plannen en openbare ruimte. Vandaar de keuze van het Weesperplein.

Een van de sprekers was Ton Schaap, stedenbouwkundige bij de DRO en supervisor van het Wibautstraatgebied. Hij toonde schitterende voorbeelden in het buitenland van het fenomeen ‘urban campus’ – Columbia in New York, Trinity in Dublin, Oxford in Oxford -, waarbij hij niet naliet erop te wijzen dat de universiteiten zelf veel geld en trots hadden gestoken in hun aanwezigheid in de stad. Vervolgens nam hij ons mee op een zondagse wandeling door het gebied in Amsterdam. In een verstilde, winterse stad liepen we van Roeterseiland naar de Amstelcampus en weer terug. Als een Michael Sorkin plaatste hij zijn commentaar bij alles wat hij onderweg tegenkwam. Het was een genot om te horen en te zien. Maar het was ook ontnuchterend. En natuurlijk was er sprake van een flinke dosis retoriek. Want na de zonnige beelden van New York, Oxford en Dublin, met veel mensen buiten op straat, waren de glibberige witte straten op een stille zondagmorgen in Amsterdam geen vergelijk. Ik dacht, nou, nou, Columbia University is ook niet alles. Thuis lees ik nog eens in de nieuwste roman van Paul Auster. Hoofdpersoon Adam Walker komt in New York bij toeval de Zwitser Born tegen. Die blijkt les te geven aan Columbia University. "Such a dreary place". En even verderop wordt Columbia – "that dismal university" – zelfs aangeduid als "the dreary fortress on the heights." Dan gaat het over de vaststelling van Born, sprekend tegen zijn vriendin, dat beiden aan dezelfde universiteit verbonden blijken te zijn: de een als gastdocent, de ander als student, "which means he’s probably our neighbor." Niet direct een universiteit die zich aan de lezer als publieke ontmoetingsruimte in de stad opdringt.

Toegegeven, het boek speelt in 1967. Sindsdien kan er in New York veel zijn verbeterd.

Tagged with:
 

Droommaquette

On 14 januari 2010, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Lofzang op de luiheid’ (2009) van Bureau B+B:

Met de jaarwisseling kreeg ik over de post toegestuurd een exemplaar van ‘Lofzang op de luiheid’. De mooi verzorgde publicatie verhaalt van het ontwerp van landschapsarchitectenbureau B+B voor de Vrijstaat Amsterdam, voor de Sloterplas en omgeving. "Wij zouden de Sloterplas willen zien als een Luilekkerland, dat we kunnen bezingen in een mooi gedicht. Waar de mensen de verveling kunnen vieren, waar luiheid en liefde de belangrijkste waarden zijn. Waar lekker gegeten kan worden en waar sprookjes en dromen de ultieme uitingen van vrijheid zijn." Het ontwerp betrof een verlichtingsplan voor de bomen en het water in en rond de Sloterplas. In de tentoonstelling van de Vrijstaat was dit plan in een maquette 1:1000 mooit te zien. "In de maquette is het verlichtingsplan weergegeven door groeiende magische bomen die tijdens de tentoonstelling letterlijk de hemel in groeien. Een groeiproces waarvan we het eindresultaat niet op voorhand kunnen weten." Op het eind lees ik in extenso over het fabriceren van de inktzwarte maquette. Dat is lang nadat ik een bezoek bracht aan het bureau aan de Herengracht en in een van de achterkamers verzeild raakte in een soort laboratorium waar proeven werden gedaan met chemicaliën. Ook de zes weken expositie tijdens welke de maquette was uitgegroeid tot een kleurrijk, wild bloemkoollandschap liggen alweer weken achter me. Met weemoed denk ik aan de maquette terug.

Ik lees: "We kopen 15.000 bomen in Duitsland, 100 platen zwart foamkarton, 1500 gelaserde kartonnen bomen. Gebruiken 100 pipetten, duizenden tissues en make-up watjes, tientallen plastic bekertjes, zijn elke dag bij Van der Linde, bellen Labstuff, ROvorm, Rijnja en Swift Koeriers. We gebruiken 5 kilogram zout, 5 liter gedestilleerd water, 1 liter ammoniak, 50 infuuszakken en 10 verschillende soorten lijmen. En we laten siliconen overkomen uit Engeland voor een droommaquette in Amsterdam." De droommaquette, hij is niet meer.

Tagged with:
 

‘Een stukje smaakbeleving’

On 14 januari 2010, in duurzaamheid, voedsel, by Zef Hemel

Gehoord op de Horecava op 10 januari 2010:

Maandagmorgen was de opening van de Horecava in de RAI in Amsterdam. Die ochtend zou Den Bosch het stokje van Amsterdam overnemen als ‘hoofdstad van de smaak’. Voor dit korte stukje voor twee burgemeesters was ik naar het evenement getogen, dat verder geheel in het teken stond van de commercie. Cohen gaf Rombouts een klein boekje, getiteld ‘Naar een metropolitane voedselstrategie’. Rombouts nam het in ontvangst en gaf Cohen een Bossche ontbijtkoek in een kistje. Zo uitvoerig en anecdotisch als Rombouts de koek toelichtte, zo beknopt was Cohen over de inhoud van het boekje.

Op een evenement waar ik nooit zou komen, keek ik mijn ogen uit. Vooral de wijze waarop deze wereld over voedsel sprak was opmerkelijk. De taal was artificieel, om niet te zeggen puur commercieel. Ik kon me er geen lekker eten bij voorstellen. Men had het steeds maar over ‘een stukje beleving’, ‘een ’stukje smaakbeleving’ zelfs, en over veel ‘toegevoegde waarde’. De beleving van het voedsel zelf bevond zich echter buiten de taal. Er werden prijzen uitgereikt voor goed ondernemerschap, maar de winnaars waren alle mensen die het voedsel en de beleving ervan hadden toegedekt onder een stortvloed van techniek en flauwekul: een theemachine, een drijvend, varend terras, een digitale touchscreen voor op de tafel, waardoor bezoekers van het etablissement geen ober meer nodig hebben "en er geen fouten in de bediening meer kunnen worden gemaakt."

Een ander toverwoord was ‘duurzaamheid’. Dan ging het over keurmerken, afspraken, quota, geurafvangapparaten. De directeur van Koninklijke Horeca Nederland bezwoer dat de sector het zelf wel zou oplossen en dat er geen regelgeving nodig was. Hij wees erop dat de fastfoodsector voorop liep in duurzaamheid. Ik moest slikken. Ook hier stond de taal erg ver af van de werkelijkheid. Nee, wat ik mij voorstel bij duurzaamheid is iets heel anders. Ik wil gewoon lekker eten. Ik wil niet al die flauwekul. Ik wil op de markt bij mij om de hoek verse groente kunnen kopen van boeren uit de directe omgeving. Dat is werkgelegenheid voor normale ondernemers. Ik wil een metropolitane voedselstrategie!

Tagged with:
 

Schyzofreen

On 10 januari 2010, in internationaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Observations of a Celebration NL&NY 2009′ (2009):

Gekregen van Carolien Gehrels: een boekje van Eva Pel en Claudia Doms met een tiental interviews en een foto-impressie van de viering van Hudson 400 in New York het afgelopen jaar. Ik heb het in één adem uitgelezen. Niets verhullend, open en eerlijk zijn de interviews, net als de foto’s. Je wordt er veel wijzer van. Conclusie? Duur feestje was het (6,2 miljoen euro plus 4 miljoen dollar). Het motregende. Er waren vooral Nederlanders, maar weinig New Yorkers aanwezig. Er was permanent geldgebrek, het bedrijfsleven wilde niet betalen en ook New York City betaalde niet mee (uiteindelijk wèl de staat New York). Een geheel Nederlands feestje dus op New Yorks grondgebied, terwijl New York zelf vol regelgeving zit die het buitengewoon lastig maakt om iets spontaan vanuit Nederland te organiseren. Weinig medewerking van de autoriteiten daar. Daarover waren de Hollanders natuurlijk weer verbolgen. Henk Scholten, directeur van het Nederlands Theater Instituut die het New Island Festival organiseerde en keihard met het dilemma geconfronteerd, omschrijft het zo: "Two or three weeks before the festival started I realized this was the most difficult and heaviest job I had done in 35 years."

En hoe kijken de New Yorkers terug op de viering van Hudson 400? Helaas, zeven van de tien geinterviewden zijn Nederlanders; slechts drie New Yorkers komen aan het woord. Toch is het boekje engelstalig. Het is tekenend. Ergens zegt Frans Timmermans, staatssecretaris op Buitenlandse Zaken en een van de geïnterviewden: "You will only get to know yourself by looking at yourself through the eyes of others. You can never define yourself, it’s impossible." Dus laten we toch eens kijken wat de drie New Yorkers achteraf over Nederland te zeggen hebben. Historicus Roger Panetta heeft geen idee. "I don’t know enough, I know nothing about what the Dutch thought about this." Collectioneur George Way zegt dat hij nog nooit in Nederland is geweest. "I think it’s so beautiful there. I would love to go to the Rijksmuseum." En ‘urban shaman’ en oud-hippie Donna Henes is zeker twintig jaar geleden voor het laatst in Amsterdam geweest. "I think the Dutch are a kind of schyzophrenic society, on the one hand you have this sober, very conservative, very serious Calvinistic mentality and then there is this whole free-spirited side." Nee, dan New York! Ze weet vrijwel zeker dat een van de spirituele aardlijnen door New York loopt. Die aardlijnen geven de mensen energie. "All these pre-Christian European holy sites are on these ley lines." Jammer dat de interviewer niet heeft gevraagd of er misschien ook een aardlijn door Nederland loopt. Ik denk haast van niet.

Tagged with:
 

More Megaparks

On 9 januari 2010, in internationaal, by Zef Hemel

Gelezen in Next American City van 5 januari 2010:

Diana Lind is hoofdredacteur van Next American City, een uiterst professioneel blad dat vier maal per jaar verschijnt, tevens website over Amerikaanse steden. "Next American City is based out of Philadelphia but is distributed nationally and covers cities, sustainable development, architecture, politics, art, and everything in between." Je blijft uitstekend op de hoogte van het wel en wee van de Amerikaanse steden door hun website regelmatig te bezoeken. ‘City Journal’ van het NICIS en het blad ‘Vitale Stad’ zouden hier wat van kunnen leren. Lind blikte onlangs terug op 2009 en, nog belangrijker, ze blikte vooruit naar 2010. "So what will 2010 bring for cities?" Ik citeer:

1. Well I guess as per my notes above: it’s the continued comeback of post-industrial cities. They don’t even have to be post-industrial, per se. Things like the Jackson Community Design Center in Mississippi, or Urban Biofilter in Oakland. When there’s little to lose, plus a spirit of adventure or experimentation, innovation is sure to follow.

2. Fewer megaprojects, more megaparks. A project that has long intrigued me and will be covered in the magazine in the summer of 2010 is the The Park in Dallas. What’s so special about it? It’s 5.2 acres on top of a freeway! Calling St. Louis! Calling Milwaukee! And really any other city with a highway that separates its city. In fact, why is Philadelphia’s Wallace Robert and Todd helping with a 21st-century park in Louisville instead of grassing over 1-95?

3. More online applications respond to social issues. For a long time blogs, iPhone apps and GIS-related programs have really focused on the built environment — they’ve shown how fast you can get through a city using public transit, they tell you where the nearest coffee shop is. But they’re not that good at helping solve more complex social issues. Where’s the anti-poverty app? Don’t laugh — we might see it in 2010. Programs like Envisioning Development, launched by the Center for Urban Pedagogy; Heatwatch a facet of SeeClickFix; and Foreclosure Response are three favorite examples of how the web is particularly useful as a tool for educating the public and government about these challenges.

4. The urbanism field grows more crowded. I’ve been in my job for about 20 months and in this time I’ve been astonished by how many urbanism programs and projects have sprouted up. Who would have thought that a magazine called GOOD, “for people who give a damn,” would now boast that one of their main areas of focus is on cities? That an online art rag, Triple Canopy, would devote two of its issues to urbanisms? Even a trendwatching company says “urbany” is the new thing. It will be very interesting to see how we all mete out our space.

5. New urbanism role models. A Next American Vanguard recently penned a book called Real Role Models: Successful African Americans Beyond Pop Culture, which got me thinking about the kinds of people we, as a society admire. Are our defaults for icons and heros changing? Houston elected an openly gay woman as mayor — not your typical role model. Meanwhile Obama dismissed Van Jones as soon as he was collateral — are phenoms out? Although I mentioned a few brave urban thinkers a few months back, I think it’s fair to say that the field of urbanist heroes in 2010 is wide open.

Tagged with: