Dood in de pot

On 25 november 2007, in stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 24 november 2007:

Op de vraag of eurocommissaris Neelie Kroes straks niet meer in Nederland wil wonen in verband met haar vermeende Paarlberg-connecties, antwoordt ze dat ze altijd al in het buitenland heeft willen wonen. Omzichtig vermijdt ze daarmee een direct antwoord op de gestelde vraag. En ze doet op deze wijze ook geen negatieve uitspraken over Nederland, of het wonen in ons kleine landje. Maar tussen de regels door lees je precies wat ze in Nederland mist. Ze mist stedelijkheid, ze mist een echte grote stad. En Brussel is volgens haar wèl een echte grote stad. "Ik zal niet in Brussel blijven als ik geen commissaris meer ben, maar het wonen in een andere grote stad lokt me. Op iedere straathoek de kranten, koffie, alles in de buurt. Mijn zoon woont in San Francisco, mijn stiefzoon in Chicago. Zelf denk ik aan Londen of New York." Even verderop wordt ze nog duidelijker: "In de steden die ik net noemde – waar ik van onder de indruk ben, is de bruisende energie die je overal voelt, de levendigheid."

Levendigheid en bruisende energie vindt ze dus in geen enkele Nederlandse stad. Zelfs in Amsterdam niet. Ook geen koffie en kranten om iedere hoek. Onder de indruk is ze evenmin. De Nederlandse steden zijn blijkens de tekst net als de Nederlandse politiek: "een beetje dood in de pot." Kan het duidelijker?

Tagged with:
 

De bomen van Parijs

On 18 november 2007, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord tijdens ontvangst in de ambtswoning van de burgemeester van Amsterdam op vrijdag 16 november 2007:

Dominique Perben, Frans parlementariër, tevens voorzitter van een door Sarkozy benoemde commissie die de Franse president moet adviseren over de toekomst van de grote steden, werd vrijdagavond door burgemeester Cohen ontvangen in de ambtswoning. Onderwerp van gesprek: de toekomst van de Europese metropolen, in het bijzonder die van Amsterdam. Perben bleek al viermaal minister te zijn geweest in kabinetten onder de vorige president, Jacques Chirac: justitie, binnenlandse zaken en op het laatst transport. Hij bleek dan ook breed georiënteerd. Bij zo’n algemeen gesprek wordt al snel de indruk gevestigd dat de situatie in Frankrijk niet wezenlijk anders is dan in Nederland. Overal worstelt men met de bestuurlijke organisatie in en rond de grote steden. Overal is gebrek aan geld. En overal in Europa verlopen de planprocessen moeizaam en uiterst traag. Wij maar denken dat die Fransen veel krachtiger opereren dan wij. U heeft het mis. Perben duidde de Amsterdamse situatie zelfs in gunstige zin aan als ‘pragmatischer’ dan de Franse.

Een hoogtepunt in het gesprek betrof het groen. We hadden het over duurzaamheid. Toen ik wees op de zegeningen van het vasthoudende compactestadbeleid van Amsterdam, keek Perben verwonderd op. Compact? Hij vond Amsterdam juist zo groen. Zelden zo’n groene stad gezien als Amsterdam. Dat klopt, voegden wij hem toe. Amsterdam telt meer bomen dan heel Parijs. En toch woont de Amsterdammer in een hoge dichtheid. Nu ja, die dichtheid is een kwart van die van Parijs.

Zo zijn de misverstanden snel geboren. Dus wie er in Nederland over een te hoge dichtheid en te weinig groen klaagt, kunnen wij slechts adviseren: ga eens wonen in Parijs!

Tagged with:
 

Prettige efficiency

On 16 november 2007, in infrastructuur, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gehoord tijdens diner in The Grand te Amsterdam op donderdag 15 november 2007:

De uitnodiging was afkomstig van Maison Descartes en de Franse ambassade te Den Haag. Het betrof een diner aan de vooravond van een conferentie over De Duurzame Toekomst van de Metropolen in Amsterdam, georganiseerd door bovengenoemde partijen. Het gezelschap was grotendeels Frans. Ik zat aan tafel met de president-directeur van Transdev, het Franse openbaarvervoerbedrijf dat onlangs het Nederlandse Connexion heeft ingelijfd en dat openbaarvervoerdiensten verzorgt in steden als Grenoble, Straatsburg, Bordeaux en zelfs het Australische Melbourne (een enorm tramnetwerk). Ook de directeur van Connexion, Willem Lely, zat aan mijn tafel. Of ik aan de zijne. Verder de kersverse transportattaché op de Franse ambassade te Den Haag, net teruggekeerd van vier jaar Ethiopië. Het was een aangenaam gesprek.

De zeer kleine maar buitengewoon krachtige Philippe Segretain sprak over het Franse en het Nederlandse openbaar vervoer. De Nederlandse systemen vond hij bijzonder goed, maar de bediening ervan labbekakkerig. Zo hekelde hij de openbaarvervoerdiensten van de vier grote steden. Het Amsterdamse tramnet noemde hij uitstekend, en begreep hij niet dat het GVB en de Dienst Infrastructuur overwogen om op het net te bezuinigen, in plaats van het te vergroten. Het kon allemaal vele malen beter. In combinatie met krachtige burgemeesters die het openbaar vervoer promoten zag hij goede kansen voor zijn bedrijf om de dienstregelingen op te voeren, de service te verbeteren en vooral openbaar vervoer in de nacht te verzorgen. Liever investeerde hij in Nederland dan bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk, dat hij onmogelijk noemde en reddeloos verloren, althans wat openbaar vervoer betreft.

Wel vond hij de Nederlandse onderhandelingscultuur keihard, ruw en onbehouwen. Men vocht elkaar de tent uit, waarna uiteindelijk wel het compromis gevonden werd. Maar dat gebeurde na lang meedogenloos straatvechten. Nee, daar had hij weinig mee op, met dat zogenaamde poldermodel. Wat hij aan Nederland bewonderde was veeleer het planningstelsel, de ruimtelijke orde, de wijze waarop Schiphol aan Amsterdam was gekoppeld, de prettige efficiency die eruit sprak. Maar de Nederlandse bestuurders en ambtenaren, nee, dat was in Frankrijk veel beter. In dat opzicht was hij benieuwd naar de samenwerking tussen Transdev en Connexion.

Diezelfde dag was het Franse openbaar vervoer in staking gegaan. Dat wel. Maar niet bij Transdev. Dat dus weer niet.