Democratie dankzij steden

On 15 juli 2009, in demografie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 9 mei 2009:

De demograaf Tim Dyson is hoogleraar aan de London School of Economics. In april hield hij een interessante lezing in Den Haag. Dyson is een van de weinigen in de wereld die zich bezighouden met de mondiale demografische transitie. Die transitie begon rond 1750, toen het sterftecijfer voor het eerst begon te dalen; pas veel later daalde ook het geboortecijfer. De transitie vindt zijn einde wanneer het stadium wordt bereikt waarin zowel sterfte- als geboortecijfer laag zijn. In Europa is die toestand van nieuw evenwicht inmiddels ingetreden. In de lange periode van transitie groeide de bevolking explosief, daarna stabiliseerde ze weer, met uiteindelijk hetzelfde netto geboortecijfer als ervoor, namelijk 2.

Dyson beschouwt de demografische transitie als een positieve wending van de geschiedenis. "Mensen leven langer en kunnen verder vooruitkijken. Daardoor wordt het zinvol te sparen en te investeren – bijvoorbeeld in de scholing van kinderen. Moderne economische groei had nooit kunnen ontstaan zonder de daling van het sterftecijfer."

Ook de verstedelijking, zegt hij, was nooit mogelijk geweest zonder daling van het sterftecijfer. "Die maakte voor het eerst een natuurlijke bevolkingsaanwas in de steden mogelijk." Tot die tijd waren steden demografische ‘zwarte gaten’ waarin mensen verdwenen en die alleen gevuld konden worden door een constante toestroom van mensen vanuit het platteland. Ook deze natuurlijke groei van de stedelijke bevolking beschouwt Dyson als vooruitgang. "Alle belangrijke ontwikkelingen vonden plaats in steden: bestuur, wetenschap, onderwijs, kunst. Steden zijn verbazend productief en innovatief. Sociale verandering begint daar, met steeds nieuwe ideeën."

Zelfs de democratie is te danken aan daling van het sterftecijfer en aan de snelle verstedelijking die ermee gepaard ging. "In samenlevingen vóór de transitie is 45 procent van de bevolking jonger dan 15 jaar en leeft maar 10 procent in steden; de rest is verspreid over dorpen. Onder dergelijke omstandigheden kost het een autocraat weinig moeite een bevolking te controleren. (…) Na de transitie telt de bevolking veel meer volwassenen en leeft een groot percentage in steden. Mensen leven dicht op elkaar en zijn daardoor makkelijker te organiseren. De strijd voor democratie in 19e eeuws Europa speelde zich niet voor niets af in steden"

Tagged with:
 

Motor van de economie?

On 13 juli 2009, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in CBS-nieuws van 2 juli 2009:

Je leest er bijna overheen. Het betreft een nieuwsbulletin van het Centraal Bureau voor de Statistiek te Den Haag. Leest u mee?  "In 2008 werden de eerste tekenen van de economische crisis zichtbaar. Vooral Noord-Brabant en Limburg hadden het moeilijk. De economische groei in Noord-Brabant was 1 procent en in Limburg bleef de groei steken op 0,7 procent. De oorzaak is de aanwezigheid van relatief veel industrie in deze provincies. De crisis raakte deze bedrijfstak als eerste. Daarnaast groeide het vervoer over land minder hard. Ook deze bedrijfstak is bovengemiddeld aanwezig in Noord-Brabant en Limburg. De economie van de vier grootstedelijke gebieden groeide harder dan die van Nederland als geheel. Vergeleken met 2007 had Rotterdam nog het meeste last van de economische neergang. De omvang van de havenactiviteiten nam af. Amsterdam deed het economisch het beste, ondanks de forse krimp in de luchtvaart."

Interessant, zo’n persbericht van het CBS. Zegt veel over de focus van dit instituut en hoe het naar de Nederlandse economie kijkt. Crisisrapportages verzamelen en tussen de regels door lezen, dat is de opgave. Zoals: waarom is die luchtvaart nu zo belangrijk voor de economie van Amsterdam?

Tagged with:
 

Sculptuur op de Zuidas

On 11 juli 2009, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in W139 op 8 juli 2009:

Gisteren op bezoek bij Gijs Frieling, directeur van W139, het kunstenaarsinitiatief in de Warmoesstraat. Hij gaat iets doen voor ons in de Architectuur Biënnale dit najaar. Ik liep de hoge ruimte nietsvermoedend binnen, in afwachting van de komst van Gijs. Ik stond perplex. In de solotentoonstelling ‘belvédere’ van Trasberger die op dit moment te zien is in W139 staat het monumentaliseren van het recente verleden centraal. De titel is ontleend aan de goudkleurige Plymouth Belvédere die in 1959 in een betonnen sarcofaag werd neergelaten om vijftig jaar later als nieuw te worden opgegraven (quod non, want de behuizing lekte en de auto werd onlangs totaal verroest opgetakeld, ZH). W139 is door Trasberger bedekt met een grid dat teruggaat op tekeningen van het Italiaanse radicale architectencollectief Superstudio. Hun Continuous Monument was een kritiek op de toenmalige maakbaarheidsideologie. In dit grid plaatst Trasberger een aantal monumentale sculpturen waaronder een neon regenboog en een wandbeeld gemaakt van originele keramische elementen uit de gevel van het Hertie warenhuis in Berlijn.

Vooral die laatste sculptuur wilde Gijs ons na afloop van het bezoek onder de aandacht brengen. Is dit niet iets voor de Zuidas?, vroeg hij. De hele Zuidas wordt ontwikkeld met vliesgevels die je zo weer kan vervangen door andere gevels. Dit kunstwerk zou daar een interessant commentaar op kunnen zijn. Inderdaad, zo’n commentaar – zo’n gelaagdheid – mist vooralsnog de Zuidas. Ze is te nieuw, te eendimensionaal, te monotoon. Daarmee verduidelijkte Frieling ook zijn standpunt ten aanzien van het kunstwerk dat hij voor de biënnale gaat maken:  hij wilde niet slechts schilderen op een door ons aan te leveren tafelblad, hij wilde de tafel zelf vormgeven.

Tagged with:
 

Volkspaleis

On 11 juli 2009, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gezien in ARCAM op 8 juli 2009:

Vrijdagochtend bezochten we ARCAM voor de tentoonstelling ‘Kustwaarts’. Het gaat over de driehoek Amsterdam-Velsen-Zandvoort, in de tentoonstelling benaderd vanuit het ‘Soldaat-van-Oranje-perspectief’. Kustwaarts dus voorgesteld bij nadering vanuit zee. Dat perspectief is eerder geschilderd, in de negentiende eeuw, bij het graven van het Noordzeekanaal en het aanleggen van de sluizen bij wat later bekend kwam te staan als IJmuiden. Een reproductie van het vogelvluchtperspectief hiervan, met Amsterdam in de verte, blinkend in het zonlicht, valt te bezichtigen in de tentoonstelling.

Ineens valt mijn oog op de witte schittering van een hoog gebouw aan de rand van Amsterdam. Het is het Paleis voor Volksvlijt. Het toont zich net als de verscholen, in het licht tredende engel in ‘De Nachtwacht’ van Rembrandt, verdekt maar toch opvallend in deze vogelvlucht. Wat een mooi gebouw! Wat een indrukwekkend glaspaleis! Wat een silhouet!

Kort daarna kwam dus de infrastructurele doorbraak naar het westen, die doorsnijding van het groene polderland en de demping van het IJ – de wedergeboorte van Amsterdam als havenstad volgens het inzicht van de negentiende eeuwse ingenieur – een doorbraak die de ingeslapen stad later op zijn kop zou zetten. Architect Cuijpers zou vervolgens aan dat ontwakende silhouet het Rijksmuseum toevoegen en, in het bijna gedempte IJ, zijn Centraal Station. Zo zou het zeventiende eeuwse Amsterdam omsloten raken door hoge poortgebouwen waarvan Sarphati’s Paleis voor Volksvlijt even – dat wil zeggen gedurende twintig jaar (1864-1888) – de eerste en enige was. Geen wonder dat de tekenaar van het negentiende eeuwse ‘Kustwaarts’-perspectief dat glaspaleis in de verte liet schitteren. Het was een signaal. Het waren ingenieurs die elkaar begrepen. Die wisten wat komen zou. Wat kwam was hun eeuw.

Tagged with:
 

De taligheid van het beleid

On 9 juli 2009, in filosofie, by Zef Hemel

Gehoord tijdens bestuursdienstdebat in De Bazel op 7 juli 2009:

Het ging, aldus bestuursdienstdirecteur Hugo de Fernandez Mendes, die middag over ‘droom en werkelijkheid’. Wat is in beleidstermen reëel en wat is fantasie? Wat kan een gekozen bestuurder zijn kiezers toezeggen en wat niet? Wat zijn reële politieke ambities en wat kan niet worden waargemaakt? Anders gezegd, het ging die middag over maakbaarheid.

Mark van Twist, hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam, hield een mooi filosofisch betoog over de ‘taligheid’ van het beleid. Met taal wordt een beleidsambitie vooraf ‘geframed’. Deze ‘framing’ bepaalt in hoge mate de uitkomsten, de doormeting, de beoordeling achteraf, de verwachtingen. En daar gaat het vaak mis. Dan krijg je brokken. Of je mist in de beoordeling de ‘bijvangsten’ van het gevoerde beleid omdat die niet werden gemeten. Enzovoort. Verwachtingenmanagement is dus geboden. Dat begint met ‘framing’. Een professionele beleidsdienst behoort dat zorgvuldig te doen. Welke taal gebruik ze? Hij illustreerde dit aan de hand van de ‘oorlogstaal’ die Rotterdam de laatste tijd bezigt als het gaat om nieuw beleid: ’stadsmariniers’, ‘Rotterdam Wet’, ‘beleidsoffensief’, ‘Pact op Zuid’, ‘beleidsarena’. Zulk taalgebruik beïnvloedt de uitkomsten en ook de verwachtingen.

Daarnaast adviseerde hij de flanken van het speelveld op te zoeken. Te vaak wordt kluitjesvoetbal gespeeld. Alle aandacht gaat dan uit naar dat ene beleidsveld. Dat komt onder vuur te liggen. Men wil snel resultaten, terwijl geen snelle resultaten te leveren zijn. Enzovoort. Niet doen, adviseerde hij, zoek de rust op. Maak je beleid saai! Wees ondertussen vasthoudend en volhardend. Zo krijg je veel gedaan.

Zo ging het nog even door. Interessant hoe een discussie op een bestuurskundig niveau kan blijven hangen. In zijn soort erg goed. Maar het ging voorbij aan de zin en onzin van veel beleid. Successen zijn veelal helemaal niet te danken aan beleid, maar aan een autonome ontwikkeling waarop het succesvolle beleid meelift. De andere spreker, Jeroen Hoendersloot, zat dichter bij de waarheid. Veel beleid is niet effectief, niet rationeel en niet efficiënt.

Tagged with:
 

Vakantielectuur

On 6 juli 2009, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Steden lezen’ (2008) van Karl Schlögel:

Afgelopen week, op 4 juli, trokken jongeren uit heel Europa samen in Amsterdam, voor deelname aan Sensation White, het grote dance-event. Mijn oudste dochter gaat in augustus naar Szeged, Zuid-Hongarije, waar jongeren uit heel Europa samentrekken voor een groot zomerfestival. Aanleiding om Karl Schlögels ‘Steden lezen’ uit de kast te trekken. Zomerlectuur. Je hoeft er Oost-Europa niet voor in te trekken. Gewoon lezen.

Zoals deze verhelderende passage: "Europa is slechts een naam, maar het avontuur waar easyJet, Ryanair en al die andere goedkope luchtvaartmaatschappijen ons voor uitnodigen, is reëel. Ryanair heeft Ierland vanaf de rand van Europa bijna naar het midden getrokken. Stansted is een overstapstation van Berlijn naar Kaapstad geworden. De diminutieven waarmee de passagiers worden gelokt – in een uurtje naar Krakow, een overstapje naar Basel, Bratislava – bevatten, los van de onaangename mooipraterij, een kern van waarheid. Europa wordt een kwestie van nabijheid, bijna iets intiems." Even verderop blaast hij zelfs de loftrompet over Aerolines, de busmaatschappij die met bijna vijfhonderd lijnen vrijwel alle Europese steden goedkoop – en dus voor jongeren – met elkaar verbindt.

Schlögel heeft een punt. Europa ontstaat al, buiten de politieke discussie om. "Er wordt een nieuwe culturele ruimte geproduceerd. Met daarin echo’s. Europa is één grote resonantieruimte. (…) Het Europese cultuurleven verschijnt elke dag weer op het toneel. Het is een oneindig tapijt van discussies, debatten. We zijn op de hoogte van de ensceneringen in Moskou en de nuances van het festival van Glyndebourne, hoe Bayreuth dit jaar is en wat huize Wagner voor nieuws te bieden heeft. Dag na dag wordt de culturele ruimte opnieuw opgebouwd. Europa is een kunstruimte, een muziekruimte, een grote tentoonstellingshal, en de cultuurpagina is het grote logboek, dat ons helpt het overzicht niet te verliezen." De festivals noemt hij niet, maar ze helpen danig mee de Europese culturele ruimte te vormen.

Tagged with:
 

Globalisering?

On 1 juli 2009, in geschiedenis, internationaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Globalization. A Critical Introduction’ (2005) van Jan Aart Scholte:

Gisteravond Ronald Venderbos gesproken. Ronald is directeur van de Dienst Infrastructuur, Verkeer en Vervoer van Amsterdam. Van huis uit is hij politicoloog. Als een van de weinige alliantiedirecteuren was hij in mei niet meegeweest naar New York en had dus niet mijn verhaal gehoord over de economie van de stad. Na afloop had hij wel de afwijzende reactie opgemerkt van de andere directeuren op mijn New Yorkse verhaal. Ik dacht terug aan de heftige emotie rond mijn relativering van globalisering. Die werd gezien als bezijden de waarheid en ook ondeugdelijk om er beleid op te funderen.

Thuisgekomen herlas ik Jan Aart Scholtes introductie op globalisering. Iedereen heeft het over globalisering, schrijft hij. "Yet, if asked to specify what they understand by ‘globalization’, most people reply with considerable hesitation, vagueness, and inconsistency. Moreover, much discussion of globalization is steeped in oversimplification, exaggeration and wishful thinking. In spite of a deluge of publications on the subject, analyses of globalization tend on the whole to remain conceptually inexact, empirically thin, historically ill-informed, economically and/or culturally illiterate, normatively shallow, and politically naïve."

Troostende woorden zijn het. Maar het helpt allemaal niet als mensen geen kennis willen vergaren en in onwetendheid willen blijven leven. Venderbos had een oplossing. Ik moest bewegelijker zijn, minder star. Waar ik stop, zou hij juist willen doorgaan. Ik grijp intussen naar een ander boek dat ik weer wil lezen. ‘Animal farm’ van George Orwell.

Tagged with:
 

Nederland is bijna klaar

On 1 juli 2009, in kunst, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De bestorming van het onmogelijke’ (2001) van Mariolijn van Riemsdijk:

Mijn oudste dochter vroeg me wat Fluxus was. Dit naar aanleiding van de voorstelling ‘Eine Kirche der Angst’ tijdens het Holland Festival. ‘Joseph Beuys’, stamel je dan. Maar van hem had ze nog nooit gehoord. Daarom doorzocht ik de boekenkast. Daar vond ik ‘De bestorming van het onmogelijke’. Dat boek gaat over de geschiedenis van Max Reneman, de Keerkring en de collectieve verbeelding van een generatie Amsterdamse kunstenaars, waaronder de onlangs overleden Robert Jasper Grootveld, in de jaren zestig en zeventig. Boeiend.

Fluxus vond ik er, maar waar m’n oog op viel was de actie ‘Nederland is bijna klaar’ uit 1973. Ik ging terug in de tijd. Twee jaar later zou ik planologie gaan studeren, en ineens voelde ik me weer deelgenoot van dat merkwaardige verleden. Inderdaad, iedereen dacht toen dat Nederland bijna af was. De Amsterdamse kunstenaars maakten er een hilarische act van. Ze reden op vijftig solexen door Nederland tijdens een tiendaagse veldtocht. De expeditie begon in Lunteren, in het middelpunt van Nederland. "’s Nachts, bij het licht van de volle maan werden in een zandafgraving het Hart van Nederland en het Gat van Nederland ontdekt." (…) "De volgende ochtend kreeg het gezelschap bezoek van de politie die naar de leiding vroeg. Geduldig legde Jasper Grootveld uit dat er geen leiding was, dat iedereen over alles meebesliste. Toen het tijd werd om verder te trekken, ontstond er binnen de groep onenigheid over de te volgen route. Na enige manipulatie van Jasper Grootveld bezocht het gezelschap de Echoput bij Apeldoorn, waar het de vraag stelde: ‘Is Nederland bijna klaar?’ In klare taal antwoordde het orakel: ‘Klaar’." En dan gaat het verder. "Het gezelschap vertrok uit Friesland over de Afsluitdijk naar Noord-Holland. Volgens de deskundologen had het onderzoek tot dan toe aangetoond dat Nederland bijna klaar was, maar Friesland nog niet helemaal."

Onder dat gesternte ging ik dus planologie studeren. Ik kon het m’n dochter niet meer uitleggen. Maar ik had weer een stukje vrijstaat gevonden.

Tagged with: