Urban Commons

On 18 september 2014, in participatie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Rebel cities’ (2012) van David Harvey:

Hoofdstuk 3 van ‘Rebel Cities’ van de Amerikaanse links-radicale geograaf David Harvey vind ik het interessantste hoofdstuk in een verder boos en verbolgen boek dat verscheen kort na de Occupy-beweging. Het gaat over ‘the creation of the urban commons’. Is het nog mogelijk, vraagt Harvey zich hardop af, iets gezamenlijks te ondernemen in de grote stad na de enorme golf van privatiseringen, buitensluitingen, bewakingen en overheidscontroles? Kleine burgerinitiatieven ziet hij nog wel, maar waar zijn de grote gebleven, die bijvoorbeeld in staat zijn de klimaatverandering te keren? En vele zijn trouwens niet werkelijk open. En wat nog erger is, neoliberale politiek bevordert juist decentralisatie en autonomie, uitgerekend om grotere ongelijkheid te bevorderen.

Radicale decentralisatie ziet Harvey nog steeds als een middel om weer ‘commons’ te organiseren. Staatsinterventie wijst hij resoluut af. Steden moeten het zelf doen. Maar kunnen die zichzelf organiseren zonder dat ze concurreren en er grotere ongelijkheid ontstaat? Hier refereert Harvey aan Murray Bookchin. Het blijkt te gaan om een boek uit 1992, getiteld ‘Urbanization Without Cities’. Bookchin ziet de oplossing in netwerken van steden, ‘a confederal network of municipal assemblies’. Deze lossen hun problemen gezamenlijk op. "Power thus flows from the bottom up instead of from the top down, and in confederations, the flow of power from the bottom up diminishes with the scope of the federal council ranging territorially from localities and regions to ever-broader territorial areas." Harvey vindt het een werkbare gedachte. Hij zou wel eens gelijk kunnen krijgen. Volgende week vergadert de Amerikaanse filosoof Benjamin Barber in de Amsterdamse Stopera met vijftig burgemeesters, waaronder de Amsterdamse, in een ‘Global Parliament of Mayors’. Ben benieuwd wat ze gaan bespreken.

Tagged with:
 

Techboom

On 17 september 2014, in economie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 11 mei 2014:

Twitter headquarters, on Market Street in San Francisco (Olivia Hubert-Allen/KQED).

Amsterdam is op dit moment het beste te vergelijken met San Francisco. Beide steden zijn ongeveer even groot; hun achterland is even stedelijk. De Bay Area telt circa tien miljoen inwoners, de Randstad en directe omgeving iets vergelijkbaars. Beide steden zijn ook centra van de tegencultuur, van hippies, homo’s, krakers, linkse intelligentsia, anarchisten. Er hoeft maar iets te gebeuren of er breekt een opstand uit op straat. Het welvaartspeil is alleen lager rond Amsterdam, want de regio mist een technische universiteit en een Silicon Valley. Nog een verschil: de baai ten oosten van Amsterdam is ingepolderd, terwijl de baai van San Francisco nog altijd schittert in de zon. Maar Amsterdam is even geliefd als de Californische stad en de nabijheid van de zee is in beide steden goed voelbaar. Gevolg: de huizenprijzen in beide steden stijgen snel.

Enige maanden geleden schreef Eva de Valk in NRC Handelsblad over de problemen als gevolg van het succes van San Francisco. Onder de kop ‘Klassenstrijd aan de westkust’ meldde ze dat de huizenprijzen ongezond snel stijgen, over de afgelopen drie jaar met liefst 36 procent, de huren zelfs met 51 procent. De goed verdienende techwerkers uit Silicon Valley worden gezien als oorzaak; zij werpen zich op de grootstedelijke woningmarkt. Maar het is anders: in San Francisco zelf groeit het aantal banen twee keer zo snel als in de Valley. De rollen zijn omgedraaid. Niet de randen, maar het centrum is dynamisch. Voor al die grootstedelijke banen worden ter plekke veel te weinig woningen gebouwd. De Valk: “Over zes jaar zijn alle niet-rijken de stad uit gedrukt.” Nieuwbouw in de Bay area vindt nog altijd plaats op grote afstand van de stad, zeker die voor de lage inkomensgroepen. Vergelijk het met de bouw van woningen voor Amsterdammers achter Castricum, Alkmaar en Nijkerk. Geen gekke vergelijking. San Francisco en Amsterdam lijken meer op elkaar dan je denkt.

Tagged with:
 

Spelenderwijs

On 16 september 2014, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Negotiation and Design for the Self-Organizing City’ (2014) van Ekim Tan:

Afgelopen vrijdag promoveerde architecte Ekim Tan aan de TU Delft op een onderzoek naar gaming als methode voor stedelijk ontwerp. Promotoren waren Henco Bekkering en Arnold Reijndorp, hoogleraren aan de TUD respectievelijk de Universiteit van Amsterdam. Tan beschrijft in haar proefschrift nauwgezet een aantal door haar uitgevoerde experimenten met ontwerpoefeningen waarbij de deelnemers, waaronder de ontwerper zelf, in een spelsituatie tot ontwerpbesluiten moeten zien te komen. De oefeningen vonden plaats in Instanbul, Almere, Rotterdam en Amsterdam. Telkens moesten collectieven over de invulling van een bepaald gebied beslissen waarbij Tan de spelregels bepaalde. Elke situatie vraagt namelijk om een ander type spel. Later mochten ook de deelnemers de spelregels veranderen. Het waren alle oefeningen op het droge. De realiteit werd nog het dichtst benaderd in het meest recente spel, dat ging over de invulling van de monumentale Van Gendthallen in Amsterdam.

Over de uitkomsten is Tan erg enthousiast. Het is haar overtuiging dat de methode werkt, ook in complexe situaties, en dat deze kan worden opgeschaald naar regionaal, nationaal en zelfs internationaal niveau. Zelf  heb ik twijfels. Ik denk dat het beter is om goed contact met de realiteit te houden en daartoe steeds een zo laag mogelijk schaalniveau te kiezen. De casus Oude Westen in Rotterdam vond ik het meest inspirerend: zeven architectuurstudenten van de Rotterdamse academie hadden bewoners en stakeholders in de buurt nagespeeld; door het spel hadden ze goed met elkaar samengewerkt en vanuit het perspectief van betrokkenen de buurt herontworpen. Zo’n collectieve werkwijze is bij ontwerpers hoogst ongebruikelijk, maar volgens mij veel beter dan de bij architecten gebruikelijke ontwerpcompetities en challenges waarbij uiteindelijk een winnaar wordt gekozen en verliezers, met al hun inzet, het nakijken hebben. Tan is realist en idealist tegelijk: de samenleving is volgens haar te complex geworden voor die ene ontwerper; die kan het gewoon niet meer alleen; hij of zij zal moeten samenwerken, hoe moeilijk dat soms ook is.

Tagged with:
 

Merzbau

On 15 september 2014, in kunst, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 23 juli 2004:

Kurt Schwitters. The Merzbau, transformation of six (or possibly more) rooms of the family house in Hannover, Waldhausenstrasse 5. This took place very gradually; work started in about 1923, the first room was finished in 1933, and Schwitters subsequently extended the Merzbau to other areas of the house until he fled to Norway in early 1937

Vandaag college ‘Inleiding in de planologie’ op de Universiteit van Amsterdam, aflevering ‘Functionele stad’. Het beeld dat het functionalisme alleen maar rationeel was, efficiënt, met ‘de woning als machine’, ‘licht, lucht en ruimte’ en ’scheiding van wonen, werken, recreëren en verkeer’ als motto’s, doet haar zondermeer tekort. Ik wil het graag corrigeren. Kurt Schwitters bijvoorbeeld bouwde vanaf 1923 aan zijn Merz: een uitdijend en voortwoekerend labyrint dat de Duitse kunstenaar en zijn vrouw en zoon in Hannover bewoonden. Janneke Wesseling schreef erover: "Chaotisch en zonder vooropgezet plan – een principekwestie, aldus Schwitters – ontstond een oneindige verscheidenheid aan vormen, met stalagmieten en stalagtieten van gips, karton, papier en hout groeiend uit muren en plafonds." In Merz had Schwitters ook ruimte gemaakt voor muizen en cavia’s, die, aldus Wesselink, er werkten aan een eigen gangenstelsel. Schwitters was een tovenaar.

Niet dat Schwitters tot de functionalisten kan worden gerekend. Ook was hij geen planoloog. Wel had hij vriendschappen met modernisten als Arp, Van Doesburg, Stam, Rietveld, Oud en de stedenbouwkundige Van Eesteren, die hem zeer bewonderden. Merz was een uitsnede uit het woord Kommerzbank, een betekenisloos woord. Volgens Wesseling zit Schwitters’ werk vol met politieke en maatschappelijke betekenissen, en heeft daarmee een historische lading "Het ging Schwitters om vrijheid, tolerantie, gelijke rechten." Als kunstenaar propageerde hij Wereldpattriotisme. Hij geloofde dat kunst de wereld kon veranderen, het leven van mensen draaglijker kon maken. Zijn kunst – gelaagd, complex, niet-hiërarchisch – moest afrekenen met alle illusie van schilderkunstige zinsbegoocheling. Spel, humor, toeval en schoonheid, de kunstenaar zette ze in als wapens tegen een kwade, dreigende wereld, aldus Wesseling in NRC Handelsblad, in een tien jaar oud artikel dat verscheen ter gelegenheid van een tentoonstelling van zijn werk in Basel. Zo zie ik ook het functionalisme. Niet als opmaat naar een kille Bijlmer, maar als een fantastische poging het alledaagse leven van mensen draaglijker te maken. Merzbau ging in de Tweede Wereldoorlog overigens door bommen van de Engelsen teloor.

Tagged with:
 

Surprising San Francisco

On 13 september 2014, in internationaal, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord op Roeterseilandcampus in Amsterdam op 11 september 2014:

Richard Walker, hoogleraar geografie aan de University of California, Berkeley, sprak afgelopen donderdag bij het Center for Urban Studies van de Universiteit van Amsterdam. Titel van zijn lezing: ‘Surprising San Francisco’. Wat was er zo verrassend aan San Francisco? De stad in het noorden van Californië, zei Walker, is veel groter en belangrijker dan haar zuidelijke buurt, Los Angeles. Ze is de absolute ‘Tech Capital of the World’, bovendien een metropool van tien miljoen inwoners, want Walker telt niet alleen de stad (800.000 inwoners), maar ook de Bay Area (8 miljoen inwoners) plus de nieuwe ex-urbane ontwikkeling rond Stockton en Sacramento in het oosten – hij vergeleek het gebied met de Randstad. Daarbij liet hij veel statistieken zien, die allemaal niet deugden en volgens hem het gebied onderschatten. De economie van dit bijzondere grootstedelijke gebied is namelijk nog groter dan die van heel Nederland. Er wonen evenveel miljonairs als in New York. Zeven van de tien grootste web-portals staan in Silicon Valley. Het is een van de rijkste steden van de wereld, rijker nog dan Londen of Singapore.

Zijn lezing eindigde Walker grimmig met het opsommen van failures and contradictions. Het stedelijke gebied, zei hij, is buitengewoon gesegregeerd; er is nog altijd veel racisme; de zwarte bevolking woont ver buiten het kerngebied, zelfs buiten de vallei; grote groepen worden buitengesloten; wonen is extreem duur, zeker in San Francisco zelf; de overheid is machteloos en met 101 gemeenten en zes counties sterk verbrokkeld; de ‘techies’ zijn extreem liberaal en willen geen regulering. Uit Californië kwam Ronald Reagan en Steve Jobs zag men als ‘the second coming of Our Ford.’ De grootste vraag echter was volgens Walker hoe je het gebied open houdt voor nieuwkomers, hoe je het in beweging houdt. Kan dit doorgaan? Moet er niet worden ingegrepen? Walker pleitte hartstochtelijk voor een vorm van sociaal kapitalisme in de Valley, maar veel hoop had hij niet. Over waterschaarste sprak hij trouwens niet, evenmin over duurzaamheid of over de kans op aardbevingen, zoals die van afgelopen zomer – schaal 6 op de schaal van Richter.

Tagged with:
 

Te beginnen in de grote stad

On 11 september 2014, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 24 juni 2014:

Wel opletten graag! Los Angeles, tot voor kort onder geografen nog beschouwd als een typisch Amerikaanse autostad zonder centrum, zonder dichtheid, met een mozaïek van eindeloos veel buurten – suburbs – zover het oog reikt, verandert razendsnel in een prettige fiets- en voetgangersstad. Diederik van Hoogstraten, correspondent van NRC Handelsblad, schreef er afgelopen zomer over. In buurten als Venice Beach en Santa Monica wordt, schreef de journalist, nu volop gefietst, er zijn bike lanes en overal zijn fietsen te koop en te huur. Fietsslachtoffers worden er herdacht met witte fietsen langs de weg – de zogenaamde ‘ghost bikes’, die weer terugverwijzen naar het ‘wittefietsenplan’ van de Amsterdamse provo’s. Bovendien is de Zuid-Californische filmstad een voetgangersparadijs aan het worden. En er worden metrolijnen gebouwd met rond de haltes bewandelbare buurten. Hoogste tijd om ons beeld van Los Angeles grondig bij te stellen.

Ook van Moskou dachten we tot voor kort dat het een autostad was, met grote congestieproblemen. Toen ik in de Russische hoofdstad in 2006 een pleidooi hield voor de fiets, werd mij door de gemeentelijke ingenieurs inderdaad te verstaan gegeven dat dit een idioot idee was. Maar vorig jaar werd er in Moskou een deelfietssysteem in het centrum geïntroduceerd en nu las ik in een column van Derk Sauer in Het Parool dat hij het tijd vond voor de aanschaf van een nieuwe fiets. Wat bleek? De in Moskou woonachtige uitgever had deelgenomen aan ‘Veloboeljvar’, een recreatieritje door het centrum waarbij het autoverkeer door de Moskouse politie was stilgelegd. "Fietsen is ineens helemaal hot," schreef hij. Afgelopen zomer was er ook de ‘Veloprobeg’, een andere toertocht. Daarna ‘Bikefest’, een festival rond fietsen, film en literatuur. Sauer: "Een groepje hipsters onder leiding van Vladimir is de stuwende kracht achter deze fietsrevival. Vladimir, een bescheiden twintiger, is net terug van een fietstocht van Mexico naar Buenos Aires. Hij wist Sergej Kapkov – een hoge ambtenaar bij de gemeente Moskou, die ook Gorki Park een facelift gaf – achter zich te krijgen." De eerste fietspaden zijn in Moskou al aangelegd. Dus, opletten geblazen! De auto is aan zijn grote terugtocht begonnen, het begin ligt in de grote steden.

Tagged with:
 

Buurttuinen met veerkracht

On 10 september 2014, in duurzaamheid, participatie, voedsel, by Zef Hemel

Gelezen in ‘In Pursuit of Resilient Community Gardens’ (2014):

Beatriz Pineda Revilla uit Spanje schreef een boeiende masterscriptie Urban Studies aan de UvA over stadslandbouw in New York en Amsterdam. In ‘In Pursuit of Resilient Community Gardens’ onderzocht ze vier praktijken van stadslandbouw in beide metropolen, in elke stad een bottom-up en een hybride initiatief waarbij intermediaire organisatie de stedelingen hielpen. Hoe veerkrachtig zijn ze en wat maakt dat ze zo veerkrachtig zijn? Dat was haar centrale vraag. Ze onderscheidde zeven indicatoren. De cases beschreef ze nauwgezet. De initiatieven scoorden elk op deze zeven. Wat bleek? Zeggenschap over de grond is kritisch, maar flexibele instituties zijn zo mogelijk nog belangrijker. Met haar onderzoek hoopt ze nieuwe burgerinitiatieven te kunnen helpen. Hoe kunnen deze zich telkens aanpassen en ervoor zorgen dat ze toekomstbestendig zijn?

De verschillen tussen de cases kon bijna niet groter. Prospect Farm is een initiatief van een idealistische hoogleraar in Noordwest Brooklyn, een typisch collectief beheerd terrein op sterk vervuilde grond; Garden of Eden is een hybride project in een sociale woningbouwcomplex in Fort Greene; Valreeptuin is een anarchistisch bottom-up project in Amsterdam-Oost; Buurttuinen Transvaal is een hybride project in een plantsoen in de Transvaalbuurt dat ondersteund wordt door de gemeente. Opvallende verschil tussen de twee cases in New York en die in Amsterdam vond ik de inbedding van de New Yorkse initiatieven in een netwerk van intermediaire nonprofit-organisaties – iets wat in het Amsterdamse nog ontbreekt. Gemeentelijke ‘participatiemakelaars’ moeten in Amsterdam dit organisatorische gat vullen. Het is alsof Pineda Revilla in haar scriptie pleit voor een nog verder terugtrekkende overheid in Nederland, waardoor dergelijke organisaties ook bij ons kunnen gedijen en eindelijk ook hier een civic society kan ontstaan. Veerkracht dankzij neoliberale politiek?

Tagged with:
 

Tokio’s erfgoed

On 9 september 2014, in monumentenzorg, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Venetië op 31 juli 2014:
The Rainbow Bridge, Tokyo, shot from Shinagawa Futo

‘In the Real World’, zo luidt de titel van de Japanse bijdrage aan de architectuur biënnale Venetië 2014. Hoezo ‘In the real world’? De Japanse terugblik op honderd jaar Modernisme concentreert zich op de jaren ‘70 van de twintigste eeuw, toen een nieuwe generatie Japanse architecten twijfels kreeg over het modernisme in hun eigen land en een kijkje besloot te nemen in ‘the real world’, om zo weer contact te krijgen met de realiteit. De climax vormde de Wereldtentoonstelling Osaka 1970. Die Expo viel overigens samen met ernstige milieuvervuiling, slechte woonomstandigheden voor de gemiddelde Japanner, en werd spoedig gevolgd door twee nare oliecrises. In deze impasse besloot een aantal jonge architecten het land te verlaten, op reis te gaan, oude dorpen te tekenen, primitieve beschavingen te bestuderen, hun geschiedenis te onderzoeken. In de megasteden gingen ze hele kleine woningen bouwen, of dorpsachtige structuren. Een aantal van hen komt in de tentoonstelling aan het woord. Door de curators wordt hun werk nu beschouwd als beslissend voor de verdere ontwikkeling van de Japanse architectuur.

Een van de architecten is Terunobu Fujimori. Hij richtte de Street Observation Society op, evenals de Architectural Detective Agency. Fujimori voelde een diepe afkeer van de wijze waarop hele binnensteden destijds werden platgewalst en veranderd in commerciële consumptieoorden. Hij besloot de geschiedenis van Tokio in de Meiji Periode te bestuderen en verbaasde zich over zijn collega’s die sloop normaal vonden en ook zo achteloos met hun oude ontwerpmateriaal omsprongen. Ze gooiden het gewoon weg. Niemand leek geïnteresseerd in het verleden. Fujimori herontdekte het erfgoed – een doodzonde in het modernisme. Hoe hij over de steden van dit moment denkt? Fujimori: het is niet prettig om tegenwoordig door steden als Tokio te wandelen. "But it is beautiful to speed along the coast at dawn in a car on the way to Haneda. It really is. I find Tokyo more beautiful than other cities on the sea such as New York or Venice. New York stands on bedrock, so there is a gap between the waterline and the skyscrapers. But Tokyo seems to be floating on water, all the lights are on, and the ground too has been neatly laid out." (foto: Alfie Goodrich) Het enige wat hij mist is geschiedenis. Haar verleden heeft Tokio uitgewist.

Tagged with:
 

Fietsvraagstuk

On 8 september 2014, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam op 29 augustus 2014:

Instagram foto door karenyadira15 - H.H Sheikh Hamdan bin Mohammed bin Rashid Al Maktoum, in #Amsterdam Tuesday, 26/08/2014 #repost from @ali.alsuwaidi : @faz3 #Netherlands#Amsterdam

Wat me het meeste bijbleef van de twee summer schools die ik dit jaar aan de Universiteit van Amsterdam modereerde was de enorme impact van het fietsverkeer op de deelnemers. Studenten uit de hele wereld, van zowel ‘Thinking City’ als ‘Planning and Living in Cities’, bleken zelf het meest onder de indruk van het overweldigende gebruik van de fiets in het Amsterdamse stadsverkeer. Een van de studio’s van ‘Thinking City’ ging dan ook over het Amsterdamse fietsvraagstuk. Tien kruispunten in de stad werden geanalyseerd. Maar dat niet alleen. Zelf fietsten de studenten tijdens de summer school ook met volle overgave. Op de fiets, vertrouwden ze me toe, voelden ze zich in Amsterdam het veiligst. Wandelen vonden ze namelijk veel te gevaarlijk en openbaar vervoer ronduit gebruiksonvriendelijk. Eigenlijk, zeiden ze, is Amsterdam helemaal geen prettige wandelstad; de trottoirs zijn er te smal, er zijn teveel geparkeerde auto’s en als voetganger dreig je voortdurend te worden aangereden door de vele ….fietsers. Daarom: liever zelf fietsen.

Wie deze zomer ook in Amsterdam fietste was de kroonprins van Dubai. Sjeik Hamdan bin Mohammed bin Rashid al Maktoum (31) logeerde eind augustus samen met zijn vrienden in het nieuwe Waldorf Astoria hotel aan het Herengracht. Over Amsterdam was hij heel opgetogen. Je kon hem trouwens goed volgen op Instagram en Tumblr. De foto’s die hij nam waren niet van klokgevels, grachten of monumenten, laat staan kaas en klompen, nee het waren foto’s van fietstochten in en rond de stad. Op een gegeven moment zag je hem zelfs fietsen langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Ook kocht hij spiksplinternieuwe fietsen bij een fietsenhandelaar aan een van de grachten. En niet alleen ik was van die aankopen getuige: de jonge kroonprins heeft meer dan 1,2 miljoen trouwe volgers op Instagram! En zoveel likes kreeg hij voor zijn fietstocht in Amsterdam: 97595. Daar kan geen citymarketingcampagne tegenop. Let op mijn woorden, binnenkort komt het hele Midden Oosten fietsen in Amsterdam. Het wordt nog veel en veel drukker.

Tagged with:
 

Borrowed size

On 5 september 2014, in economie, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in OECD Territorial Review The Netherlands (2014):

 

 

;

 

 

 

 

 

 

Nederland profiteert economisch onvoldoende van agglomeratievoordelen, althans volgens de OECD. Onze steden zijn te klein. De Organisation for Economic Cooperation and Development beveelt bij de Nederlandse regering daarom grotere steden aan. Daarnaast echter biedt ze een ontsnappingsroute. Geen grotere steden, maar betere verbindingen. Zoiets heeft ze niet van zichzelf. Iemand moet de organisatie dit hebben gevraagd. Dat ze in haar Territorial Review van Nederland het alternatief voor een echte nationale grootstedelijke politiek om maximaal te profiteren van agglomeratievoordelen door de opdrachtgever ingefluisterd moet hebben gekregen maak ik mede op uit het feit dat dat alternatief alleen in de samenvatting wordt opgevoerd: ‘borrowed size’. Door snelle verbindingen tussen de bestaande stedelijke gebieden, stelt de OECD daar zonder nadere toelichting, kan ook winst worden geboekt. Gelooft u het? Ik heb de motivering opgezocht. Die bleek schamel. Leest u met mij mee.

Alleen in de ‘key recommendations’ van het uitvoerige rapport, op bladzijde 23, staat de volgende aanbeveling. In de rest van het dikke rapport geen spoor. In plaats van een nationaal grootstedelijk beleid dat nu in Nederland ontbreekt en dat erop neer zou moeten komen dat van agglomeratievoordelen op het juiste schaalniveau – de stad en de stedelijke regio – wordt geprofiteerd, kan de regering er ook voor kiezen om de verbindingen tussen functionele stedelijke regio’s te verbeteren. Het is, stelt de OECD met nadruk, geen vervanging van agglomeratievoordelen, maar steden en stedelijke regio’s kunnen profiteren van grotere nabijheid ten opzichte van elkaar en op deze wijze agglomeratie van elkaar ‘lenen’. Een soort Peerby voor steden. En dan komt het: "Recent studies show that a doubling of the population living in urban areas within a 300 km radius, increases productivity of the city in the centre by 1 tot 1,5 percent." Een gebied met een straal van 300 kilometer beslaat gemakkelijk heel Nederland; een verdubbeling van de bevolking in een dergelijk omvangrijk gebied kan leiden tot een productiviteitsgroei van 1 tot 1,5 procent. Buiten het feit dat ik het niet begrijp vraag ik u: Is dit veel, een verdubbeling van de bevolking? Volgens mij wel. En hoe realistisch is dit? Onrealistisch, denk ik.

Tagged with: