Max van den Berg, 1938-2016

On 8 februari 2016, in stedenbouw, by Zef Hemel

Vorige week overleed Max van den Berg, stedenbouwkundige, 77 jaar oud. Vanaf zijn afstuderen aan de Technische Hogeschool Delft in 1963 tot aan zijn afscheid in 1985 was hij planoloog in dienst bij de afdeling Stadsontwikkeling van Publieke Werken van de gemeente Amsterdam. Die meer dan twintig jaar waren achteraf de heftigste uit de moderne stedenbouwkundige geschiedenis van de hoofdstad. Max maakte ze als ambtenaar mee. Aanvankelijk wilde het Amsterdamse gemeentebestuur een volledige reconstructie van de bestaande stad, die na de crisis van de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog compleet was uitgewoond. De naoorlogse geboortegolf vroeg om frisse nieuwe woningen; Nieuw-West en Noord werden haastig uit de grond gestampt, later gevolgd door Buitenveldert en de Bijlmer. Voor de binnenstad leken kantoren de toekomst, bereikbaarheid vroeg om snelwegen voor auto’s en ook een heuse metro. De negentiende eeuwse wijken zouden netjes worden afgebroken. Er was weinig geld, maar de ambitie was gigantisch. Vanuit het pas opgeleverde Wibauthuis maakten Max en zijn collega’s de plannen.

Toen kwam de omslag. Eerst was er Provo, daarna de studenten, nog weer later de krakers. Actievoerende monumentenzorgers als Geurt Brinkgreve ontfermden zich over de oude grachtenpanden, de krotten in de Jordaan werden door handige types opgeknapt. De zittende bevolking vertrok naar Lelystad, Hoorn en Almere, zonder protest. In de stad groeide echter het jeugdige verzet. Dat keerde zich vooral tegen de paternalistische houding van de autoriteiten. Het mondde uit in de Nieuwmarktrellen van 1975. Later werden ze gevolgd door de veel heftiger krakersrellen. Verkiezingen brachten nieuwe, veel jongere bestuurders, eerst De Cloe en Lammers, later Schaefer en Van der Vlis. Het roer moest om. Men eiste andere plannen. Wat deed dit met Max? Van PW schoof hij door naar de secretarie op het stadhuis. Voor burgemeester Van Thijn regelde hij o.a. de Amsterdamse kandidatuur voor de Olympische Spelen van 1992. Het werd zijn laatste grote klus. Aansluitend vertrok hij naar de Universiteit Utrecht, waar hij hoogleraar Planologie werd. Vlak voor zijn overlijden schreef hij zijn memoires. Die zullen later dit jaar bij uitgeverij Thoth verschijnen. Ik heb ze gelezen. Wat ik zeg, het waren roerige tijden.

Witte plannen

On 7 februari 2016, in cultuur, participatie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen op scholieren-com van 7 april 2000:

In de vorm van ‘witte plannen’ bood het Amsterdamse provo, opgericht op 25 mei 1965, allerlei speelse oplossingen voor grootstedelijke vraagstukken. Het Witte Fietsenplan uit zomer 1965 is de bekendste: om het autoverkeer uit de binnenstad te weren wilden de jongeren 20.000 witgeschilderde openbare fietsen plaatsen, vrij te gebruiken door alle bewoners binnen de Singelgracht. Ook beroemd geworden is het Witte Wijvenplan, dat geboorteregeling en vrije liefde propageerde. Het Witte Lijkenplan omvatte een alternatieve straf voor verkeersovertreders. Dat ging als volgt: zij die een dodelijk ongeluk op hun geweten hadden, dienden het silhouet van het slachtoffer in het asfaltdek uit te houwen en met witte specie te vullen. Bovendien moesten ze de familie een witte begrafenis aanbieden. Met het Witte Schoorstenenplan werd de luchtvervuiling op ludieke wijze bestreden. En met het Witte Woningenplan maakte provo sloopwoningen en leegstaande kantoren geschikt voor bewoning. Een onderdeel daarvan vormde het Witte Vuilnisbakkenplan voor onbehuisden: tot wieg omgebouwde vuilnisbakken voor starters op de woningmarkt. En met het Witte Kippenplan wilde men politieagenten omturnen tot sociaal werkers.

Voor de gemeenteraadsverkiezingen van juni 1966 werden alle Witte Plannen bij elkaar gevoegd in een ludiek programma voor Nieuw Amsterdam. Dat omvatte ook het Witte Kinderenplan (gratis kinderopvang), en het Witte Bedjesplan (ziekenhuisbedden in De Nederlandsche Bank aan het Frederiksplein). Alle ideeën en initiatieven werden ook uitgevoerd en uitgebreid getest, tot aan het loslaten van een witte kip in de Raadhuisstraat tijdens de huwelijksplechtigheid van prinses Beatrix en prins Claus. De autoriteiten konden het allemaal niet waarderen. Er werd door de politie hard opgetreden, ook de rechters waren niet mals. Provo Rob Stolk belandde zelfs in de gevangenis. Een verzoek tot gratie bij de koningin werd afgewezen. Op 15 mei 1967 hief provo zichzelf op. Kort daarvoor was in Nieuwe Revue een enquête gepubliceerd waarin 37 procent van het Nederlandse volk de provo’s het liefste wilde opsluiten. Dit alles las ik in een werkstuk geschiedenis van een scholiere van de derde klas VWO. Ze schreef: “Als er nu een zelfde soort beweging zou ontstaan, denk ik, dat we er beter mee om zouden kunnen gaan. De ideeën waren namelijk best haalbaar en de overheid zou het voor 100 procent moeten steunen.” Zou het echt? Denkt ze dat werkelijk?

Tagged with:
 

Steinway als innovator

On 4 februari 2016, in innovatie, by Zef Hemel

Geleerd van Frenk Bekkers tijdens masterclass New York 2015:

Een van de opwindendste fasen in de masterclass New York City 2015 was de ontdekking van de oorsprong van het stedelijke tech-ecosysteem van Long Island City, grofweg het gebied in Queens op een mijl afstand van Roosevelt Island, waar de campus van Cornell-Tech op dit moment in aanbouw is. Hier vestigde Steinway zijn pianofabrieken in 1869. Voor die tijd was westelijk Queens nog overwegend agrarisch, met het dorpje Astoria als centrale kern. Van een ambachtelijke pianobouwer die honderd vleugels per jaar bouwde groeide Steinway in korte tijd uit tot een megabedrijf dat 5.000 instrumenten per jaar produceerde. Steinway & Son was een uiterst innovatief bedrijf dat liefst 126 patenten registreerde, zoals het sustainpedaal, het middelste pedaal op een vleugel. Al die technische uitvindingen waren profijtelijk. Maar Steinway verdiende ook geld met een marktstrategie waarin de stad zelf een belangrijke rol speelde. Zo zorgde het familiebedrijf voor een complete muzikale infrastructuur die bestond uit pianolessen, zangverenigingen en de Steinway Music Hall op Manhattan. Ook zorgde het voor gebouwen en voorzieningen die het woon- en werkgebied aantrekkelijk maakten. Steinway bouwde avenues en huizen; een tram werd op kosten van de zaak aangelegd. De bloeiperiode eindigde met het overlijden van William Steinway in 1896 en de annexatie van Long Island City door New York City in 1898.

In zijn laatste levensjaren gaf de pianomagnaat de aanzet tot een tweede bloeiperiode door de commissie te leiden die het metroplan voor New York maakte. Long Island City werd hierdoor uiteindelijk door bruggen, een tunnel en metrolijnen verbonden met Manhattan. Daaronder ook metrolijn 7 door de door Steinway gefinancierde Steinwaytunnel. Dit keer ging het effect Steinway ver te boven. Commerciële en economische ontwikkelingen kregen een ware boost. Er werden fabrieken gebouwd, vooral in het gebied tussen het water en de drie grote overstapstations. Deze tweede bloeiperiode duurde tot 1950. Daarna sloten in heel New York de fabrieken hun deuren. Oude panden kregen een nieuwe bestemming. City University opende hier zijn universiteit voor toegepaste wetenschappen en in een voormalige bakkerij vestigden zich de Silvercup studios. LIC werd voor de Oostkust het centrum van film en media, in het verlengde van de muziek. Nog steeds werken hier vijfhonderd mensen aan de bouw van nieuwe vleugels. Alles gaat daar met de hand. Daarmee werd het innovatieve ecosysteem van Long Island City een van technologie, muziek & media, maakindustrie, verkeer en stadsontwikkeling. Alles dankzij Steinway.

Tagged with:
 

Niek de Boer 1924-2016

On 31 januari 2016, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 20 januari 2016:

Onlangs overleed op 91-jarige leeftijd de Nederlandse stedenbouwkundige Niek de Boer. De Boer was een talent, een fenomeen. Zijn doorbraak beleefde hij al jonge leeftijd met zijn vroege werk in Emmen, Drenthe, waar hij in 1955 direct na zijn afstuderen de taak kreeg om de nieuwe industriestad op de Hondsrug te ontwerpen. Hij begon er in de buitendorpen met hele kleine fraaie uitbreidingsplannetjes. Daarna ontwierp hij, samen met André de Jong, de stad. Na tien jaar verliet hij het Noorden om te gaan werken als directeur bij de provinciaal planologische dienst van Zuid-Holland. Kort daarop werd hij hoogleraar stedenbouwkundig ontwerpen aan de Technische Universiteit Delft. Daar zou hij tot aan zijn pensioen blijven. In Emmen ontwierp hij eerst de woonbuurt aan de Valtherzandweg in Emmermeer, daarna de woonwijk Angelslo en ten slotte, in eerste aanleg, Emmerhout.  Het woonerf maakte hem op slag beroemd, maar fundamenteler was zijn ontwerp van de stad als geheel. De Emmer Es wilde hij sparen, de Emmer Dennen gedeeltelijk bebouwen, tussen centrum en woonwijken dacht hij zich alle openbare voorzieningen als scholen, sportcomplexen en zwembad, maar niet het theater. De Muzeval wilde hij juist in het historische centrum. En de Hondsrugweg had wat hem betreft veel westelijker gemoeten. In alles heeft hij achteraf gelijk gekregen. Als hij in Emmen was gebleven, dan waren al de fouten misschien niet gemaakt.

Niek de Boer zocht ik eind jaren zeventig op in Den Haag. Aan het werkblad vertelde hij me hoe hij in Emmen eigenhandig de lantaarnpalen weer uit de grond had getrokken toen hij merkte dat ze verkeerd waren geplaatst. Jeugdig elan. Ik smulde ervan. Hij nam me mee op een wandeling door de buurt en liet me woningen van Duiker zien. Hij bewonderde Kopenhagen. Midden jaren tachtig zocht ik hem weer op, maar toen woonde hij al aan de Keizersgracht in Amsterdam in een pand dicht bij de Westertoren. We hadden het over zijn ontwerp voor het nooit gebouwde dorp Larsen in Flevoland (1963). De Boer was een gepassioneerde ontwerper. Naast zijn uitspraken over Emmen en wat daar was misgegaan, staat me vooral zijn latere boek ‘’De Randstad bestaat niet’ (1996) nog voor de geest. Met de strekking was ik het hardgrondig eens. De Randstad is een geloofsartikel. Vooral de opmerking dat Amsterdam wakker moet worden en eindelijk zijn verantwoordelijkheid moet nemen herinner ik me nog goed. Als Amsterdam het niet doet, gebeurt het niet. Dan blijven we met die zogenaamde netwerkstad in het westen zitten die maar geen stad wil worden. We zullen Niek de Boer node missen.

Tagged with:
 

One rich, one poor

On 27 januari 2016, in cultuur, migratie, sociaal, by Zef Hemel

Read in ‘Our kids’ (2015) of Robert Putnam:

 

 

Robert Putnam’s latest book is on American kids, their lives, their future. The social landscape in the land of opportunity is changing rapidly, that’s for sure. The sociologist teaching at Harvard University compares it with his own youth in hometown Port Clinton, Ohio, in the fifties. In half a century time it got a lot worse in terms of social mobility. He thinks it is now “a split-screen American nightmare, a community in which kids from the wrong side of the tracks that bisect the town can barely imagine the future that awaits the kids from the right side of the tracks.”  The chapters are on families, parenting, schooling, community. The chapter on families is situated in Bend, Oregon; the one on parenting in Atlanta; the one on schooling in Orange County, California; the last one, on community, in Philadelphia. Then he focuses on what is to be done. Let’s study Atlanta.

Putnam describes Atlanta as an affluent, sophisticated, and global metropolitan area, the ninth largest in the USA. The city has a strong, diversified economy, with headquarters of CNN, Delta Airlines, UPS and Coke. Its history is one of racial division. In black residents, Atlanta is second to New York City. The city is being confronted now with a rapidly growing gap between rich and poor. Over the last ten years some half million new black residents entered the city. They all came from the North. Many of them have college degrees.  But Putnam adds that the blacks in Atlanta itself are desperately poor. “Large swaths of southern and western Atlanta itself are over 95 percent black, with child poverty rates ranging from 50 percent to 80 percent.” So the black community is segregated along economic lines. He concludes that Greater Atlanta has the second-lowest rate of intergenerational social mobility of all major American cities – a great contrast with his own youth in Port Clinton, where poor kids and rich kids lived near one another. Wealth is accumulating in Atlanta, but many kids have no opportunities to do better. He thinks America is moving towards two countries: one rich, one poor.

Tagged with:
 

The World Within

On 22 januari 2016, in regionale planning, by Zef Hemel

Read in ‘Cities in Evolution’ (1915) of Patrick Geddes:

Old stuff. Got a copy of Cities in Evolution (1915) of the Scottish biologist and planner Sir Patrick Geddes in my hands again. In the appendix I found the explanation of his diagrams. I love the one on ‘The World Without and the World Within’. It’s from his sunday talks with his children. It’s very useful stuff to read now that we’re preparing a children’s program for the People’s Industry Palace (Volksvlijt 2056), to open this spring in Amsterdam. The Out-World is a world of facts and acts, the In-World a world of memories and plans. Geddes explains that you can only go from facts to acts via the In-World. You have to think first, to ponder, to create a rich In-World before you can start working. Dreaming is the Passive In-World. Planning is the Active In-World.On school you only learn facts and acts.

Then he explains why educated people have difficulties with acting and working. Their In-World is a world of memories, not plans.  And science looks mainly at the Out-World. Geddes: “those who stay behind, in the house of memory, may become more and more learned, but they will never do very much. That, in fact, is what is wrong with too many educated people; that is why they feel paralysed, and can neither speak nor act though the occation calls.” So we should all learn to climb away up into the skies of thought, and away down into its strange dim depths. Geddes refers to the angel who took St. Peter out of prison. Anyone, he adds, could be liberated by an angel. So we need them both, the Out-World and the In-World. Geddes: “Not only to enjoy more but to do more, plan more, carry out more.” It’s the circle of life. Or better, it’s a spiral, a growing spiral. Great men are only children of larger growth. “Life is like childhood – it can’t be still.”

Tagged with:
 

Noiseless city

On 19 januari 2016, in infrastructuur, by Zef Hemel

Seen and heard in Amsterdam on sunday 17 january 2016:

So the number of bikes in Amsterdam is at least 800.000. It means that 63 per cent of the Amsterdammers is riding a bike on a daily base. In the modal split, more than 32 per cent is biking, compared to 22 per cent using a car, and 16 per cent going with public transport. What does this mean? It means a noiseless city in the first place. The inhabitants of Amsterdam are almost not aware of it, but if you come from abroad you surely will notice that you almost do not hear any cars in the streets in Amsterdam. Many people, but no noise! You only hear friendly bells ringing, and electric trams moving. It seems almost impossible, no, it’s unique. Amsterdam is truly a silent city. What a quality of life!  No one should be complaining about the traffic. No? Well, there’s only one thing worth lamenting. Could we get rid of those horrible scooters? There are too many of them. They are really poisoning the Amsterdam atmosphere.

Because we all love biking, we meet our friends and acquaintances almost on a daily base, seeing them passing by, greeting them, not forgetting to telephone them afterwards, sending them an email. How are you? I saw you on your bike and we said hello, but shouldn’t we meet? Yes why not? Or we jump from our bikes and start a spontaneous conversation in the middle of the crowd. If we all would have traveled by car, this would never have happened. We would drive in our capsules, seeing nothing, meeting no other person, listening to the music on the radio, feeling bored, killing time. Just imagine, all those commuters in their cars, and we, bikers in Amsterdam, feeling free, being happy, greeting our friends every day. A ballet of bikes. Pure poetry. It makes us think Amsterdam is a village, which it is not. And I love those pictures of Ed van der Elsken from the sixties. Only men biking. I almost forgot: women were absent in public space. Have a look: https://www.youtube.com/watch?v=GDNtafebmys

Tagged with:
 

Amsterdam, je hebt geen tijd om te suffen

On 16 januari 2016, in Geen categorie, by Zef Hemel

Verschenen in Het Parool, zaterdag 16 januari 2016:

4 april 2013 begon de derde Gouden Eeuw voor Amsterdam. Toen heropende het Rijksmuseum na tien jaar haar deuren. Het was de grootste culturele investering ooit gedaan in het Koninkrijk. Sindsdien wordt Amsterdam overstelpt door bezoekers, althans in de binnenstad. Bewoners schreeuwen moord en brand. In de zomer van 2014 klaagde de Rotterdamse directeur van het museum, Wim Pijbes, dat Amsterdam ‘vies, vuig en vol’ is. Er wordt nu driftig gezocht naar een balans in de stad. Het enorme succes lijkt iedereen te overvallen.

In het schitterend verbouwde Rijksmuseum wordt teruggeblikt. Daar is een permanente tentoonstelling van de grootse geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden. Over de toekomst van de hoofdstad vindt men niets. Over die zogenaamde nakende derde Gouden Eeuw is ook elders in de stad niets terug te vinden. De stad telt vijfenzeventig musea, vrijwel alle staan met hun rug naar de toekomst. Ondertussen doet het wereldwijde internet zijn werk. Aanhoudend voert het immense stromen bezoekers naar Amsterdam.
De wereld is, zeker sinds de financiële crisis van 2008, sterk veranderd; ze lijkt ineens veel gevaarlijker, de Europese Unie vecht zelfs om zijn voortbestaan. Zulke grote onzekerheid maakt huiverig om vooruit te blikken. Daar komt bij dat Europa kampt met het vooruitzicht van bevolkingskrimp. Zelfs binnen het economisch verzwakte Europa houdt Nederland zich, met Griekenland, Spanje, Portugal en Ierland, op in de continentale periferie. Het groeigebied bevindt zich rond Zürich, Wenen en München. Migranten spoelen naar binnen, de zeespiegel rijst, oorlogen op afstand verzwakken de economie, terroristen ruiken hun kansen.

En wat stelt Amsterdam voor? Naar internationale maatstaven gemeten is ze klein en kwetsbaar. Hoe kan ze dan toch optimistisch zijn? Het antwoord is simpel: wat de stad in twee gouden eeuwen heeft opgebouwd raakt ze niet zomaar kwijt. Sterker, dat gaat zich uitbetalen.

Vier hubs, knopen, heeft Amsterdam in de loop der eeuwen opgebouwd. Alle vier zijn nog zeer vitaal. Veruit de mooiste is die uit de eerste Gouden Eeuw: de grachtengordel. Miljoenen toeristen willen haar bezoeken, tegelijk biedt ze een universum van winkels, musea, theaters, concertzalen, bibliotheken, faculteiten en onderwijsinstellingen. De binnenstad is een gevierd woon- en werkmilieu. De grachtengordel ontpopt zich bovendien als innovatiemilieu, waar honderden kleine bedrijfjes tot voor kort leegstaande kantoren bevolken. Sinds de status van werelderfgoed van Unesco is bereikt wordt alles op alles gezet om deze oude hub in het grote geweld overeind te houden.
De tweede hub stamt uit de tweede Gouden Eeuw: de zeehaven, een industrieel complex van wereldformaat dat altijd heeft uitgeblonken in het genereren van een extreem hoge toegevoegde waarde.  Met een grote zeesluis in het vooruitzicht zal ze een nieuwe, circulaire fase ingaan, met duurzame logistiek, recycling en verantwoorde verwerking van grondstoffen.
De derde hub is de luchthaven, een internationale megahub ten behoeve van alle partners van het geglobaliseerde Skyteam. Ook die van One World en Star Alliance willen er voet aan de grond. Snel groeiende low cost carriers willen hier expanderen. Ook deze hub zal zich komende jaren drastisch anders positioneren. Toenadering tot de metropool ligt voor de hand.
De vierde hub ontwikkelt zich razendsnel: de internetknoop in de Watergraafsmeer. In 1994 door de natuurkundigen van de Universiteit van Amsterdam internationaal gepositioneerd, groeit ze op en rond het Science Park. Niemand heeft enig idee wat deze ondergrondse internetknoop economisch gaat betekenen. Voor zulke fantasieën zijn ondernemers nodig die groots denken. De kansen zijn uitzonderlijk. Met deze hubs heeft Amsterdam alle kans om zich in de dynamiek van de wereldeconomie te positioneren. Vooral de combinatie van de vier levert schitterende vergezichten op.

Eén waarschuwing: de derde Gouden Eeuw mag in 2013 zijn begonnen, zo’n unieke window of opportunity duurt nooit langer dan vijftig, zestig jaar. Tijd om te suffen is er niet. Onontkoombaar leidt zo’n gouden eeuw tot verdubbeling van de stad. We weten bovendien dat de generatie die aan het begin stond van een Gouden Eeuw eerst nog vooral een Jordaan bouwde, of een De Pijp – zuinige probeersels die zeer geliefde buurten zijn geworden. Pas bij de volgende generatie krijgt een echte Daniël Stalpaert of Hendrik Petrus Berlage de kans de stad naar de schitterende toekomst te brengen. Tegen die tijd beseft ook het stadsbestuur dat een toekomstvisie dringend geboden is. Zover is het nog lang niet.

Wat wel kan is een ‘Samuel Sarphati’ de mogelijkheid bieden nog binnen de ‘vierde uitleg’ een ‘glaspaleis’ te bouwen om daarmee in een aansprekende tentoonstelling burgers als Gerard Heineken te inspireren en op te wekken om in de stad te gaan ondernemen en investeren. Dat veronderstelt niet een Rijksmuseum dat terugblikt, maar een heus Volkspaleis dat ver vooruit durft te kijken. Dat is er nu niet.
Hoe zat het ook alweer? Met de opening van het Paleis voor Volksvlijt aan het Frederiksplein in 1864 markeerde de visionair Sarphati het begin van de tweede Gouden Eeuw van Amsterdam. De brand in zijn paleis in 1929 markeerde het einde van die periode. Het wordt tijd dat Groot-Amsterdam wakker wordt en zich instelt op structurele groei, intensieve verdichting, een digitale economie, nieuwe cultuur, fantastische universiteiten, echte metropoolvorming, een zinderende 24-uurs economie, alles met zeker vijftig jaar onafgebroken grootstedelijke bloei in het vooruitzicht.

Kijk ook op www.volksvlijt.amsterdam

 

A city to be made

On 11 januari 2016, in boeken, by Zef Hemel

Read in ‘Capital. The Eruption of Delhi’ (2014) of Rana Dasgupta:

Great portrait of Delhi, India, that I’m reading. The writer is Rana Dasgupta, originally from New York, but now living in the Indian capital. It’s his first nonfiction book, but sometimes I’m not sure. At least it’s a personal quest for the soul of a city. Dasgupta immediately loved Delhi, he writes, and after he arrived he met so many people, so by writing down all their stories he learned about the real life in the fast growing metropolitan region. At that very moment the vast country had gone through a decade of the changes resulting from the liberalisation of the economy after 1991. Then the urban fabric still looked the old. But one year later the tearing-down began. “I had fallen, by pure chance, into one of the great churns of the age and, without ever planning to do so, I stayed.”  So he writes about the removal of hundreds of thousands of homes of the poor, the building of shopping malls and apartment blocks, “this enormous transfer of wealth and resources from the city’s poorest to its richest citizens,” the destroying of so many businesses in the name of aesthetic order, the maximizing of floor area and sale prices, the coming of restaurants and bars, coffee shops even. It left him and many others with the feeling that what was happening here, would change the entire world.

Dasgupta resolved to start with the torrent of Delhi’s inner life, “and to seek there the rhythm, the history, the mesh, from which a city’s lineaments might emerge.” While most people around him were convinced the city is losing its soul, he started to think there was a city to be made. I could not stop reading. I’m still in the middle of it. Modern Delhi, Dasgupta writes, was born out of the catastrophe of india’s partition. The city is the pioneer of India’s private townships. Gurgaon is the largest such township in Asia, and has imitators now all over the country. On the rush of Indian business process outsourcing to the enormous brushland zone of high-tech real estate in this new suburb of Gurgaon, close to the airport in the neighboring state of Haryana, triggered by the coming of General Electric in 1996, he discovered a new Delhi.  And then all those young Indians coming to the capital, working hard, earning money, possessed with great energy and talent, taking over the old city of bureaucrats, turning it into twenty-first century India’s cultural centre. The new generation looks up to them with respect and adoration. It’s a revolution. When did I visit Delhi the last time? That was 1988. I should go back and see it. But first read the whole book. 

Tagged with:
 

Read in ‘Urban Utopias of the Twentieth Century’ (1977) of Robert Fishman:

garden-city-plans-1

So much fun reading the old stuff again. Last December I started writing a book on cities, what they are, why they exist and what they are heading for. So it’s a book on the past and future of urbanization. The publisher is Amsterdam University Press. It will be launched in May 2016, in the People’s Industry Palace. You will be amazed. So while writing my book, I took some old stuff on cities and planning from the shelves of my private library again. One of them was Robert Fishman’s ‘Urban Utopias’. I wanted to know more about Ebenezer Howard, the evangelist of the Garden City movement in the first decades of the twentieth century. Fishman describes how middle-class Londoner Howard discovered a true goal in his life: dissolving monstrous London by building hundreds of new towns in the countryside. It fascinated me because Howard’s thoughts became a true gospel in Dutch planner’s circles after the Second World War, his view leading in postwar spatial planning.

As a planner I wanted to know how the radical Howard imagined his dream would come true. They always told me he was a very practical man, his schemes and diagrams flexible, his approach open minded. Not Edward Bellamy’s centralized planning approach was his favorite, because as a London Radical he loathed state intervention. He was convinced his ‘peaceful path to real reform’ could only succeed if small communities were embedded in a decentralized society. People would then start cooperating spontaneously, everything based on independence and voluntary action. Howard was a true anarchist. Fishman: “The Radicals devoutly believed in Progress, and they held that mankind was evolving toward a higher stage of social organization – the cooperative commonwealth – in which brotherhood would become the basis of daily life.” In Dutch postwar planning I cannot mark off any of these values. It was centralized state planning pur sang that led to the dissolvement of the big cities. Is the result a higher stage of social organization? I don’t think so. I’m afraid Bellamy has won.