Land grabbing

On 28 juli 2014, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord in Almere op 22 juli 2014:

Eenentwintig studenten Urban Studies uit Singapore, China, Europa en de Verenigde Staten bezochten afgelopen week de nieuwe stad Almere tijdens een summer school van de Universiteit van Amsterdam. De ochtend brachten we door in het stadscentrum, de middag in het Homeruskwartier in Almere Poort. In een lezing van Marcel Stolk, strategisch adviseur van de gemeente, maakten ze kennis met de ‘Almere Principles’ rond duurzaamheid en met nieuwste ruimtelijke strategieën van de gemeente. Het nieuwe stadscentrum van OMA zagen de studenten vooral als ‘architectuur’, als een enorme megastructuur die in de gemiddelde Amerikaanse suburb zeker niet zou misstaan. Het was architectuur vooral bedoeld om mensen aan te trekken die er nu nog niet waren. Toch oordeelden de Amerikanen uiteindelijk positief: hier leek het te werken, afgaande op de mensen op straat, die best gelukkig leken. De grote vraag voor hen was alleen: wie betaalt dit allemaal? De Japanse studenten hadden hun eigen favoriet: het theater van Sanaa architecten aan het Weerwater. Hier voelden zij de serene rust en harmonie uit hun vaderland. Jammer alleen dat het theater gesloten was. Dat zou in Japan nooit gebeuren.

De nieuwste ruimtelijke praktijken in Homeruskwartier en het toekomstige Oosterwold riepen bij de meeste studenten vooral vragen op. Ze hadden zeker vragen toen ze hoorden dat door de crisis de dichtheid van de nieuwbouw in Almere nog lager werd. Toen ze Homeruskwartier bezochten viel het ze mee: die woonwijk leek op een doorsnee Amerikaanse suburb, zij het met wel erg weinig ruimte tussen de woningen, alles georiënteerd op auto’s. De typologie vonden ze ouderwets Amerikaans. Hier opnieuw de vraag: wie betaalde dit allemaal? Ten aanzien van Oosterwold konden ze het domweg niet geloven: 4.300 hectare onttrekken aan de landbouw op de vruchtbaarste grond ter wereld, om vervolgens in een absurd-lage dichtheid van 5 woningen per hectare te gaan bouwen, dat was toch pure ‘land grabbing’? (= grond doelbewust onttrekken aan de landbouwproductie door regeringen en multinationals om biobrandstoffen e.d. te verbouwen) Datzelfde gebeurde in Oost-Afrika en Zuid-Amerika op grote schaal. Dat was niet goed, ze keurden het af. Zorgen, zo bleek, hadden ze over de voedselvoorziening in de wereld.

Tagged with:
 

Open City

On 20 juli 2014, in participatie, ruimtelijke ordening, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in de Stadsschouwburg in Amsterdam op 18 juli 2014:

Richard Sennett interviewen is een droom. Afgelopen vrijdag kwam hij uit. Sennett sprak in de Amsterdamse stadsschouwburg, aan het begin van de eindpresentaties van de summer school ‘Thinking City’. Via een Skype-verbinding weliswaar, want hij bleek te moe om te reizen. Sennett is 71 jaar. Vanuit zijn Londense werkkamer sprak hij over zijn nieuwste boek, dat nog moet verschijnen: Open City. De socioloog, auteur van boeken als ‘The Fall of Public Man’, ‘The Craftsman’ en ‘Together’, maakt zich grote zorgen over de huidige mondiale verstedelijking. Sinds de Tweede Wereldoorlog bouwen wij onze steden helemaal verkeerd, dat wil zeggen op een bureaucratische wijze, te rigide, in te grote eenheden, met gescheiden functies, in veelal geïsoleerde campussen, met gated communities, een planning die teveel top-down is, alles vanuit omvattende masterplannen. Dit levert ons geen leefbare steden op. Zelfs Silicon Valley, waar iedereen van droomt, vond hij veel te ‘smooth‘. Sennett noemde onze moderne steden ‘gesloten steden’, nee ‘frozen cities’.

De slums die overal in Azië, Afrika en Zuid-Amerika verschijnen hebben van dit alles juist te weinig: geen structuur, weinig overheidsbemoeienis, te zeer bottom-up. Ook zij zijn daardoor onleefbaar. Ergens gaat iets helemaal mis. Sennett noemde het voorbeeld van Shanghai, waar hij veel onderzoek heeft gedaan: die metropool is simpelweg niet leefbaar. Wat nodig is, zei hij, is meer anarchisme. Theoretisch is het probleem vooral dat planners, managers en bestuurders telkens weer streven naar stabiliteit. Echter, stabiele complexe systemen zijn dood-in-de-pot, het levert bevroren toestanden op; je moet juist streven naar een dynamisch evenwicht met voldoende ruimte voor bottom-up initiatieven. Zeker, de vorm van de stad is cruciaal. Maar moderne architecten willen hem beheersen en liefst bevriezen. De vorm moet juist aansluiten bij de telkens veranderende behoeften van de samenleving. Sennett noemde het voorbeeld van scholen in Londen die samen met de gebruikers werden ontworpen; mensen konden kiezen uit verschillende alternatieven. Gebruikers en omwonenden bleken veel intelligenter en redelijker dan door de experts gedacht. Sennett vond het hierna genoeg. Het gesprek had een half uur geduurd. Daarna volgden de eindpresentaties van de zestig deelnemers aan de summer school. Een mooier programma was nauwelijks denkbaar.

Tagged with:
 

Mars der Beschaving

On 15 juli 2014, in internationaal, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant V zomer #1 van 12 juli 2014:

 

Zomaar wat zomeraantekeningen. Sociaal-geografen Fenne Pinkster en Wouter van Gent schreven afgelopen zaterdag in Het Parool een ingezonden brief over onvrede in Amsterdam. Ook in nette buurten zou ‘een breed gedragen onvrede’ heersen. De onderzoekers van de UvA schetsen processen van ’schaalvergroting’ en ‘neoliberalisering’. De afstand tussen buurtbewoners en publieke instanties is volgens hen afgenomen, de bibliotheek is samengevoegd en bevindt zich elders in het stadsdeel, de wijkagent zit verder weg, buurtbeheerders van corporaties hebben nog maar één keer in de week spreekuur in plaats van een kantoortje op locatie. Proteststemmen van de buurtbewoners moeten anders worden gelezen, aldus Pinkster en Van Gent: het zijn stemmen vóór meer bescherming en behoud van voorzieningen. Ze noemen het ‘een Mars der Beschaving’.

Het andere artikel las ik diezelfde zaterdag in De Volkskrant. Arie Haan is trainer in China. Zijn voetbalclub bevindt zich in Tianjin aan de oostkust, een stad van 7 tot 8 miljoen inwoners, eigenlijk de aanvoerhaven van Peking. Zelf woont Haan in Peking, ruim 100 kilometer verderop, dat is een metropool van twintig miljoen inwoners, hij woont er op de zestiende verdieping van een flat in het centrum. Dagelijks gaat hij met de kogeltrein op en neer, daar doet hij een half uur over. "Net als nagenoeg elke andere stad in dit land zie je overal vernieuwing. Alle oude wijken, de hutongs, gaan plat." Over Peking zegt hij: "Toen ik hier voor het eerst kwam wonen, zat ik in een compound met alleen maar buitenlanders, volledig afgeschermd van de rest van de stad. Je moest een pasje hebben om binnen te komen. Nu zit ik in een buurt die wat meer gemengd is." Toch voelt Peking als een dorp: je komt elkaar tegen in San Li Tun, de uitgaanswijk. Veel vrienden zijn vertrokken, naar Singapore, Australië, Zuid-Afrika. Dit is de stand van zaken. Zo zit de wereld op dit moment in elkaar. Ik wens u allemaal een goede vakantie.

Tagged with:
 

Coevolution

On 14 juli 2014, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam Noord op 11 juli 2014:

AESOP staat voor Association of European Schools Of Planning. Hun jaarcongres was dit keer in Utrecht. Er namen zo’n duizend wetenschappers uit heel Europa aan deel. Thema: ‘From Control To Coevolution’. Planning gaat niet meer top-down, maar vereist samenwerking tussen vele partijen. Zoiets. Tijdens de derde dag waren er een een achttal Mobile Tracks georganiseerd door en in Nederlandse steden. Een van die steden was Amsterdam. Koen Raats, Rick Vermeulen en ondergetekende ontvingen als vertegenwoordigers van de Universiteit van Amsterdam ruim honderd deelnemers afgelopen vrijdag in de hoofdstad, om precies te zijn op de noordelijke IJ-oevers. De reis door Amsterdam Noord begon op de NDSM, gevolgd door een wandeling naar de Buiksloterham, we eindigden bij de Tolhuistuin. Op elk van de drie locaties stonden telkens drie mensen gereed: een planner, een gebruiker en een wetenschapper. Na een korte introductie konden de AESOP-leden vragen aan hen stellen. Zo ontstond een levendige gedachtenwisseling over planning, deels theoretisch, deels praktisch, vaak heel persoonlijk, steeds vanuit sterk verschillende perspectieven.

Soms waren de vragen feitelijk, maar de meeste vragen gingen over de gevolgde werkwijze, geen ging over het waarom. Wat de Europese wetenschappers vooral bezighield was de wijze waarop in Amsterdam tussen al die partijen, in al dat overleg, telkens weer overeenstemming werd bereikt, hoe plannen voortdurend veranderden, geld werd gevonden, begrip werd opgebracht, voortgang geboekt, kortom hoe telkens weer de flexibiliteit werd gevonden en de harmonie bewaard. Hoe zat het met het risicomanagement? Was dat er niet? Steeds werd gerefereerd aan de Nederlandse planningscultuur die zo sterk ontwikkeld is en die de soepele samenwerking tussen al die partijen in al die wisselende omstandigheden kennelijk mogelijk maakt. Een hoogleraar uit Cyprus vond de werkwijze Zuid-Europese trekjes krijgen. Anderen vonden de gang van zaken waarbij de gemeente samen met de bewoners de straat ontwierp een regelrechte luxe. Een planner uit Griekenland wist het zeker. Helemaal op het einde van de dag, op de binnenplaats van A-Labs op Overhoeks, vatte ze het samen: jullie in Amsterdam hebben de grond in handen. Vanuit die sterke positie kunnen jullie het je veroorloven co-evolutie te bedrijven, anders was dit heus niet mogelijk geweest. Het was niet: From Control to Coevolution, maar: Control ànd Coevolution. Zoiets, zei ze, is alleen in Amsterdam mogelijk.

Tagged with:
 

Under your nose

On 12 juli 2014, in kunst, sport, by Zef Hemel

Gehoord op 9 juli in het Hilton Hotel in Amsterdam:

Twee bijzondere mensen, twee geweldige, vergelijkbare initiatieven. Cyntha van Heeswijck begon Art Zuid, Abdelkader Benali initieerde de Groene van Amsterdam. Afgelopen mei werd voor de eerste keer zijn marathon gelopen, door Amsterdam Nieuw West. Benali is schrijver en hardloper. Zijn studio bevindt zich achter Osdorp. Zelf loopt hij rondjes om de Sloterplas. Benali in een interview in NRC Handelsblad: "Ik loop hier zelf hard en dacht: je zou hier vrij gemakkelijk een loop kunnen organiseren. De infrastructuur is geschikt; brede, rustige paden. Veel groen. Daarbij verdient deze buurt het ook." Zijn parcours voerde langs Sloterplas, Nieuwe Meer en door de Tuinen van West. Ruim 330 sympathisanten boden hem geld, waardoor hij de vereiste 15.000 euro voor vergunningen, dranghekken, politie-inzet en registratie van rentijden kon betalen. Alles werd gecrowdfunded. Benali: "Het past bij het utopische van Nieuw-West. Bij nul beginnen." Op 11 mei was de eerste marathon een feit. Er liepen zeker 2.000 mensen mee.

Cyntha van Heeswijck deed hetzelfde in Amsterdam Zuid. Afgelopen week sprak ze in het publieke lezingenprogramma van summer school ‘Thinking City’ in het Hilton Hotel aan de Apollolaan. Zes jaar geleden, vertelde ze, begon ze Art Zuid, een vier maanden durende beeldententoonstelling in de openlucht in plan Berlage. Met zestig vrijwilligers en een budget van 7 tot 8 ton organiseert deze juriste sindsdien om de twee jaar de grootste tijdelijke beeldententoonstelling van Nederland, telkens bestaande uit zeventig nieuwe sculpturen. De centrale assen van Apollolaan en Minervalaan vormen het hart. Afgelopen jaar trok Art Zuid 350.000 bezoekers. Ze prees het plan Berlage, de schitterende architectuur en ze vertelde hoe bezoekers door de tentoonstelling ook de architectuur en de stedenbouw van Amsterdam Zuid waren gaan zien en waarderen. Twee bijzondere initiatieven van twee bijzondere personen. Twee initiatieven die maximaal gebruik maken van de stedenbouwkundige kwaliteiten van hun stadsdeel, binnen en buiten de ring, alles tijdelijk, alles ’slechts’ programma, maar met een enorme uitstraling. Benali heeft gelijk: "It’s under your nose."

Tagged with:
 

Gehoord op 7 juli 2014 in de Academie van Bouwkunst Amsterdam:

Wat heeft Evert Verhagen zoal geleerd tijdens de bouw en ontwikkeling van de Westergasfabriek in Amsterdam? Veel, heel veel. In het publieksprogramma van summer school ‘Thinking City’ sprak hij voor een stampvolle zaal over zijn recente werk in Amsterdam. In 2004 kwam het culturele complex aan de Ponceaukade eindelijk gereed. Er was veel aan voorafgegaan. Verhagen was indertijd gemeentelijk projectmanager. De twaalf hectare vervuilde grond onder de oude gasfabriek werd in 1992 door de gemeente verworven, moest eerst worden schoongemaakt, de historische gebouwen gered, een nieuw park ontworpen, en steeds was er ongeloof en geldgebrek. Verhagen begon daarom met het tijdelijk programmeren van de oude gebouwen. Want wat de krakers konden, dat kon hier ook. Cultuur kreeg van hem volop de ruimte. Dat programmeren deed hij vijf jaar lang. Daardoor begon er iets te veranderen; mensen ontdekten het gebied, ze vonden de gebouwen steeds mooier, er kwam geld. Een programma, zei hij, is veel belangrijker dan de architectuur. Pas na het programmeren startte hij met plannen maken. In die lange periode van transitie viel er, aldus Verhagen, het meeste te leren. Dat was ook zijn belangrijkste les: tijdens transities gebeurt het, dan moet je goed opletten.

Transformaties zijn moeilijk en zwaar. In het begin is er helemaal niets, en niemand gelooft je. Maar plekken maken waar jonge mensen elkaar ontmoeten, wist Verhagen, zijn hard nodig in een grote stad. Dus hield hij moed. Alles, zei hij, draait om mensen. Ook voor de programmering gaat het om het vinden van de juiste man of vrouw. Zijn of haar netwerk van vrienden en relaties is namelijk cruciaal. Elke stad moet hierin investeren. Als nieuwste voorbeeld gaf Verhagen het voormalige abattoir in Casablanca, Marokko, waarbij hij als adviseur ook betrokken is. De Afrikaanse stad telt vijf miljoen inwoners, de meeste ervan zijn jong. Toch valt er weinig tot niets voor hen te beleven. In de abattoirs – L’Batoir – worden nu voorstellingen gegeven, een tijdelijke culturele programmering voedt de wens van een nieuw centrum in het hart van de metropool. Dat gaat er ook komen. Elke stad in de wereld, aldus Verhagen, kan het. Elke stad verdient het. Het gaat om de jonge mensen, om groot talent, van rond de dertig. Die verhuizen gemakkelijk. Die moet je aan je binden. Goed programmeren is daarvoor cruciaal.

Tagged with:
 

Normaal

On 9 juli 2014, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Influence of Bike Share Systems on Cycling Behavior’ van Seth Lowe:

Deze week studeerde de Amerikaanse planoloog Seth Lowe af aan de Universiteit van Amsterdam op een studie naar fietsdeelsystemen in een aantal grote steden. Marco te Brömmelstroet was zijn begeleider. De gehanteerde systemen in Parijs, Rome, Melbourne en Barcelona vergeleek Lowe met elkaar. Alle vier ‘bike share systems’ vormen derde generatie-deelsystemen die door GPS-technieken voldoende vandalismebestendig zijn. De oudste zijn die van Parijs en Barcelona (2007), de jongste is die van Melbourne, Australië (2010). In zijn onderzoek richtte hij zich met name op de karakteristieken van de gebruikte fietsen. De steden koos hij om verschillende fietstypen te evalueren. Welk fiets wordt door de meeste gebruikers geprefereerd? Bijna tweehonderd personen in de vier steden interviewde hij, die hij eenvoudig kon bereiken via Facebook en Twitter. Aansluitend interviewde hij nog achttien fietsreparatiewinkels en fietsexperts in de vier steden. Wat bleek? Vrijwel iedereen wil het liefste een gewone stadsfiets van het Nederlandse type. Dat was opmerkelijk, want veel partijen meenden dat deelfietsen ultramodern en juist sportief moeten zijn.

Toch is het logisch. In het algemeen bleek dat gebruikers van de fietsdeelsystemen vooral willen dat fietsen als activiteit in hun eigen stad gewoon, normaal, wordt. Lowe: "that respondents want to seem as ‘normal’ als possible." Sterker, hun diepste verlangen is dat via de fietsdeelsystemen steeds meer mensen, net als zij, zullen gaan fietsen en dat niemand meer opkijkt als ze een fietser tegenkomen in het verkeer. Afwijkend fietsgedrag en uitgesproken fietsuitrusting (helmen) worden daarom ook niet gewaardeerd. Men wil geen subcultuur of sekte lijken. "There was a general consensus that the bikes used in different systems should stand out and be identifiable but in a tasteful way that represents the city." De geïnterviewden in alle vier steden verkozen het type fiets dat gebruikt wordt in Rome boven alle andere. Dat is overigens het fietstype in het slechtst presterende fietsdeelsysteem van alle vier steden, al schijnt Turijn, waar hetzelfde type fiets wordt gebruikt, wèl succesvol te zijn.

Tagged with:
 

Dynamische agglomeraties

On 8 juli 2014, in economie, ruimtelijke ordening, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in De Balie, Amsterdam, op 2 juli 2014:


In De Balie aan het Kleine-Gartmanplantsoen in Amsterdam vond afgelopen week – in besloten kring – een gedenkwaardig beraad plaats van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing. Ruim twintig betrokkenen spraken onder leiding van Yoeri Albrecht over de toekomst van Nederland. Onderwerp: toenemende ruimtelijk-economische verschillen tussen stedelijke regio’s. Taco van Hoek, directeur van het Economisch Instituut voor de Bouw, was een van de inleiders. Hij toonde drie LT-scenario’s voor ons land, een van sterke groei (Dynamische agglomeraties), gemiddelde groei (Evenwichtige groei) en geringe groei (Ruimtelijke segregatie). Er komen nog een miljoen huishoudens bij, zei hij, dus gebouwd zal er moeten worden. In alle drie scenario’s is ook nog sprake van welvaartsgroei, maar door de stijgende zorguitgaven en de vergrijzende bevolking zal veel van die groei weer worden tenietgedaan. Alleen in Dynamische agglomeraties zal Nederland nog in welvaart sterk blijven groeien.

Arbeidsaanbod, aldus Van Hoek, wordt key. In plaats van bedrijven aan te trekken, zullen steden en regio’s hun inspanningen in toenemende mate moeten gaan richten op mensen, om hen te paaien vooral te blijven. In twee van de drie scenario’s zal het arbeidsaanbod namelijk sterk krimpen. Vooral in bepaalde regio’s zal krimp optreden, daar staat de beroepsbevolking nu al onder druk. In scenario Ruimtelijke segregatie zal zelfs de helft van de Nederlandse regio’s gaan krimpen (sic!). Hij voorspelde daarom de komende jaren ‘een slag om het arbeidsaanbod’. De woningmarkt zal hiervoor zeker worden gebruikt. Drukgebieden als Amsterdam en Utrecht zullen volgens hem veel meer moeten bouwen, maar de rest van het land zal het ook willen, bang als het is om arbeidskrachten te verliezen. Er komt dus hevige concurrentie. De noordelijke Randstad, zei hij, zal daarom veel minder restrictief ruimtelijk beleid moeten gaan voeren, om lagere grondprijzen te forceren. Anders verliest het mensen aan krimpregio’s. Want een tegenbeweging sluit hij niet uit: van mensen die Amsterdam en Utrecht gewoon te duur vinden en elders neerstrijken. Het roer moet daar dus om, bij Amsterdam. En snel ook. Gebeurt dit niet, dan raakt straks alles ruimtelijk gespreid en krijgt Nederland geen scenario Dynamische agglomeraties. Dan krijgen we, als totaal, ook veel minder economische groei.

Tagged with:
 

Organisch

On 6 juli 2014, in planningtheorie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Urban Peripheries’ (2014) van Federico Savini:

Afgelopen week promoveerde Federico Savini aan de Universiteit van Amsterdam op de planning van de grootstedelijke periferie in een aantal Europese metropolen. Zijn invalshoek: de politieke dilemma’s die planners tegenkomen als ze gemeentegrensoverschrijdend, ver buiten het centrum van de kernstad, onbestemde gebieden willen ontwikkelen. Hij vergeleek situaties in de randen van Parijs, Milaan en Amsterdam met elkaar. In Parijs betrof het de Noordoostzone, in Milaan het zogenaamde Falck-project in het noorden, in Amsterdam de planning van het Zaan-IJ-gebied. Het is een knap werkstuk geworden over spanningen, dilemma’s en opgaven die planners in deze gebieden zoal ontmoeten. Maar zijn onderzoek gaat zeker ook over experimenten en "the emergence of a new urban agenda for border areas." Want in de randen, daar vinden dikwijls de vernieuwingen plaats.

Wat me in de analyse echter stoorde was de wijze waarop Savini de experimenten met name in Amsterdam omschreef. In ‘Urban Peripheries’ vatte hij ze samen als ‘organic‘ en dat is terecht, maar de manier waarop hij die organische planning vervolgens in de tekst typeerde vond ik overwegend negatief geformuleerd. Het betreft hier volgens hem "an ill-defined project with uncertain outcomes, with no unitary agenda, no strong investments on border areas." Verderop heeft hij het over "misalignment between emerging agendas and the growth strategies," onzekerheid over beleidslijnen ook, "unclear socio-economic and territorial strategies" en "lack of proactive market actors." Dat zijn kwalificaties waar je niet vrolijk van wordt. Terwijl organisch zoveel wil zeggen als: een schitterende totaalvisie (Structuurvisie 2040) enerzijds en heel klein beginnen anderzijds, geleidelijke groei, leren, veranderen, transformeren. Het is: Natura Artis Magistra. Hoe meer planners de natuurwetten eerbiedigen, hoe beter en succesvoller hun werk. Savini: "Het woord ‘piecemeal planning’ heb ik willen vermijden." Organisch staat toch niet gelijk aan piecemeal?

Tagged with:
 

People-oriented planning

On 3 juli 2014, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in Rooilijn nr.2 2014:

Patsy Healey is Brits planoloog, emeritus-hoogleraar planning aan Newcastle University en auteur van ‘Making Better Places. The Planning Project in the Twenty-First Century’ (2010). Ik ontmoette haar in 2005, toen ze in Amsterdam was voor onderzoek in verband met het schrijven aan haar boek. Amsterdam is een van de steden die prominent in ‘Making Better Places’ figureren. In het tweede nummer van Rooilijn van dit jaar – het tijdschrift van de planologen van de Universiteit van Amsterdam – verscheen zowaar een interview met de ‘grand dame’, opgetekend door Thijs Koolmees, Marije Koudstaal en Stan Majoor. In ‘Puzzling towards people-oriented planning’ vertelt ze over de nieuwste ontwikkelingen in de ruimtelijke planning die ze als professional ontwaart sinds het verschijnen van haar theoretische boek: deze ruimtelijke planning wordt, althans in Europa, steeds lokaler, speelt zich hoofdzakelijk af op stedelijk niveau, en houdt meer en meer rekening met de wensen en ideeën van gewone mensen.

Healey ziet overigens tegenstrijdige ontwikkelingen. De Britse regering predikt weliswaar ‘The Big Society’ en ‘localism‘, maar centraliseert ondertussen bijna alles. "This is because it does not know any other way to act." In werkelijkheid ontwaart ze een implosie van het politieke systeem op nationaal niveau, waarbij rijksambtenaren kennis en vaardigheden verliezen, terwijl steden steeds krachtiger worden en de institutionele leegte vullen. Maar ook stedelijke autoriteiten hebben volgens haar de neiging te centraliseren en door bezuinigingsdrang hun kennis overboord te zetten. Healey: "If you look at the big local authorities, they are so trapped in all the procedures they have to follow that it is very hard to loosen up from all of that, in order to take initiatives like we did." Blijft over de lokale gemeenschap. Gewone mensen, stelt Healey, denken op verschillende schalen, beschikken over veelsoortige kennis, kunnen door samen te werken heel veel bereiken. Ze noemt het opvallend dat zoveel op hele kleine schaal geregeld kan worden en dat er zo weinig buurtoverstijgende coördinatie nodig is. Op buurtniveau begint dus de nieuwe planning. Een representatieve democratie moet je natuurlijk niet weggooien, zegt ze, maar alleen maar eens in de vier jaar je stem uitbrengen is volgens haar de bottom line. "I think it is about building another kind of democracy."