Straat-egie

On 30 oktober 2009, in economie, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 29 oktober 2009:

Dick de Kock van The Coffee Company, ooit begonnen aan de Leidsestraat, Fenje Bolt, eigenaresse van Tea Bar op de Haarlemmerdijk, Robert van Leeuwen, eigenaar van café Van Leeuwen aan de Utrechtsestraat en sinds een paar jaar ook van Lola’s Bar in de Kerkstraat, en Nel de Jager, winkelstraatmanager van vele Amsterdamse stadsstraten. De donderdagavond in de Vrijstaat stond in het teken van ‘de kunst van het ondernemen’. Met vier ondernemers in Amsterdam, alle gevestigd aan echte Amsterdamse stadsstraten, sprak de curator op de hem inmiddels bekende wijze. De gesprekken waren even alle aanstekelijk als ongemakkelijk. Aanstekelijk omdat je door al die verhalen zelf een zaak zou willen beginnen. Ongemakkelijk omdat de gemeente er slecht op stond bij de ondernemers. Dus waar te beginnen?

Dick de Kock vertelde over hoe het allemaal begon. Werkzaam in de koffiehandel, was hij ontevreden over het monopolie van Douwe Egberts; hij stoorde zich vooral aan de rode bakstenen van het Roodmerk. Hij wilde meer diversiteit. Zo begon hij een winkel in de Leidsestraat, waar je allerlei soorten koffie kon proeven, uit papieren bekertjes, want een horecavergunning had hij niet. Daarna startte hij een tweede vestiging in de Kalvertoren. Pas daarna ontdekte hij dat hij het helemaal niet moest hebben van die enorme ‘loopstromen’ door de Leidsestraat (50.000 mensen per dag) of de Kalverstraat. Zijn winkel bleek een buurtvoorziening; sommige mensen uit de buurt kwamen wel drie tot vier keer per week, op vaste tijden, bij hem koffie drinken. Toen begreep hij waar zijn derde vestiging moest komen: bij de Albert Cuyp. Zijn hoekpand in de Van der Helststraat werd een groot succes. Zijn hippe imago dankt hij aan deze vestiging. Overigens wilde hij helemaal geen hip imago hebben, nog steeds niet. The Coffee Company is er voor iedereen. Daarom past hij zijn interieur telkens aan aan elke vestiging. Onlangs had hij een vestiging geopend op het Gelderlandplein. Die heeft veel glas en van binnen veel grote leren fauteuils. Maar aan het Waterlooplein is het juist tweedehands meubilair en ruw beton; daar is alle geld gaan zitten in de geluidsinstallatie. Inmiddels zijn er dertig vestigingen van The Coffee Company, elk is weer anders. Het wordt moeilijk om dit vol te houden, zei hij, want hij wil niet dat mensen hem gaan zien als een gewone keten. Veel vestigingen zal hij in Amsterdam dan ook niet meer openen. Nog enkele buurten heeft hij in het vizier. Die buurten kiest hij heel bewust, dat doet hij gewoon te fiets. Zijn criterium is diversiteit. Ook de nabijheid van een enorme trekker wil wel eens helpen – dat verklaart bijvoorbeeld zijn locatie in de Amstelstraat, die anticipeert op de komst van The Bank. Als een buurt voldoende divers is, stapt hij erin. Dan zoekt hij ter plekke de drukste winkelstraat, met veel winkels. En altijd wil hij een hoekpand, want die zie je van veel kanten. Ook de mogelijkheid van een terras is doorslaggevend, dus een voldoende brede stoep is nodig. Zo gaat hij te werk. Dit is zijn ’straategie’.

Fenje Bolt, die met haar Tea Bar finalist is voor de Retail Jaarprijs van ING, is van huis uit juriste. Ze ontwikkelde een concept voor thee: thee proeven, zelf je thee scheppen. Daarbij liet ze zich inspireren door The Coffee Company. Via Nel de Jager verwierf ze twee jaar geleden een pandje op de Haarlemmerdijk, schuin tegenover de vestiging van Dick. Haar vaste klanten kwamen uit de hele stad en zelfs daarbuiten. Voor nieuwe concepten werkte ze samen met ondernemers op de dijk, met chocolade en koekjes enzovoort. Iemand in de zaal merkte op dat dit vroeger ook veel gebeurde; dan hielpen de winkeliers elkaar om het hoofd boven water te houden. Door de stadsvernieuwing, zei hij, is dit allemaal verloren gegaan. De eenzijdige focus op woningbouw die daar onstond heeft veel ondernemerszin gedood en daarmee levendigheid en activiteit uit stadsstraten gehaald. Veel nieuwe ondernemers werken tegenwoordig ook alleen maar voor zichzelf – dat zijn ‘middenstanders’, zei iemand anders, het zijn geen echte ondernemers. Echte ondernemers, bracht Robert van Leeuwen in, zijn sociale mensen. Zelf was hij daarvan een voorbeeld. Het was niet alleen zijn kleine kroeg in de Utrechtsestraat die hij runde, hij was ook voorzitter van de ondernemersvereniging en waakte als kroegbaas over het wel en wee van zijn deel van de straat. Wel wilde hij helemaal onafhankelijk zijn – ook dat was een eigenschap van een echte ondernemer -, dus de brouwerijen mochten zich niet met zijn bedrijfsvoering bemoeien. Hij werkte dag en nacht en was begaan met zijn buurt, zijn klanten en de inwoners in zijn directe omgeving. Hij gaf zich er helemaal aan over en kon ook niet, zoals Dick, zijn vestiging elders klonen. Nu was hij begonnen met iets heel nieuws – Lola’s Bar in de Kerkstraat – waaraan hij zich weer helemaal overgaf; al vijf à zes jaar liet hij Café Van Leeuwen door iemand anders runnen. Lola’s is gevestigd in een voormalig koetshuis in een rustige woonstraat – niet ideaal voor een bijzondere bar "waar de mooiste vrouwen van Amsterdam komen". Wel is de buurt trefzeker gekozen omdat alleen in een kleine straal rond het Leidsplein dergelijke bijzondere uitgaansgelegenheden kunnen gedijen.

Toen was het woord aan Nel de Jager, ooit begonnen in het stadsvernieuwingswerk. Ze vertelde over haar beginjaren op de Haarlemmerdijk, die tweeëntwintig jaar geleden begonnen. De buurt was verkrot, de verbreding van de sporen had zijn tol geëist, de straat lag en ligt buiten de loopstromen rond het Centraal Station en is niet bepaald een ‘rode loper’. Ze deed het werk er gewoon bij, ze had het zelf verzonnen. Overigens, nog steeds is het Haarlemmerplein niet op orde; de verbetering van de straat is vooral te danken aan de komst van de Westergasfabriek. Nel begon met lege panden die het Grondbedrijf had opgekocht voor de duur van elf maanden over te nemen. Met een bos sleutels wierf ze lokale ondernemers, die ze tijdelijk in de panden van het Grondbedrijf zette. Sommigen bleven en kochten verderop in de straat een definitief onderkomen. Enkele zitten er nog steeds. Zo herstelde zich geleidelijkaan de straat.

De ondernemers vertelden hoe Nel haar werk doet. Wegopbrekingen vecht ze aan, maar even gemakkelijk verjaagt ze junks, veel tijd gaat zitten in het helpen van de ondernemers bij het onderhandelen met de gemeentelijke instanties. Ze is een sociaal werkster, een econoom, een ondernemer, actievoerdster, een Nederlandse Jane Jacobs. Nel zelf wees vooral op het straatbeeld, de verschijningsvorm van de puien en de gevels. Voelt het goed? Komt het behaaglijk over? Zitten er dode stukken in de straat? Voelt men zich veilig? Dichtgespijkerde panden had je vroeger, die liet ze verbieden. Ook rolluiken zijn uit den boze. Afwisseling is nodig, een zo groot mogelijke variatie.

En de gemeente? Of we het echt wilden weten? ja, dat wilden we. Dick vertelde getergd over BIBOB en hoeveel steekkarretjes met papperassen hij om de zoveel tijd naar de Stopera moest rijden. Robert wilde wel even kwijt hoe verschrikkelijk de opbreking van de Utrechtsestraat door DIVV en het stadsdeel werd gecommuniceerd: niet dus, en de werken liepen maar uit zonder dat de gemeente ingreep. "Waarom gooien ze die aannemer er niet uit?" Maar nog erger, waarom sprak men niet fatsoenlijk met de ondernemers? Omdat het ‘Groot Onderhoud’ was? Dick wees erop dat de gemeente van zijn fouten niet leert. Kennen we nog de ellende van de Overtoom? Waarom gebeuren die zaken telkens weer? Fenje, Robert en Dick spraken roerend over de vergunningen en de ellenlange trajecten. Fenje had ambtenaren getroffen die haar weigerden te helpen. Ze had alles zelf uit moeten zoeken. Wat het probleem was? De meeste ambtenaren zijn niet betrokken, het interesseert ze geen fluit. En aan EZ hebben de ondernemers al helemaal niets. Iemand in de zaal rekende even snel uit hoeveel banen er in Amsterdam gecreëerd hadden kunnen worden als de gemeente het midden- en kleinbedrijf wèl had geholpen. Het was genoeg. We braken op. De tijd was al ruim een half uur verstreken. We hadden bijgeleerd. We begrepen iets van de ‘kunst van het ondernemen’ en van de werking van stadsstraten in Amsterdam.

Tagged with:
 

Revolutionair

On 29 oktober 2009, in wonen, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 28 oktober 2009:

Het was een praktische avond. Een echte doe-het-zelf-avond. Maar ook een revolutionaire avond. Arjan Klok, bedenker van de ‘Vrijstad Bijlmair’, ontving drie gasten en sprak met hen over wat niet minder dan als een revolutie in de Amsterdamse woningbouwgeschiedenis moet worden beschouwd: particulier opdrachtgeverschap op een ongekende schaal in Amsterdam Zuidoost. Kan het? Zo ja, hoe doen we het? Daarop kwam de agenda van de avond neer.

De avond begon vrij onschuldig met een relaas over wat er op Steigereiland is gebeurd. Steven Boland, bewoner, werd aan de tand gevoeld over zijn zelfbouwproject aldaar. Boland had zijn droom verwezenlijkt in de vorm van een zelfbouwhuis. Hoewel, droom. Zijn droom had hij uiteindelijk toch niet gerealiseerd. Want, gaf hij toe, na deze eerste prille ervaring zou hij het de volgende keer allemaal toch weer anders doen. Velen in zijn buurt waren dan ook weer een volgende woningbouwproject begonnen, om nu hun èchte droom te verwezenlijken. Overigens waren er ook buren die nooit in hun droomhuis hadden vertoefd, maar het direct, bij oplevering, alweer hebben doorverkocht, als speculatieobject.

Gedetailleerd beschreef Boland het ontwikkelproces, het leren kennen van de buren, het inzicht verwerven in hun plannen en ideeën, het anticiperen op wat de mensen in de omgeving wilden gaan doen, het opzetten van een website waarop de bewoners informatie uitwisselden, het slim ontduiken van gemeentelijke richtlijnen voorzover die er nog waren, het per se niet benaderen van de gemeentelijke instanties uit angst dat er nieuwe richtlijnen zouden komen, kortom, de gezamenlijke zoektocht naar vrijheid in een overgereguleerd woningbouwproces.

Wat een deceptie toen later de openbare ruimte door de gemeente werd ingericht! Er kwamen uniforme muurtjes die het private erf scheidden van de straat. De straat zag er ineens intens burgerlijk uit. Steigereiland veranderde hierdoor toch weer in een doorsnee VINEX-wijk. Weg pionieren, weg illusie van vrijheid.

Daarna begon het vragen stellen. Wilde Boland vooraf weten hoe hoog de buren zouden gaan bouwen? Kon de buurman ook negen etages neerzetten? Was dat een bezwaar? Klok wilde precies weten in hoeverre er nog ontwikkelaars of gemeentelijke instanties nodig waren vanuit het perspectief van de vrijheidszoekers-zelfbouwers. Boland had ze niet nodig, hij deed voorkomen alsof de perceelbezitters er zelf wel uit zouden kunnen komen, met hulp van hun architecten en aannemers; het regelde zichzelf.

Toen verbreedde de discussie zich naar de grotere schaal. Zou die vrijheid voor zelfbouwers ook kunnen op de enorme schaal van Amsterdam Zuidoost? Daarmee zou de agenda zich ook verbreden naar het werken en het ontspannen, het verkeer en de voorzieningen. Kun je een compleet stadsdeel met zelfbouw ontwikkelen, waardoor al deze zaken zichzelf spontaan realiseren? Geen gepland winkelcentrum, maar een winkelstraat die zichzelf vormt; geen bedrijventerrein, maar een mix van wonen en werken? Aanvankelijk leek het allemaal geen bezwaar, die spontane stad zou er komen! Totdat iemand in de zaal zich afvroeg wat er zou gebeuren als "een Iraniër ergens in het gebied een kerncentrale zou willen neerzetten." Gehoon was zijn deel, maar het gesprek draaide hierdoor wel in een andere richting, ook toen bewoners van het aanpalende dorp Duivendrecht aan het woord kwamen. Zij vonden de groeiende maquette van Klok te indifferent. In de nabijheid van Duivendrecht zou toch iets anders moeten komen dan "de kans op hoogbouw?" Er ontspon zich nu een gesprek over hoe de grachtengordel ooit was ontworpen en gedacht. Ook Cerdà’s Barcelona-grid bleek geraffineerder dan velen meenden en helemaal tot in detail vooraf doordacht. Stedenbouw als kunst, niet slechts als parcellering en vervolgens uitgifte van plots in totale vrijheid, maar als denkoefening vooraf, volledige doorgronding, en met beperkte middelen sturing geven aan het ontstaan van de Goede Stad. Het leek wel alsof we met z’n allen de stedenbouw aan het heruitvinden waren.

Iemand in de zaal stelde voor om door middel van het introduceren van iconen in Zuidoost sturing te geven aan het spontane proces. "De Belle van Zuylentoren zou in dit gebied uitstekend passen. Hij zou hier veel reacties uitlokken en het stadsdeel helpen vormgeven." Fer Felder, een andere gast van Klok, vertelde over Vrijburg met zijn rijke programma dat ook aan de buurtbewoners van Steigereiland ten goede was gekomen. Mooie private initiatieven die door een woningbouwcorporatie waren verwezenlijkt. De betekenis ervan werd door Boland beaamd. Jan Rutten, de derde gast, geloofde ook dat branding kon helpen het stadsdeel anders te positioneren. En Fer Felder wees op het erfpachtstelsel van de gemeente. In Zuidoost werd de grond in erfpacht uitgegeven, wat geweldig zou kunnen helpen bij zelfbouw, maar het stelsel was erop gericht om vooraf te bepalen wat er op de kavel precies zou gebeuren. Groei van het programma, daarop lette het niet. Boland onderstreepte dit. Het leidde ertoe, zei hij, dat iedereen het maximale programma op zijn kavel realiseerde, om zo de kosten eruit te halen. Ook vond Felder bestemmingsplannen een sta-in-de-weg. Liever zag hij een heel erg goed en juridisch gefundeerd structuurplan door de gemeente gemaakt, met heel veel vrijheid in de bestemmingsplannen.

Op het eind van de avond leken alle aanwezigen benieuwd of experimenten als deze ook in de toekomst in Amsterdam doorgang zouden vinden. Daarvoor keken ze toch weer naar de gemeente. Die moest het zeggen. "Volgt Amsterdam Adri Duivesteijn?", vroeg Klok uitdagend aan de curator. In de zaal was de stemming duidelijk. Liever zelfbouw in Amsterdam dan in Almere. "Als er ergens een gebied is wat zich leent voor een experiment als dit, dan is het Amstel I, II en III. We staan aan de vooravond van een discussie over het wonen in dit gebied, de kantoren staan leeg, het grid is er flexibel, de infrastructuur ligt er al, de grond is in handen van het Ontwikkelingsbedrijf," zei de curator. Daarmee eindigde de revolutionaire avond.

Tagged with:
 

Revolutionair

On 28 oktober 2009, in politiek, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 27 oktober 2009:

Op dinsdagavond zou de SP haar visie op de toekomst van de stad presenteren in de Vrijstaat. Quod non. Het partijbestuur had besloten uitgerekend op dezelfde avond elders in de stad een besloten vergadering te beleggen waarin de nieuwe lijsttrekker zou worden gekozen. Dat werd dus Laurens Ivens en niet Remine Alberts. In de Vrijstaat bleef het leeg. Jammer, want raadslid Hans Bakker had "een mooi anarchistisch programma" voorbereid. Hij zegde af. Wij hadden dus een vrije avond.

Een vrije avond in de Vrijstaat, hoe doe je dat? Voor de aanwezigen hadden we twee films van de VPRO in de aanbieding: ”The Making of the Vrijstaat" en de Tegenlicht-documentaire "Amsterdam Makeover 2040′, beide van regisseur William de Bruijn. De meeste aanwezigen hadden de documentaires nog niet gezien. Dat kwam dus mooi uit. Op het grote scherm in de donkere lezingenzaal zagen we de stad aan ons voorbij trekken. We zagen Richard Florida vanuit Toronto en Saskia Sassen vanuit Abu Dabi over ons spreken. We zagen de ontwerpers hun ontwerpen presenteren aan de overkant. Ondertussen voeren buiten, in het stille duister, schepen over het IJ. Hun gedempte geluid klonk vol belofte. We voelden ons onoverwinnelijk.

Maar we wisten nog altijd niet wat de SP voorheeft met de stad. En ook de volgende dag zouden we het niet in de krant kunnen lezen. Want in Het Parool ging het toch weer alleen over de poppetjes, niet over de toekomst van de stad.

Tagged with:
 

Weinig opwekkend

On 27 oktober 2009, in internationaal, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 26 oktober 2009:

Amsterdam is een Vrijstaat en tegelijk geen echte Vrijstaat meer. De vijf buitenlanders met wie de curator een avond lang sprak waren opvallend gelijkstemd ten aanzien van de staat waarin Amsterdam op dit moment verkeert. Stuk voor stuk vonden ze vervelend om het te zeggen; en keer op keer verontschuldigden ze zich voor hun klagerige toon, maar het was niet anders: het vrijgevochten Amsterdam had zijn vrijheid verloren.

Ann Demeester, Belgische en directeur van De Appel, prees het culturele klimaat in Amsterdam – de tentoonstelling Vrijstaat met zijn pseudo-utopische plannen vond ze daarvan een bewijs -, maar de vrije ruimte om dingen te creëren was wel verloren gegaan, zowel fysiek als geestelijk. Projecten in de openbare ruimte konden domweg niet meer en ook in leegstaande gebouwen waren vergunningen vereist die niet meer werden afgegeven. Deborah Abrahams, afkomstig uit Engeland, was ooit via Spanje naar Amsterdam gekomen vanwege het vrijgevochten klimaat. Alles kon hier, alles was mogelijk, er was geen instantie die dingen verbood. Voor iemand die theaterstudies had gevolgd, was het een heerlijk klimaat om in te werken en te wonen – heel anders dan elders in Europa. Maar Amsterdam was dit vrije helemaal kwijtgeraakt, al woonde en werkte ze nog steeds met veel plezier op dezelfde plek in de stad. Alleen, niets leek meer te kunnen, overal doken instanties op die dingen verboden. Zena Hockley, uit Londen, vond Amsterdam nog steeds veel leuker en opwindender dan de Britse metropool. Amsterdam was een ‘bubble’, een eiland in een zee van intolerantie. Zij, maar ook Deborah en Ann, gruwden van de benepenheid die Nederland op dit moment in haar greep had. Het recente kraakverbod, aangenomen door de Tweede Kamer, vonden ze symbool staan voor de kleinburgerlijkheid van de Nederlanders in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw.  Cyrus Clark, een Amerikaanse architect uit de omgeving van Chicago, had eerst Rotterdam geprobeerd, maar na zes jaar had hij het daar wel voor gezien gehouden. Amsterdam was zijn nieuwe bestemming. Inmiddels was Amsterdam de enige plek in Nederland die hem beviel – aan de rest van het land moest ook hij niet denken. Ann meende dat buitenlanders op dit moment zich nog steeds aangetrokken voelen tot Amsterdam vanwege het imago van vrijheid. Ook geloofde ze dat dit idee nog lang zal naijlen en dat ook de komende jaren buitenlanders om deze reden naar Amsterdam zullen komen. Terwijl de vrijheid allang verdwenen is. En ook niet meer terug zal komen. Hen wachtte een grote teleurstelling.

Ronduit vernietigend waren de buitenlanders over de stadsdelen en hun regelgeving. Wilde je iets doen in Bos en Lommer of in Oud-West of in Oost-Watergraafsmeer, steeds waren er andere ambtenaren en weken de regels af van die van de buren. Ondertussen bleven de straten vies en vuil. In welke grote stad in de wereld zet je je vuilnis nog in een zak op straat? Amsterdam werd bestuurd als een verzameling dorpen, klaagde Axel Rüger, afkomstig uit Dortmund en sinds drieënhalf jaar directeur van het Van Goghmuseum. Rüger, die zowel in steden in Amerika als in Londen heeft gewoond en gewerkt, kon het maar niet begrijpen. "Maak zo’n Museumplein nou grootstedelijk! Maar nee, dat durven de bestuurders van de Centrale Stad niet. Alsof ze bang zijn voor de stadsdelen en hun deelraden." Hij zei dat hij kon leven met de samenwerking tussen Oud-Zuid en Centrale Stad van dit moment en het zou ook wel goedkomen, maar: wat duurde het allemaal lang! Op de opmerking dat Londen toch ook bestond uit tientallen boroughs, repliceerde hij dat zijn eigen borough, Westminster, even groot was als heel Amsterdam. Nee, hij gruwde van het polderen van de Amsterdammers.

Lyrisch waren de buitenlanders over het multiculturele karakter van de Amsterdamse buurten. Deborah woonde in de Staatsliedenbuurt en had een Vietnames onderbuurman, Iraniërs, Fransen en Turken naast en boven zich. Zena wentelde zich in de multiculturele gemeenschap van haar buurt. Axel vond de mix van wonen en toeristen in de binnenstad waar hij woonde heel prettig en aangenaam. Zeker geen Venetië. "Hou nou eens op met dat klagen over al de toeristen op hun fietsen of wandelend op de fietspaden, wees blij dat ze er zijn!" Ann prees de wijze waarop Amsterdam omgaat met haar historische binnenstad. Ze vergeleek het met de wijze waarop de burgemeester van Brugge had gedreigd om tarief te heffen voor bezoekers van de binnenstad. Als provocatie. Maar toch. En Cyrus vond IJburg de enige stadsuitbreiding in Nederland die geen buitenwijk was, al kon je het nog geen echte bestemming noemen. Wel was de dichtheid goed. Op den duur zou daar een interessant stadsleven kunnen groeien. Almere daarentegen vond hij verschrikkelijk. Een waanidee van Hollandse maakbaarheid. Creëer dan echte suburbane gebieden. Maar dat gebeurde in Nederland weer niet. Een typisch voorbeeld van, opnieuw, polderen.

Hoe was het om je als buitenlander te settelen in Amsterdam? Zena was daarover het duidelijkst. Als free mover had ze zichzelf moeten redden. Dat viel niet mee. Het duurt twee jaar voordat je doorhebt hoe de dingen hier werken. En om aan die moeilijke taal te wennen. Alles is hier dichtgeregeld, ingewikkeld gemaakt, gebureacratiseerd. Het vergt veel doorzettingsvermogen om vol te houden. Ben je de grens van twee jaar gepasseerd, dan blijf je vaak wel. Veel van haar vrienden hadden het niet volgehouden en hadden de stad voortijdig verlaten. Geen fijn land wat dat betreft. Axel had van vrienden de extreme huurprijzen gehoord die hier werden gevraagd aan buitenlanders voor gemeubileerde appartementen. Hij sprak er schande van. Hoe kan dat nou, zo’n extreme schaarste aan fatsoenlijke woonruimte voor buitenlanders, terwijl de stad het in economische opzicht steeds meer van buitenlanders moet hebben. Wachtlijsten, vertelden de anderen, werken niet. Je wilt als buitenlander snel handelen. Vrienden en netwerken die je helpen, heb je vaak niet. Ook de nieuwe directeur van het Stedelijk Museum, afkomstig uit LA, was op dit moment woonruimte aan het zoeken, zei iemand. Ook zij had zich over het tekort verbaasd. Ann, Deborah en Zena, ze hadden allemaal een woning moeten kopen. Maar zij waren dan ook voor langere tijd gebleven. Ze konden moeilijk namens al diegenen spreken die hadden afgehaakt. Nee, geen opwekkende avond. Nogmaals, de buitenlandse gasten, beleefd als ze waren, bleven zich ervoor verontschuldigen. Ik voelde me ook bezwaard. Ik dacht, wat jammer dat er zo weinig Amsterdammers aanwezig zijn om deze verhalen aan te horen.

Tagged with:
 

Verhelderend

On 24 oktober 2009, in stadsvernieuwing, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 23 oktober 2009:

Remco Daalder, stadsecoloog bij de Dienst Ruimtelijke Ordening, was moderator deze avond. Er werd gesproken over het ontwerp van Karres en Brands voor de Oostelijke Eilanden. Motto: Bedreigde vrijheid. Zelf kwam Daalder van Kattenburg, een van de eilanden. Bijna zijn hele familie kwam van Kattenburg: zijn ouders, grootouders en overgrootouders – vier generaties Daalder. Niemand in de zaal kon daaraan tippen, ook geen van de aanwezige bewoners. Hij schilderde met scherp oog voor detail het leven op de eilanden, het isolement, de dicht opeengepakte mensenmassa, de slechte woningtoestanden, het anarchisme, de vrijheid, de eigen wetten, maar ook de vele kroegen, het drankmisbruik en de knokpartijen tussen de Kattenburgers en de Wittenburgers op de brug die de beide eilanden van elkaar scheidde, het familieleven per woningblok, de intense sociale controle waaraan zijn moeder na de oorlog maar wat graag ontvluchtte. Want na de oorlog werden de bouwvallige huizen op de eilanden afgebroken en in stadsvernieuwing opnieuw opgetrokken. Weg kroegen, weg sociale leven, weg isolement. "We hebben het vanavond over vrijheid en isolement. Laten we niet vergeten dat het isolement van de eilanden twee kanten heeft, evenals die zogenaamde vrijheid."

Marco Broekman van bureau Karres en Brands construeerde daarna het verhaal over ‘bedreigde vrijheid’. Het ontwerp, dat niet als een plan mocht worden opgevat, was opgebouwd uit drie interventies: het autovrij maken van de eilanden, het terugbrengen van het isolement door het terugbrengen van het water en het introduceren van tien ‘vrijdenkplaatsen’ – ommuurde open ruimtes die telkens voor tien jaar werden uitgegeven aan bedreigde kunstenaars, politici en intellectuelen. De ‘evenementisering’ van de binnenstad zou aan de Oostelijke Eilanden voorbij gaan, want de ontwerpers "wilden niet alles met elkaar in verbinding brengen" – de toeristenstromen gingen over fiets- en voetgangersbruggen via de Valkenburgerstraat naar de cruiseterminal via de mond van de IJtunnel, die herschapen was in een heus ”Museumsinsel’ met nog drie musea erop en de tunnel buiten werking gesteld. Zo ontstond het paradoxale beeld van een druk bezocht NEMO-eiland en een verstild eilandenrijk dat de ontwerpers nota bene vergeleken met Venetië: een geheel autovrij eilandenrijk, bevolkt door 60.000 Venetianen, maar tegelijk bezocht door miljoenen toeristen uit de hele wereld. Broekman rook onraad; helemaal consequent, gaf hij toe, was zijn redenering niet.

Enfin, het isolement hoefde van de aanwezige bewoners niet terug en helemaal autovrij maken, daar geloofden ze niet in. "Mensen moeten toch met hun auto, af en toe." Daalder geloofde zelfs dat auto’s op straat goed is voor de sociale controle. "Mensen kijken eerder op straat als ze iets horen, bang als ze zijn dat hun auto wordt beschadigd". Maarten Kloos, directeur van ARCAM, richtte zich op de versterking van het isolement. Hij was teleurgesteld in de ontwerpers, zei hij. Hij wilde nog veel meer water graven. Maar het gesprek concentreerde zich al snel op de derde interventie, want vooral tegen de ‘vrijdenkplaatsen’ rees bezwaar. Fons Elders, de filosoof, bewoner en initiatiefnemer van het Vierwindenhuis op de kop van Wittenburg, dacht dat het ‘gated communities’ waren en vertelde van het binnenterrein van zijn bouwwerk, waar ‘nooit een politieman zou mogen komen’, maar dat wel vier ingangen kende die altijd open stonden, al twintig jaar. De curator bracht in dat hier de overheid de vrijheid van het zwakke beschermde en zijn rol van ‘nachtwakerstaat’ op zich nam. De verwijzing van Broekman naar het gedwongen verblijf van Ayaan Hirshi Ali gedurende de bedreigingen aan haar adres op de eilanden, in het Marine-etablissement, bracht Kloos in verwarring, die dacht dat bunkers in het spel waren en die vertelde hoe hij vanuit zijn raam bij ARCAM op de commandantswoning uitkeek waar Ayaan verbleef. "Ze woonde er schitterend, in een prachtige villa, aan het water, omringd door groen!" Daalder verwees naar de activiste LaDonna Redmond, die in de ghetto’s van West-Chicago groenten in moestuinen was begonnen te kweken. "Waarom de ommuurde ‘vrijdenkplaatsen’ alleen voor bedreigde kunstenaars bestemmen? Waarom niet voor het kweken van groenten en andere vrije initiatieven?" Jeroen, die ook in het Vierwindenhuis woonde, vertelde hoe de bewoners de inrichting van de eilanden het liefste zagen. Het klonk alleszins redelijk en sloot in veel opzichten op het ontwerp van Karres en Brands aan. Ze hadden moeite met de wijze waarop het stadsdeelbestuur de eilanden zag en hoopten op een nieuw bestuur met andere inzichten. Hij verwees naar de vrijplaatsen langs de Dijksgracht. Die vond hij in orde, hij noemde ze vrijplaatsen en hoopte dat ze zouden blijven.

In de loop van de avond begonnen de aanwezigen steeds meer te begrijpen dat de maquette geen plan verbeeldde, maar heel iets anders. Er ontspon zich een gesprek waarbij hele praktische zaken werden afgewisseld met de meest abstracte filosofische redeneringen. Fons Elders miste bijoorbeeld een filosofische basis onder de ideeën rond vrijheid in het ontwerp waardoor alles aanvechtbaar was en uiteengeslagen kon worden, terwijl de curator vroeg of we niet ergens op de eilanden zouden kunnen beginnen met het autovrij maken. En als de bewoners er niets voor voelden, zouden we het ontwerp dan niet kunnen realiseren op de eilanden van IJburg Tweede Fase? "Stel je voor, 8000 huishoudens zonder auto voor de deur, overal kinderen spelend op straat, op elke hoek weer een winkeltje of een kroeg, een Vlieland-gevoel voor de kust van Amsterdam, tien Blijburgen erbij!" Wiebe Eijbers verwees naar het GWL-terrein in Westerpark. Ook daar was de auto radicaal uit de buurt gehaald. Het kan! Tuinen waren ervoor in de plaats gekomen, en café restaurant Amsterdam. Al tien jaar wonen de mensen daar zeer tevreden. Vrolijk eindigde de avond met een commentaar van Remco Daalder op alle ideeën. Daarmee sloot hij de cirkel die hij twee uur eerder geopend had.

Tagged with:
 

Oprecht

On 23 oktober 2009, in stedelijkheid, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 22 oktober 2009:

Het verschil met de avond tevoren kon nauwelijks groter. Bezochten gisteravond ruim honderd kunstenaars de Vrijstaat om hun plek op te eisen in de stad, nu zat er een tiental dak- en thuislozen zonder – inderdaad – een dak boven hun hoofd. Zij eisten helemaal niets. Ze hadden niets te eisen. Ze vroegen alleen maar om een warme ruimte in de winter om in te slapen. Douchen konden ze inmiddels dankzij de Regenboog acht jaar geleden begon; daardoor stonken ze niet meer zo, vertelde Youssef. En er was meer te eten. Youssef was ambassadeur van Belangenbehartiging Amsterdamse Dak- en Thuislozen (BADT). Zelf trok hij al eenentwintig jaar van tehuis naar tehuis – er zijn er zo’n tien in de stad. Omdat hij daarvoor had gekozen. In het Beatrixpark begon hij zijn dag, mediterend, tussen de bomen, planten en dieren. Zo verzamelde hij energie om aan de dag te kunnen beginnen, dan trok hij de stad in – de negentiende eeuwse wijken en het centrum -, zoals hij zei. De stad was voor hem gewoon natuur. De mensen die hij op straat observeerde waren niet anders dan de dieren. Hij deed me denken aan Quinn, de hoofdpersoon uit City of Glass van Paul Auster. "New York was voor hem een onmetelijke ruimte, een labyrint met talloze gangen, en hoe ver hij ook liep, hoe goed hij de buurten en straten ook leerde kennen, de stad gaf hem altijd weer het gevoel dat hij was verdwaald." Ooit was Youssef moslim in Algerije, nu geloofde hij in de heelheid van het universum. Ineens ging zijn mobieltje af. Iemand wilde hem spreken. Toen bleek dat hij ook nog een eigen website had, ontwikkeld door de Rietveld Academie, waarop hij verslag doet van zijn omzwervingen door de stad: www.ikbenalles.nl. Het was het begin van een fascinerende reeks gesprekken.

Want na Yousef sprak Andy. Twee jaar geleden had Andy weer een huisje bemachtigd in Oud-West, na vele jaren omzwervingen door de stad – een zwervend bestaan dat ooit begon na de sloop van zijn woning door de woningcorporatie, een ingrijpende gebeurtenis die hem destijds in een caravan buiten de stad deed belanden. Daar was de ellende pas werkelijk begonnen, want de caravan bleek koud, te koud. "Woningcorporaties, dat zijn boeven, meneer! Die moet u als gemeente beter in de gaten houden!" Andy kwam oorspronkelijk uit Egmond. Liefst wilde hij weer de stad uit, naar zee. Maar het vrijwilligerswerk dat hij nu deed hield hem in Amsterdam gevangen. Hij vond de drukke stad maar niets. Vooral het openbaar vervoer vond hij slecht; om de haverklap vielen de trams en treinen uit. Andy reisde best veel, maar z’n ov-kaart werkte vaak niet en vaak deed hij uren langer over zijn reis dan gedacht.

Na Andy kwam Marieke. Ze woonde sinds enige tijd weer op een vast adres, in de Rivierenbuurt. Zesendertig jaar had ze door de stad gezworven. Het was allemaal begonnen met een echtscheiding. Met haar kindje belandde ze op straat. Ze was zwak van gezondheid, maar de lucht in de Rivierenbuurt was beter dan waar ook in de stad. Dat had ze ontdekt toen ze bij een kennis op zolder mocht logeren. Het was beter nu. Net als Andy wilde ook zij het liefst de stad uit. Ze hield van het kleinschalige, van rust. Alleen de historische stad vond ze mooi, de rest mochten ze van haar afbreken. Nieuw-West en Zuidoost vond ze verschrikkelijk en onmenselijk. Haar relaas werd abrupt onderbroken door Rob, die, geheel in het zwart gekleed en met een grote zwarte hoed op waaronder donkere haren wapperden, op skates het podium opkwam. Voor zich uit hield hij een gele bon van de politie. "Alweer een boete voor slapen in het park!", riep hij verontwaardigd uit. Hij wilde alleen maar in de open lucht slapen, want hij hield van vrijheid. Hij had een stekje in het Westerpark, maar de politie slingerde hem steeds weer op de bon. Al vele malen was hij in de gevangenis beland. Omdat hij buiten sliep. Soms sliep hij in Westpoort, maar ook daar werd hij verjaagd. Achter uit de zaal riep Ferry dat hij maar niet begreep dat de dak- en thuislozen alleen straf krijgen en nooit eens een beloning. "Die straf kan ik best dulden wanneer ik op zijn tijd ook eens een beloning krijg, maar die krijg ik niet – de politie straft ons alleen maar, voortdurend!"

Max Pam verzorgde een intermezzo. Hij sprak een column uit over zogenaamde ‘clochard-reizen’ die een Nederlands reisbureau ooit organiseerde voor rijke Nederlanders naar Parijs. "Voor types als Herman Heinsbroek, de voormalige minister van Economische Zaken namens de LPF, die niet in een dienstauto wilde rijden, maar in zijn eigen Bentley." Hoever kan je gaan als je je als rijke verveelt? Voor deze ervaringsindustrie is niets te dol. Maar, vroeg Pam zich af, ervaar je wel het daklozenbestaan wanneer je een paar dagen optrekt met daklozen en met hen slaapt onder de brug? Natuurlijk niet. Want er is altijd weer het bed thuis, met alles erop en eraan.

Een tweede intermezzo werd verzorgd door twee dakloze schrijvers, ze waren leden van ‘Kantlijn’ die ook de kopij voor de achterkant van de daklozenkrant verzorgde. Andy, afkomstig uit Plymouth maar al zesentwintig jaar in Amsterdam, droeg voor uit eigen werk. Omdat hij Albert Camus aanhaalde en ik daar iets van zei, raadde hij mij aan die Franse auteur toch eens te lezen. Daarna was het de beurt aan Esther. Ze droeg een mooi gedicht voor over het zwoegen. Als metafoor. De voordrachten gingen over verhalen vertellen, over je leven als verhaal, en over dromen.

De architect Friso ten Holt vertelde op het laatst hoe hij tien jaar geleden in aanraking kwam met de huisvestingsproblemen van de Amsterdamse dak- en thuislozen. Op Steigereiland had hij een voorziening gebouwd. Het erge, zei hij, was dat de overheid indertijd niet durfde te zeggen dat het voor dak- en thuislozen was bestemd, omdat zij vreesde dat de buurt de bouw ervan dan zou verhinderen. Achteraf was er veel ophef over ontstaan, terwijl de overlast overigens reuze meeviel. "Waarom doen we dit? Waarom verhinderen wij met z’n allen dat deze mensen ergens kunnen slapen?" Hij had een maquette meegebracht van een camping voor daklozen. De plekken waren op een etage boven de grond in twee rondingen geparcelleerd, met een afdak erboven en met veel ruimte om zelf in te richten – een soort casco dus. Onder het platform konden werk- en ontspanningsruimten worden gesitueerd, zei hij. De aanwezige daklozen juichten en klapten, al was er ook commentaar: waarom alles in één complex ondergebracht? Het was juist zo prettig of althans helemaal niet erg voor de daklozen als ze de ene plek naar de andere moesten reizen.

Ten slotte speelde Ferry op zijn gitaar. Simon and Garfunkel. Mooi. We pakten onze spullen en verlieten de Vrijstaat, alles overpeinzend. Er lag mist over het IJ. Het was al koud. Stel je voor, dacht ik, dat je nu buiten moest slapen.

Tagged with:
 

Braaf, vol vuur en nostalgisch

On 22 oktober 2009, in kunst, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 21 oktober 2009:

Het waren allemaal ‘brave ambtenaren’ die aan het woord kwamen op de avond die was georganiseerd door Rietveld Landscape en Atelier De Lyon. Onderwerp: tijdelijkheid als strategie: Westpoort als creatieve vrijhaven. Wim Vlemmix van Haven Amsterdam liet in een korte presentatie zien hoe HA omgaat met kunstenaars in Ruigoord en op de ADM. Vervolgens liet hij zien welke nieuwe initiatieven in het havengebied worden geaccommodeerd, zoals het REM-eiland dat volgend jaar naar de kop van de Minervahaven wordt gesleept, en welke niet en waarom niet. Het goede nieuws van het initiatief om in de Minervahaven een grote loods toe te voegen aan het arsenaal Vrijplaatsen liet Vlemmix aan Ronald Rietveld om te vertellen. Hoe genereus kan de haven zijn. En hoe ingenieus kunnen de kunstenaars zijn?, vroeg Vlemmix zich af. Er valt te praten met Haven Amsterdam, maar het bedrijf moet wel als havenbedrijf kunnen blijven draaien. Ook Rob Vooren, projectleider vanuit de gemeente voor het NDSM-gebied, toonde zich, toen hij door moderator Chris Keulemans werd ondervraagd over de vrijheid die kunstenaars nog werd geboden in de nieuwe plannen, alleszins redelijk en vroeg om begrip. Voor de kunstenaars, die spontane initiatieven wilden op verrassende plekken, was het lastig door al deze braafheid en redelijkheid heen te breken. Mooie voorbeelden van hun werk kregen we te zien, daar niet van: Damoclash op de ADM, het zomerse Openluchtfilmfestival op het Stenen Hoofd, Gecekondu in de Tsaar Peterstraat, Robodock op de ADM en later in de NDSM. Ze waren allemaal spontaan, origineel, buiten het alledaagse tredend, vaak ook bere-gezellig, met veel drank en stuf.

Maar ondertussen was het experiment van de Stubnitz alweer de nek omgedraaid. Vanwege de regelgeving. En de kunstenaars vonden de nieuwbouw in het Oostelijk Havengebied maar niets; een dooie boel. Keer op keer kwam de kaart terug van het verleden, toen al die vrijplaatsen, met Vrieshuis Amerika bovenaan met stip, het centrum van de Vrijstaat waren. Waar was die goede oude tijd gebleven?

Maik ter Veer, initiatiefnemer van Robodock, was het beu. Ook na een half jaar sabbatical in het buitenland had hij de energie niet terug die hij verloren was geraakt door de tegenwerking van de gemeente. Vol vuur prees hij nog één keer zijn Robodock aan. Hij wilde niet nog een keer verhuizen met zijn festival, hij had geldgebrek, hij wilde een plek aan het IJ, hij wilde een eigen gebouw, hij wilde eindelijk rust. Een maquette werd voor het podium gezet. Het bleek een gestrekte hal naar het voorbeeld van de ADM. Kunstenaars uit de hele wereld zou worden gevraagd een gevelelement te ontwerpen, waardoor de gevel ‘out of control’ zou zijn. In de hal zou een werkplaats komen waar de gevelelementen werden vervaardigd. Zo zou het gebouw groeien en onderdak gaan bieden aan festivals en tal van activiteiten. De hal leek op het Fun Palace van Cedric Price (1961), even eerder op de avond vertoond door Hans Vermeulen van DUS architecten. Gaat de gemeente deze man helpen zijn droom te verwezenlijken?, vroeg Keulemans aan de curator. Wat moest deze zeggen? De hele zaal zat vol kunstenaars die graag iets in de stad willen doen, op mooie plekken, voor weinig geld, liefst zonder regelgeving, spontaan, niet gehinderd door wie of wat dan ook. Hier werd een belang verdedigd door een eisende groep. En was het iedereen uiteindelijk niet te doen om een vaste stek? "Als de gemeenteraad positief beslist, dan krijgt Ter Veer zijn kunsthal; we leven in een democratie," antwoordde de brave ambtenaar. Keulemans ging nog verder: "Kan het principe van de Gecekondu – wat in één nacht stiekem is opgebouwd, mag van de autoriteiten blijven staan – ook van toepassing worden verklaard op Amsterdam?" Geen tijdelijkheid dus, maar vaste rechten via de route van de anarchie. Is dat de Vrijstaat? Willen we, was het ontwijkende antwoord, slums in Amsterdam? De afschrijvingstermijn van ontwikkelaars is nog maar 16 jaar. Nog even en ze bouwen inderdaad slums. Eric de Lyon stelde voor dat de gemeente een kaart produceert met alle lege plekken die voor tijdelijk gebruik door kunstenaars kunnen worden gebruikt. Een officiële kaart voor tijdelijkheid. Was het werkelijk tijdelijk? Keulemans, die zelf de Tolhuistuin van de gemeente had gekregen voor de duur van vijf jaar, bekende dat hij nu al in onderhandeling was met de gemeente om de termijn te verlengen. "Terecht zegt de gemeente: vijf jaar is vijf jaar." Maar afgaande op de avond leek de kaart van De Lyon inderdaad een verborgen agenda voor vaste rechten, kostenloos.

Het sluimerende ongenoegen van de kunstenaars kwam helemaal aan het eind van de avond pas goed naar boven. Een van hen stond op en maakte van zijn hart geen moordkuil: de hele avond had hem zo onrustig en boos gemaakt. Waarin, vroeg Keulemans, school dan zijn ongenoegen? Nou, verzuchtte hij, dat het allemaal maar tijdelijk was.

Tagged with:
 

Meer dan wonen alleen

On 22 oktober 2009, in politiek, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 20 oktober 2009:

Volgens Reimar von Meding, architect bij KOW architecten te Rotterdam, moet Amsterdam de ‘woonculturele hoofdstad van Europa’ worden en Hetty Willemse, raadslid voor de PvdA, beschreef hoe haar familie van de Jordaan naar Niew-West verhuisde, daarmee de Amsterdamse wooncultuur van de twintigste eeuw schilderend. Haar voordracht, getiteld ‘Wie is de Wibaut van de 21ste eeuw?’, refereerde aan de nieuwe woonopgave in Amsterdam, met aandacht voor architectuur en welstand. Woenen dus. Jeroen Slot, het gezicht van de dienst Onderzoek en Statistiek, schetste het dubbele gezicht van Amsterdam in de afgelopen tien jaar: aan de ene kant "een milde vorm van gentrificatie", aan de andere kant zittende Amsterdammers die moeite hebben om mee te komen. Je kon dat vooral aflezen aan de kinderen in de leeftijdscategorie tussen 1 en 18 jaar; alle problemen kwam je daar tegen. Het was, kortom, vooral weer het wonen dat de PvdA centraal stelde in haar eigen toekomstavond in de Vrijstaat Amsterdam. Wonen, al zei iedereen dat het de partij "om de mensen ging."

Leon Deben echter, gewaardeerd stadssocioloog, bepleitte aandacht voor de openbare ruimte. Hij hoopte dat de rode loper tussen Centraal Station en de RAI een echte lommerrijke flaneerboulevard zou worden, net zoals de Parijse boulevards eind negentiende eeuw in de eerste plaats voor de stedelijke flaneur waren ingericht. In de zaal rees protest. Waarom weer naar Zuid? Waarom niet naar West? En een culturele ondernemer wees op de bezoekers die de stad frequenteerden: de stromen toeristen en de expats. Ook die hadden baat bij goed ingerichte openbare ruimte en gastvrijheid. Niet alleen de bewoners dus moesten bij de PvdA in de gunst vallen. De stad was ook van de bezoekers.

De curator haakte er na de pauze op in. Waarom niet vooral aandacht voor de stedelijke voorzieningen? Voorzieningen voorzien in de behoeften van mensen. En zonder voorzieningen is er geen sprake van stad. Sommige delen van de stad zijn echter nog altijd verstoken van voorzieningen. Om er voorzieningen te krijgen moeten er meer mensen wonen en meer toeristen door de straten gaan. De woonagenda en de openbare ruimte-agenda staan daarmee uiteindelijk ten dienste van de voorzieningen. Alleen zo krijg je een levendige stad.

Het werd beaamd. Godelieve van Heteren, moderator van de avond en schrijver van het partijprogramma, kon het zo noteren. Milde gentrificatie, openbare ruimte, bezoekersstromen, voorzieningen èn een unieke wooncultuur, daarop zou de PvdA zich moeten profileren bij de komende verkiezingen. Van Meding sloot af met een schitterende one-liner: ‘wij willen de Vrijstaat Nu!’

Tagged with:
 

Onschuldig

On 19 oktober 2009, in filosofie, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 16 oktober 2009:

Karl Marx geloofde dat de machine de mens zou bevrijden. Kennelijk dacht Aristoteles dat ook al. De huisfilosoof van bureau B+B landschapsarchitectuur, Ton de Munck, gaf gisteravond in de Vrijstaat een beknopt college over luiheid. Aanleiding: het ontwerp van B + B voor de Sloterplas, getiteld ‘Luilekkerland’. De kern van zijn betoog: luiheid is altijd door machthebbers bestreden. Ze zou maar leiden tot ledigheid, dankzucht, het te buiten gaan aan verderfelijk, amoreel gedrag van ‘het gewone volk’. Gewerkt moest er daarom worden!

Inderdaad is het vreemd dat wij steeds langer en harder (moeten) werken, terwijl we allang geen gebrek meer lijden en we een groot deel van de tijd vrijgesteld zouden kunnen zijn van arbeid. Waarom dan toch doorwerken, straks tot 67 jaar? Ik moest denken aan Peter Sloterdijk, die vermoedt dat we voor het lapje worden gehouden. De angst voor ledigheid is zo groot en de arbeidsmoraal – de Amsterdamse humanist Coornhert zou met zijn werkhuizen hiervan de aanstichter zijn geweest – is zo diepgeworteld, dat we harder zijn gaan werken dan ooit. Voortdurend wordt er geschermd met crises – om ons aan te zetten tot nóg harder werken. Adorno zou ooit de Odyssee van Homerus hebben aangehaald om dit verschijnsel historisch te duiden. Immers, op last van Odysseus moesten de soldaten was in hun oren stoppen en heel hard doorroeien om het verleidelijke gezang van de Sirenen niet te horen. Zelfbeheersing dus, hard doorwerken, niet toegeven aan de verleidingen van de luiheid. Dat is waartoe de leiders ons oproepen; anders dreigen er ontsporingen, en perverse sex. Zelfs een architect als Le Corbusier bouwde in zijn architectuur een orde in, die de vrije tijd strak indeelde. De angst voor ledigheid werd ’s avonds treffend geïllustreerd door beelden van een sketch van Arjan Ederveen en Tosca Niterink die als gezin, met kind en hond, op zielloze wijze de Tilburgse kermis bezoeken, veel geld spenderen, vies eten en op het eind doodongelukkig zijn. Dat is het beeld, veel mensen zijn eenvoudig niet in staat de hun gegeven vrije tijd op zinvolle wijze te besteden.

De lezingenzaal van de Vrijstaat was door B+B in twee zalen opgedeeld. Was een presentatie in de ene zaal afgelopen, dan volgde een pauze, waarna in de andere zaal de volgende lezing begon. Tijdens de pauzes werden zoete cocktails geschonken, maar ook prosecco, en er kon naar hartelust worden gesnoept. Eerst vertelde Masha Onderwater over hoe men via beelden van het Paradijs bij Luilekkerland was gekomen. Het college over de filosofie van de luiheid, hierboven in verkorte vorm weergegeven, werd gevolgd door een presentatie door drie jonge moslima’s uit Nieuw-West, die rond de Sloterplas mensen hadden geïnterviewd in het kader van hun ‘creative urbans’-programma. Hun observaties waren typerend. Een van de jongens die ze hadden ondervraagd over wat zij verstonden onder luilekkerland, had geantwoord: ‘heel veel naakte meiden.’ Waarop de zaal het filosofische vraagstuk in een klap begreep. De vrolijkheid en de onschuld werden naar een hoogtepunt gevoerd in de vierde, tevens laatste presentatie van Daniëlle Huls, die uitlegde hoe het verlichtingsplan voor de Sloterplas was gedacht. Maar toen bleek dat de bewonersorganisatie rond de plas van het stadsdeel gedaan had weten te krijgen dat de openbare verlichting rond het park om elf uur ’s avonds werd uitgedaan. Vanwege de vleermuizen! Vrolijkheid alom. Het procedé en de proefopstellingen voor de maquettebouw waarover Daniëlle vervolgens vertelde waren ronduit hilarisch. Dronken van lichtheid, onschuld en vrolijkheid verlieten we de zaal, één illusie armer. Ligt de Vrijstaat werkelijk buiten ons bereik?

Tagged with:
 

Verbinding maken

On 19 oktober 2009, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 19 oktober 2009:

‘Verbinding maken…’, zei mijn computer, waarna het enkele minuten duurde voordat ik op het internet zat. Zo voelde het deze maandagmiddag, op het afscheidssymposium van Klaas de Boer. "Van wie is de stad?’, luidde de titel van het congres, dat werd gemodereerd door Jaap Modder, bestuursvoorzitter van het Knooppunt Arnhem-Nijmegen. De eenentwintig sprekers in de Vrijstaat leken nog in een oude wereld te leven, toen de overheid het nog voor het zeggen had en bestuur en ambtenarij en projectontwikkelaars de hun bekende rollen speelden. Die wereld bestaat niet meer. Guido Wallagh, directeur bij INBO, vroeg naar meekoppelende belangen van de ruimtelijke ordening. De heren dachten dat dat de infrastructuur zou zijn. "Een schaalsprong in het regionale openbaar vervoer is nodig," zei de directeur van de Dienst Infrastructuur, Verkeer en Vervoer nog stoer en iedereen leek het met hem eens. Maar voor die schaalsprong is het veel te laat; ze is te duur en het duurt te lang. De ruimtelijke ordening heeft geen meekoppelende belangen meer, ze heeft geen machtsbasis meer anders dan een goed, urgent verhaal, ze moet luisteren en doen wat de mensen willen. Volgens Wienke Bodewes, directeur van Amvest, zijn de woningen in het Amsterdamse nauwelijks aan te slepen. Het werd niet gehoord. ‘Van wie is de stad?’ De woonconsument? Nee, want de ongebreidelde suburbanisatie waarvan Rob van Engelsdorp Gastelaars gloedvol sprak, alsof die onafwendbaar was en het volk vooral in Amersfoort in een doorzonwoning wilde wonen, – ook dat was uit de oude doos. Igor Roovers, projectdirecteur IJburg, wist beter: de wethouder van Almere speelde een te eenvoudig spelletje, op particulier opdrachtgeverschap in de weilanden die resulteerde in huizen met puntdaken, zat niemand te wachten. Nee, luisteren zoals er ’s avonds in de Vrijstaat geluisterd wordt: machtsvrij, niet gehinderd door financiële problemen, maar vanuit een gedeeld inzicht, een gemeenschappelijke droom. Het is niet uit te leggen aan wie er niet aan deelneemt, die begrijpt het domweg niet. Dat maakt het allemaal ook zo tragisch.

Maar goed, humoristisch was het wel. Hoewel, Herman Vuijsje had het zwaar te verduren. Hij verdedigde een sterke publieke regie. Die kan hij wel vergeten. Niemand geloofde er nog in, ook niet na de financiële crisis. Arme Herman Vuijsje. Arme DRO. En de stadsdelen – volgens Vincent van Rossem te kwalificeren als ‘dorpspolitiek’ – zullen centrale diensten als de Dienst Ruimtelijke Ordening het werk gaan dicteren, daarover liet Duco Adema, stadsdeelvoorzitter van Zuideramstel, geen twijfel bestaan; Klaas de Boer mocht als directeur Zuidas voor stadsdeel Zuid heel hard zijn best gaan doen. Niks geen samenhang binnen de metropool. Gewoon je project doen voor het lokale bestuur.

Directeur Bureau Monumenten en Archeologie (BMA), Esther Agricola, begreep de kern van de nieuwe concept-structuurvisie. Als Amsterdam al zijn kaarten zette op de bestaande stad, dan moest cultuurhistorie prominent in die structuurvisie figureren. Waarom viel nergens dat ene, cruciale woord? Ze wilde niet opgenomen worden in de OntwikkelingsAlliantie, maar als BMA, ooit voortgekomen uit de DRO, wilde ze wel haar geluid duidelijk laten horen. Zeker nu. Cultuurhistorie als meekoppelend belang? Niemand reageerde.

Henk Ovink tenslotte, directeur Nationale Ruimtelijke Ordening van het Ministerie van VROM, mocht ons blij maken met de mededeling dat "wij, namens het kabinet, begin november zeker iets zullen zeggen over de schaalsprong Almere." Het klonk allemaal betekenisvol. Ach ja. Maar Klaas de Boer dacht dat IJburg tweede fase ook heel goed met de IJtram kon worden bediend. Een uitspraak van het kabinet over de IJmeerlijn, zoals Joost Schrijnen beweerde, was voor hem helemaal niet nodig. En Ovink zelf vond Eindhoven, Groningen en Apeldoorn ook heel belangrijk.

De wethouder zwaaide op het eind de DRO lof toe. Hij leek uitgelaten, vrolijk zelfs. Hij wist eindelijk hoe de wereld in elkaar zat. "Je moet de DRO volgen tot het einde van je termijn; wie op het eind eigenzinnig wordt, wordt niet herkozen." Heeft de DRO de macht? Zit de wereld werkelijk zo in elkaar? Klaas de Boer en ook waarnemend directeur Edith de Graaf oogden daarvoor veel te bescheiden. En Jaap Modder, moderator van het metropolitane symposium, liet het maar begaan. Iedereen genoot van de mooie middag, met al die bijzondere schepen op het IJ.

Tagged with: