En de winnaar is …

On 31 juli 2008, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in Cities in Civilisation (1998) van Peter Hall:

In Stockholm was ik dus, deze zomer. In het laatste deel van zijn magnum opus over de stad wijdt Peter Hall een heel hoofdstuk aan Stockholm in de jaren 1945-1980. Let wel, naast de wereldsteden Rome, New York en Parijs is het niet de Randstad, maar Stockholm die hier als wereldstad figureert. Dat is opmerkelijk, want wie het oeuvre van Hall kent, herinnert zich zijn grote doorbraak in 1966 als jonge schrijver en wetenschapper met diens boek, getiteld ‘Zeven wereldsteden’. Daarin is de jonge Randstad nog een van de grote wereldsteden, temidden van, jawel, New York, Londen en Parijs. Veel Nederlandse planners legitimeren de Randstad nog altijd door te verwijzen naar de autoriteit van Hall en roepen dan steevast dit aardige boekje aan. Zijn latere standaardwerk ‘Cities in Civilisation’ zwijgt dus echter in alle talen over diezelfde Randstad. Stockholm daarentegen wordt nu door de Britse geleerde opgevoerd, "because it was a small European capital city that – albeit influenced by examples from other European democracies – set a distinctively different course." Het is even slikken voor de Nederlandse planningsgemeenschap, maar zelfs in historisch perspectief is volgens de grote Peter Hall de Randstad niet "the living embodiment, the showcase, of a society they sought proudly to create as a model for the world." Stockholm is, achteraf beschouwd, wèl de showcase. "Its apartment towers, grouped around its new subway stations and shopping centres, impeccably designed and landscaped, became an object of pilgrimage from informed visitors from all over the world."

Maar ook in Stockholm is het niet allemaal zonneschijn. Want ook Hall ontkomt niet aan een gemengd eindoordeel over het Zweedse experiment. Op het eind schetst hij de politieke en economische crisis in het Zweden van de jaren tachtig. Die lijkt verdacht veel op de Hollandse malaise die zich bij ons iets later, in de tweede helft van de jaren negentig, manifesteert en die met de moord op Pim Fortuyn ineens lelijk aan de oppervlakte komt. De oorzaak? Volgens Hall: langdurige sociaal-democratische hegemonie. Waardoor een dodelijk gelijkheidsdenken de samenleving op den duur ruw in opstand doet komen. Ruw, omdat de Zweden lang niet gewend waren geweest aan debat en meningsverschillen en woorden als ‘individualisme’ en ‘eccentriciteit’ in het Zweeds uitsluitend een negatieve connotatie hadden. De sociaal-democratische verzorgingsstaat leek zelfs de taal te hebben gedood. En de taal van de vormgeving was al even doods want uniform. "Only later do they come to notice an extraordinary uniformity, a certain deadness, in the overall effect." Waarop Hall met graagte Roland Huntford citeert: "There is no dash, no individuality, nor even the unabashed vulgarity of an exuberant commercialism in modern Swedish architecture. It produces a sense of submission and restraint."

Planning hoorde in Zweden bij de sociaal-democratie en voldeed aan de Zweedse behoefte aan veiligheid. Ook die planning viel dus van zijn voetstuk. Niet dat de Zweden haar omvertrokken. Ze liepen gewoon weg, de natuur in, waar ze in vrijheid hun eigen ding kunnen doen. Immers, ruimte genoeg in dit land. En de modelsteden Vällingby, Bredäng en Farsta? Die hebben zich ondertussen gevuld met asielzoekers. Net als bij ons. Nee, er valt voor Nederland veel te leren van Zweden.

Tagged with:
 

Architectonische hoogmoed

On 29 juli 2008, in internationaal, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 5 juni 2008:

Tijdens de zomervakantie kocht ik in een antiquariaat in Forsmark, Zweden, een negentiende eeuwse gravure van de Champs-Élysées, volgens Reclams Kunstführer een van de mooiste stadsstraten ter wereld en volgens Peter Hall ""the grandest urban perspective in all Europe", ten tijde van de wereldtentoonstelling van 1855 (fraaier overigens dan hier afgebeeld). Links op de voorgrond zie je het Palais de l’Industrie dat later, in 1900, het veld moest ruimen voor het Grand Palais. Daarachter, links, de Galérie, ook verdwenen, als een verlengstuk van het Louvre langs de Seine. Nog duidelijk te zien is de pas in 1836 gereed gekomen Arc de Triomphe aan het uiteinde van de door André Le Notre in 1664 ontworpen laan in het verlengde van zijn as van de Tuilerieën, hier nog als begrenzing van de stad. Op de achtergrond een landelijk Monmartre. Ziedaar het negentiende eeuwse Parijs. Schitterend.

Die begrenzing van Parijs is sindsdien een flink eind opgeschoven. Parijs telt nu 8 tot 11 miljoen inwoners, afhankelijk van de gekozen bestuurlijke grenzen. En nu wil president Sarkozy een plan voor Grand Paris, inclusief de banlieus. Dat meldde begin deze zomer NRC Handelsblad, die in het artikel kennelijk blindvaart op mededelingen van Winy Maas van het Rotterdamse bureau MVRDV, die als een van de tien deelnemers betrokken is bij de opgave.

Tsja, wat is die opgave? Uit het krantenartikel wordt het niet duidelijk. Maar eerder, deze winter, zagen we al een parlementaire commissie zijn opwachting maken in Amsterdam. Die moest een metropolitane opgave formuleren voor de Franse metropolen, in opdracht van de nieuwe president. Eerder berichtte ik over de inhoud van haar rapport. Wat ik nu lees in de krant is dat de stedenbouwkundigen moeten adviseren over werkelijk alles. "Maar vooral hebben zij de opdracht om na te denken over alles. Behalve over stedenbouwkundige inrichting dus ook over vragen als waar de grenzen van het nieuwe, grote Parijs moeten liggen, hoe het bestuurd moet worden, hoe de activiteiten in de metropool onderling samenhangen, en op welke manier het publiek inspraak mag hebben."

Ga d’r maar aan staan. De architecten hebben zeven maanden de tijd gekregen. Zeven maanden? Het is alsof je een recept moet schrijven. Ik geef ze een tip: suggereer de president een nieuwe wereldtentoonstelling. In de banlieus van Parijs. In een as van Le Notre.

Tagged with:
 

Stockholm doet het ook al beter

On 28 juli 2008, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in Stockholm Modernism (2007) van Lotta Lander:

Stockholm is een bijzonder prettige metropool om in te leven. Dat wisten de naoorlogse stedebouwkundigen in Nederland al heel vroeg. Ze gingen er vanaf het eind van de jaren vijftig van de twintigste eeuw steevast op naar excursie, de modernisten voorop. Eindelijk zag ik deze vakantie al het moois eens met eigen ogen. Vällingby, Bredäng, Gröndal. Ik moet zeggen: het is inderdaad voorbeeldig. Maar het mooie vond ik niet zozeer de woonwijken in het groen die destijds zoveel Hollandse bewondering oogstten. Het geniale van Stockholm is de naoorlogse ruimtelijke ordening van het geheel.

In 1944 koos men in Stockholm voor uitbouw van het metronet. Later, in de jaren vijftig, volgde hieruit de keuze voor concentratie van de bevolking in de grote stad en niet, zoals bij ons, voor spreiding in groeikernen. Stockholm telt daardoor op dit moment bijna 2 miljoen inwoners (ruim het dubbele van Amsterdam). En sinds 1944 heeft de stad stelselmatig en royaal gebouwd aan ehet metronet dat die hoofdstedelijke bevolkingsconcentratie comfortabel ontsluit. In alle richtingen vanuit het centrum kun je ruim 25 kilometer met de metro in een mum van tijd naar buiten rijden, tot aan de randen van de metropool, die landschappelijk geweldig is ingepast. Zelfs in de zomervakantie stopt op elke halte iedere acht minuten een grote trein die je spoorslags naar het centrum brengt.

In Nederland is met enige vertraging, in de jaren zestig, dezelfde discussie als in Stockholm gevoerd. Om het landschap (Het Groene Hart!) te sparen is toen gekozen voor deconcentratie van de bevolking. Lees de biografie over Joop den Uyl er maar op na. Den Uyl wilde als wethouder ruimtelijke ordening van Amsterdam nog bevolkingsconcentratie en een metronet voor Amsterdam, maar zijn opvolger Roel de Wit koos, omwille van het landschap, voor spreiding.

De gevolgen kennen we. Ik noem er slechts één. Uit eigen ervaring. Na terugkomst van vakantie, deze week, stond ik op Centraal Station. Ik wilde naar huis. In de zomerdienstregeling van het GVB word je ’s zomers afgescheept met een trammetje dat elke vijfentwintig minuten voorrijdt. En de Oostlijn van de metro is deze zomer buiten gebruik wegens onderhoud. Met heimwee dacht ik terug aan Stockholm.

Tagged with:
 

Manhattan aan de Amstel

On 28 juli 2008, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in Joop den Uyl, Dromer en Doordouwer van Annet Bleich (2008):

Het zevende hoofdstuk van Annet Bleichs biografie over de politicus Joop den Uyl gaat over zijn jaren als Amsterdamse wethouder. Den Uyl wordt erin afgeschilderd als een ambitieuze wethouder met een uitgebreide portefeuille (economie, stadsontwikkeling èn haven), die in brainstormsessies zijn ambtenaren opstuwt tot grote hoogten en die, later, op zijn Amsterdamse jaren zal terugkijken als zijn beste en leukste tijd. Den Uyl toont zich vooral visionair die van Amsterdam een kosmopolitisch centrum wil maken. Dat nu is in Nederland, nog altijd, verdacht.

Bleich moet er ook niet veel van hebben. Niet voor niets geeft ze het zevende hoofdstuk de titel mee van ‘Manhattan aan de Amstel’, wat al een veroordeling inhoudt. Gretig citeert ze ook Roel de Wit, die Den Uyl als wethouder ruimtelijke ordening zal opvolgen en die een beweging terug zal inzetten naar kleinschaligheid en decentralisatie. En ook Theo Quené, destijds plaatsvervangend directeur van de Rijksplanologische Dienst, komt aan het woord, die de visie van Den Uyl achteraf bestempelt als ‘erg grootschalig’. Het zijn allemaal tijdgenoten van Den Uyl die, bewust of onbewust, hun historische gelijk proberen te halen. Bleich geeft ze echter groot gelijk. Ze noemt Den Uyl ten slotte ‘een kind van zijn tijd’, maar het klinkt als: ‘Den Uyl zat helemaal fout, maar daar kon hij niets aan doen, want in die tijd dachten meer mensen zoals hij. Het is een standpunt dat een beetje ouderwets aandoet. Ikzelf zou anno 2008 eerder hebben gekozen voor een herwaardering van het gedachtegoed van de wethouder Den Uyl. Niet dat zijn zware inzet op de haveneconomie en de herstructurering van de negentiende eeuwse wijken in aanmerking komen voor herwaardering. En ook niet zijn geringe waardering voor het culturele erfgoed. Juist daarin toonde hij zich een kind van zijn tijd. De economische structuur van de steden maakte toen een omslag en er waren begin jaren ‘60 maar weinigen die begrepen in welke richting de nieuwe economie moest worden gezocht. Nee, Den Uyl verdient herwaardering voor zijn interesse in metrobouw, voor zijn reizen naar Stockholm om de kunst van goede stedenbouw af te kijken en voor zijn ambitie om de centrumfunctie van Amsterdam met kracht te versterken. Als Den Uyl dat was gelukt, dan had Amsterdam er nu beter voorgestaan.

Tagged with:
 

Alweer een pleibezorger van de metropool

On 28 juli 2008, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in The Ghost Map (2008) van Steven Johnson:

Noem het vakantielectuur. The Ghost Map van Steven Johnson. Ik kocht nota bene de Penguin-editie. Dat is wel bijzonder voor een Amerikaanse schrijver als Steven Johnson. Maar het boek van de New Yorker gaat dan ook over Londen in 1854. Hoofdpersoon is de historische figuur John Snow. Alles speelt zich af in de maand september van eerdergenoemd jaar, in Soho, rond Broad Street, waar in die maand de cholera uitbreekt. Johnson volgt Snow op de voet in de wijze waarop hij als geneesheer ‘ontdekt’ hoe cholera zich razendsnel verspreidt onder de bevolking van de grootste metropool ter wereld. Niet via de lucht, zoals men destijds nog dacht, maar via het water. En daarmee vond hij tevens de oplossing voor deze gruwelijke negentiende eeuwse plaag.

In het laatste hoofdstuk wijst Johnson op de actualiteit van zijn onderwerp. Weliswaar kon cholera in het negentiende eeuwse Londen als gevolg van de toen ongekende opeenhoping van mensen zich snel verspreiden, de oorzaak en de oplossing werden in datzelfde London ook heel snel gevonden dank zij diezelfde bevolkingsdichtheid. Johnson noemt dat "the hidden power of urban networks’. Heel precies beschrijft hij hoe die netwerken functioneren en hoe individuen als John Snow hierdoor snel intelligentie kunnen ontwikkelen.

Hij, Johnson, verklaart zich een groot voorstander van megasteden. Ze zijn creatiever en innovatiever, ze zijn ook gezonder want de gezondheidsvoorzieningen zijn er veel beter en goedkoper geregeld en het vruchtbaarheidscijfer is er lager. Ook voor het milieu is extreme concentratie het allerbeste: "From an overall ecosystems perspective, if you’re going to have 10 million human beings trying to share an environment with other life-forms, it’s much better to crowd all 10 million of them into a hundred square miles than it is to spread them out, edge-city style, over a space ten or hundred times that size."

Neem Nederland. Zou het, als Johnson gelijk heeft, niet veel verstandiger zijn om de 16 miljoen mensen minder te spreiden over al die stadjes en provincies en juist meer te concentreren? Dat zou een belangrijke opgave kunnen worden voor de ruimtelijke ordening op rijksniveau in de komende decennia. Hoe? Heel eenvoudig. Niet door bevolkingsgroei, maar door handig gebruik te maken van de vergrijzing en bevolkingskrimp in grote delen van het land. Dit natuurlijke proces moet actief worden gefaciliteerd door metropoolvorming enerzijds en geleide bevolkingskrimp anderzijds.

Wel vreemd trouwens dat we de afgelopen vijftig jaar met onze voorbeeldige ruimtelijke ordening precies het omgekeerde hebben gedaan in dit land: spreiden en ontstedelijken. Toen hebben we een kans gemist. Maar die kunnen we goedmaken.

Tagged with:
 

Denemarken doet het beter

On 27 juli 2008, in internationaal, by Zef Hemel

Opgemerkt tijdens vakantie in juli 2008:

Voor het eerst van m’n leven door Denemarken gereden. Eerste indrukken? De Denen lijken op de Nederlanders. En Denemarken lijkt op Nederland. Twee kleine landen in Noordwest-Europa, omgeven door water en grenzend aan Duitsland en de Noordzee. Maar, er zijn in ieder geval twee opvallende verschillen tussen beide natiestaten te noemen. De eerste is het dominante kwaliteitsbesef van de Denen tegenover het overwegende kwantiteitsdenken van de Nederlanders. Nederlanders denken alleen maar aan veel dingen tegen een zo laag mogelijke prijs. Veel containers, veel vliegtuigen, veel dozen, veel woningen, veel vrachtwagens, veel steden. En dat alles zo goedkoop mogelijk.

De Denen daarentegen zoeken in alles kwaliteit. In het eten, in de producten die ze maken, in het landschap, zelfs in de parkeerplaatsen langs de snelwegen. Dat doen ze bewust, het is een door hun politieke elite bewust gedane keuze. Het brengt hen grote welvaart, méér welvaart dan de Nederlanders. En een schoner milieu.

Dat brengt me op het tweede verschil. Het tweede grote verschil tussen Denemarken en Nederland schuilt in het occupatiepatroon, in de ruimtelijke ordening. Kopenhagen is veruit de grootste stad van het land, de rest van Denemarken is overwegend platteland (de tweede stad van het land is Aarhus, vergelijkbaar in grootte met Eindhoven). Het Kopenhagen dat ik zag is een geweldige stad, ruim een miljoen inwoners groot (groter dus dan Amsterdam), waar, alweer, het denken in kwaliteit de boventoon voert. Zelfs de stadscamping waar ik met mijn gezin stond, was in alle opzichten geweldig. Het is voor Nederlanders een jaloersmakende situatie. Denemarken heeft niet de fout gemaakt die Nederland met zijn naoorlogse ruimtelijke ordening wèl heeft gemaakt: alles spreiden en verdunnen. Een van de voordelen hiervan is de directe verbinding per metro van het stadscentrum van Kopenhagen met de luchthaven, Kastrup, terwijl bij ons de Noord-Zuid lijn eindigt op de Zuidas, waarna tout Amsterdam voor de laatste vijf kilometer moet overstappen in de trein.

Het enige nadeel van deze concentratiepolitiek, is dat de voetbalcompetitie in Denemarken tegenvalt. De clubs in Kopenhagen krijgen weinig tegenspel in de nationale competitie. De Deense sterspelers spelen daarom vooral in het buitenland.

Maar is dat bij ons zoveel anders? Want kunnen Maastricht, Deventer, Zwolle, Den Haag, Breda en Nijmegen werkelijk nog profclubs op hoog niveau op de been houden? Ik denk dat dit verschil steeds geringer wordt. De Denen doen het, kortom, beter.

Tagged with: