Zorg om burgerschap

On 24 februari 2017, in onderwijs, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 21 februari 2017:

Afbeeldingsresultaat voor geert ten dam amsterdamlezing

De eerste Amsterdamlezing van dit jaar werd gehouden door Geert ten Dam, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Ten Dam, die tevens kroonlid is van de SER, voorzitter van het College van Bestuur van de UvA en tot eind 2014 voorzitter van de Onderwijsraad, behandelde burgerschapsvorming in het Nederlandse onderwijs. Burgerschap vond ze een uiterst belangrijk onderwerp – een onderwerp dat ze ook bewust breed opvatte: het actief meedoen aan de samenleving. Het is een aandachtsgebied dat teruggaat op een wet die tien jaar geleden in Nederland werd ingevoerd. Scholen dienen aandacht te besteden aan burgerschapsvorming, maar hoe ze dat precies moeten doen wordt door de wetgever helemaal vrijgelaten en de regering biedt ook geen ondersteuning. Die ruimte was het gevolg van de vrijheid van onderwijs, maar het helpt niet echt, aldus Ten Dam. Een eerste internationale vergelijkende meting in 2009 gaf bijvoorbeeld aan dat het met die burgerschapsvorming onder de Nederlandse jeugd slecht gesteld is. Ons land, zo zei Ten Dam, “bungelde helemaal onderaan”. Dit najaar zullen nieuwe gegevens bekend worden. Ze had er weinig vertrouwen in. Uit eigen onderzoek kwam naar voren dat de Nederlandse jeugd een steeds ‘plattere’ opvatting heeft over bijvoorbeeld het begrip ‘democratie’. Voor steeds meer kinderen staat die gelijk aan de meerderheid plus één.

Gevraagd of ze zich zorgen maakte, reageerde ze in eerste instantie ontkennend. Het was minder de slechte score die haar interesseerde dan het grote belang dat ze aan het onderwerp hechtte, zeker nu de grootstedelijke bevolking steeds heterogener wordt. Een vraag uit de zaal of mensen in achterstandswijken niet meer bezig zijn met overleven dan met burgerschap, begreep ze wel, maar bracht haar niet van haar stuk. Ook dat de scholen al zo zwaar belast zijn en dat leraren van 24 jaar soms klassen tegenover zich vinden van liefst 32 kinderen die de dag ervoor allemaal de aanslagen in Parijs hebben gezien, het deed niets af aan het feit dat met name scholen tot veel in staat zijn. Burgerschap vond ze nu eenmaal erg belangrijk; ze schatte de impact van een goede school op liefst twintig procent. Daarop roerden zich verscheidene medewerkers van met name twee Amsterdamse scholen. Eén school werkte actief aan burgerschapsvorming, de andere bewust niet. Wat me duidelijk werd is dat het niet gaat om een apart vak ‘burgerschapskunde’, maar dat in elk onderdeel van het curriculum elementen van het brede begrip van burgerschap aan de orde moeten komen. Het is, zei Ten Dam, aan de scholen zelf om dit intern te bespreken. Ze noemde de Academische Werkplaats die sinds ruim twee jaar in Amsterdam bestaat als plek waar wetenschappers en onderwijsmensen elkaar over dit soort kwesties kunnen spreken. Nog een tip uit de zaal: als leerlingen burgerschapsvorming goed kunnen duiden en de taal leren begrijpen vinden ze het vast niet meer saai.

Tagged with:
 

Manfred Bock 1943-2017

On 22 februari 2017, in geschiedenis, stedenbouw, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord op zondagavond 19 februari 2017:

 afbeelding Manfred Bock in de Droogbak, 1983

Zaterdag 18 februari 2017 overleed Manfred Bock, emeritus-hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. De in Hamburg geboren Bock, die in 1983 cum laude promoveerde op H.P.Berlage en de Beurs in Amsterdam, was een autoriteit op het gebied van klassiek historische onderzoek naar de moderne architectuur in Nederland. Begin jaren ’80 van de twintigste eeuw ontwikkelde hij tevens belangstelling voor de geschiedenis van de stedenbouw en zelfs van de ruimtelijke planning. Dat laatste was iets nieuws, dat zeker verband hield met zijn vriendschap met stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren (1897-1988), wiens archief Bock jarenlang bewerkte en met zijn team grondig onderzocht. Mijn eigen onderzoek naar de bijdrage van Van Eesteren aan de vormgeving van het landschap van de IJsselmeerpolders maakte deel uit van dit omvangrijke onderzoeksproject, dat door de Nederlandse staat werd gefinancierd. Bock was mijn promotor en leermeester. Van weinig mensen heb ik meer geleerd.

De belangrijke wetenschappelijk productie van Bock viel samen met de opleving van de Nederlandse architectuur, voorafgaand aan de episode-VINEX, zeg maar van begin jaren ’80 tot midden jaren ‘90. Dat was allerminst toevallig. Bock in Amsterdam en Ed Taverne in Groningen bliezen de latere bouwhausse aan met aansprekend historisch bronnenonderzoek. Na de Amsterdamse School en Berlage richtten de twee begin jaren ‘80 hun pijlen op het modernisme. De belangstelling voor het Nieuwe Bouwen, gewekt in een aantal schitterende tentoonstellingen die plaatsvonden in 1982 in vier Nederlandse musea, was vooral hun verdienste en zou een hele generatie jonge Nederlandse architecten blijvend inspireren. Het archief van Van Eesteren en andere archieven uit het ter ziele gegane Amsterdamse Documentatiecentrum voor de Bouwkunst stonden daarin centraal. Ons land zou er nu heel anders hebben uitgezien als deze twee grote wetenschappers in die periode niet zo productief waren geweest. Binnenkort, op 17 maart, opent er in het Amsterdamse Stadsarchief een tentoonstelling, getiteld ‘Een betere stad 1935-2017’, gewijd aan de realisatie van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam. Manfred Bock had zich geen mooier afscheidscadeau kunnen wensen.

Tagged with:
 

Gehoord van Hyeri Park op de Universiteit van Amsterdam op 20 februari 2017:

SMA_Urban Areas_1980.pngSMA_Urban Areas_2010.png

Source: Albert Han, University of Calgary

Met een eenvoudig vergelijkend schema gaf de Koreaanse stedenbouwkundige Hyeri Park in haar gastcollege op de Universiteit van Amsterdam het verschil aan tussen de Randstad en Seoul, de hoofdstad van Zuid-Korea. De eerste stelde ze voor als een regionale stad met een groen midden, de tweede als een metropool met een grootstedelijk centrum en een heuse groengordel. Beide groene ruimtes moeten de verstedelijking intomen. In Seoul werd de groengordel in 1971 door de militaire dictatuur ingesteld, op 15 kilometer afstand van het stadhuis, om vijand Noord-Korea op een veilige afstand te houden en een ruim schootsveld rond de stad te creëren. Buiten de groengordel is Seoul echter al die tijd gewoon door blijven groeien. In de jaren zeventig en tachtig haalde de hoofdstad groeicijfers van liefst 100 procent. Seoul, kortom, is een echte metropool die zich weinig aantrekt van welke planologische limitering dan ook. Zelfs dictators lukte het niet de stedelijke groei te bedwingen. De problemen die de rigide planologische maatregel hebben opgewekt zijn echter aanzienlijk. In Seoul heerst een enorme woningnood. Inwoners van Seoul leven opeengepakt, in een enorme dichtheid. Woningen tegen betaalbare prijzen zijn er niet. Alle goedkope buurten zijn geherstructureerd en inmiddels schreeuwend duur geworden.  Hyeri Park liet in haar presentatie zien hoe arme mensen in Seoul doorgaans wonen: weggedrukt, in cabines zonder ramen, achterin werkplaatsen en winkels, verstoken van licht en zuurstof, de meesten echter ver buiten de groengordel in de bergen.

In de jaren ‘90 werd 1424 km2 van de groengordel door de regering prijsgegeven, waarvan 153 km2 voor de uitbreiding van Seoul. Dat was echter slechts 1,3 procent van het totale oppervlak van de hoofdstad, dus een druppel op de gloeiende plaat. Deze bescheiden ingreep leidde onmiddellijk tot scheve ogen onder de grondbezitters in de groengordel die niet mochten uitbreiden. Sindsdien zijn er conflicten tussen de regering en de lagere overheden. Yehyuan An, een promovenda in planning, schreef er in 2015 een proefschrift over. Haar conclusie: “Taken as a whole, Seoul’s greenbelt policy is fundamentally inequitable. The policy was an authoritarian government’s top-down planning and an inoperable system from its birth.” Planners, schreef ze, zouden minder stringent moeten vasthouden aan de groengordel en moeten inzien dat er ook nog andere perspectieven zijn. Ook de Candese promovendus Albert Han schrijft op zijn blog over de grote maatschappelijke kosten van de Koreaanse groengordelpolitiek (Han, Albert T. 2016. “Evaluating the Urban Growth Management Policy: Greenbelt Relaxation Policy of Seoul Metropolitan Area of South Korea.”Journal of Planning Education and Research, submitted February 5th, 2016.) Zeker, voor een groene ruimte in de randen van de megapolis valt iets te zeggen, maar niet tegen elke prijs. De sociale kosten als gevolg van de stijgende grondprijzen en woningschaarste zijn aanzienlijk. Ook de reisafstanden als gevolg van de beschermende groenpolitiek zijn een grote last voor velen. Wat heet, het zeer dichtbebouwde Seoul is op dit moment niet alleen een van de grootste, maar ook een van de duurste steden op aarde. Hoe zit dat eigenlijk met dat Groene Hart en die stijgende grondprijzen in Amsterdam?

Tagged with:
 

Groei en krimp in China

On 18 februari 2017, in stedelijkheid, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in China City Planning Review nr 4 2016:

 

Mao Qizhi, Long Ying en Wu Kang onderzochten de recente veranderingen die optraden in de dichtheid van de bevolking in China aan de hand van twee bevolkingstellingen, die van 2000 en 2010. Ze publiceerden er onlangs over in China City Planning Review. In ‘Spatio-Temporal Changes of Population Density and Urbanization Pattern in China 2000-2010’ beschrijven ze een dynamiek van snel toenemende verdichting, zeg maar eentje van super-urbanisatie.  Townships met meer dan 4.000 mensen per vierkante kilometer telden in China in 2000 op tot in totaal 158,7 miljoen mensen; tien jaar later was hun aantal al gegroeid tot 230,9 miljoen. Townships met meer dan 1000 inwoners per kilometer telden in 2010 nog op tot 375,8 miljoen mensen; tien jaar later waren dat er al 516,2 miljoen. Vrijwel alle groei deed zich voor in en direct rond de allergrootste steden, en dan ook nog eens in de allerhoogste dichtheden. Townships met dichtheden van 1000 tot 2000 personen bleven daarentegen stabiel. In sommige delen van het land nam de bevolkingsdichtheid juist af.  De belangrijkste drie stedenclusters liggen in het oosten: de Pearl River Delta, de Yangtze River Delta en de Beijing-Tianjin-Hebei Region. De eerste twee hebben sterk de neiging om aaneen te groeien in een uniforme hoge dichtheid, dat geldt nog niet voor de derde.

In totaal onderscheidt het National New Urbanization Plan 2014-2020 van de Chinese centrale overheid, vastgesteld op 16 maart 2014, niet meer dan 21 stedenclusters. Hier moet de urbanisatie overwegend plaatsvinden. Dus naast de drie genoemde megasteden aan de oostkust gaat het om 18 ‘ontwikkelingsgebieden’. Met hun onderzoek stellen de auteurs vast dat Shandong schiereiland en Liaodong schiereiland in het oosten en Central Plains Economic Region en Chengdu-Chongqing region in het Midden-Westen inmiddels verdichte zones kennen die gunstig zijn voor metropoolvorming. De overige 14 ontwikkelingsgebieden zijn nog niet zover. Dichtheden blijven hier nog achter. “As for the other 10-20 key urbanization areas which are currently under discussions, the cultivation of market forces and the guidance of national planning are more necessary for orderly development to be important growth poles facilitating balanced spatial development in the future.” Hoe moeten we deze ontwikkeling begrijpen? Het totale oppervlak waarop 516,2 miljoen Chinezen leven beslaat niet meer dan 186.976 km2. Nederland, met zijn 17 miljoen inwoners, telt 41.500 km2. In China leven dus 516 miljoen mensen op een oppervlak dat niet groter is dan vier keer Nederland. Had men het Nederlandse verstedelijkingsmodel gevolgd, dan waren dat er niet meer dan 68 miljoen geweest. Nee, het Chinese model is veel stedelijker en ook veel duurzamer.

Tagged with:
 

Van onderop, maar gescheiden

On 17 februari 2017, in participatie, politiek, by Zef Hemel

Gehoord op de Universiteit van Amsterdam op 13 maart 2017:

Gerelateerde afbeelding

Wat de planning van Istanbul betreft, verwees historicus Hans Luiten in zijn gastcollege aan de Universiteit van Amsterdam naar het unieke mahalle-systeem dat de Turken na de verovering van Constantinopel in 1453 binnen de Romeinse vestingmuren instelden. Mahalles betroffen kleine woonbuurten van maximaal 2.000 inwoners die grotendeels zichzelf bestuurden. In totaal telde Istanbul in de vijftiende eeuw 219 van dergelijke mahalles. Ze ontwikkelden zich rond oude kerken en moskeeën. Vaak werden ze ook naar deze godshuizen vernoemd. Het systeem, dat al bestond in de Byzantijnse tijd, werd door de Turkse veroveraars dus verder uitgebouwd. Istanbul telde in 1453 overigens nog maar 200.000 inwoners, terwijl het in zijn gloriedagen na de stichting nog liefst 800.000 zielen had omvat. Krimp en teruggang waren het gevolg geweest van de verovering door stadstaat Venetië in 1204. Mahalles, die vaak ook over een eigen school en badhuis beschikten, konden Joods zijn, Armeens, Turks of Grieks. De islamitische Turken bleken behoorlijk tolerant; hun mahallesysteem zorgde ervoor dat religies en etniciteiten vredig samenleefden, alle in hun eigen buurten, autonoom, zichzelf besturend van onderop. Op deze manier raakte de multiculturele stad steeds dichter bevolkt.

In een artikel van Ilber Ortayli, verbonden aan de universiteit van Ankara, getiteld ‘The evolution of the spatial pattern of Istanbul’ (1996), las ik over hoe dit mahallesysteem ervoor zorgde dat op den duur extreem hoge dichtheden werden bereikt waarin verwante mensen met elkaar moesten samenleven. De meeste gebouwen waren bovendien van hout, waardoor voortdurend brandgevaar dreigde; sanitaire voorzieningenschoten schoten ernstig tekort. Dit alles zou later veranderen. Buiten de muren groeiden vanaf de negentiende eeuw de eerste buitenwijken rond voormalige dorpen of liever: hier vormden zich de eerste sloppenwijken. Ondertussen werd de stad zelf steeds meer uit steen opgetrokken. De informele sloppenwijken zouden in de twintigste eeuw de dominante vorm van verstedelijking worden, vooral toen bij het verval van het Ottomaanse rijk eind negentiende eeuw miljoenen Turken overhaast naar Istanbul vluchtten. Tot op de dag van vandaag vormen de gecekodu’s het dominante motief waarop de metropoolvorming onverminderd, nee sneller dan ooit, plaatsvindt. En het mahallesysteem functioneert ook nog steeds, dat wil zeggen in heel Istanbul heerst altijd nog een vorm van zelfbestuur, georganiseerd rond kerken, scholen en badhuizen, vanuit kleine buurten, maar wel gescheiden, zij het dat vrijwel alle mahalles nu door de islam worden gedomineerd.

Tagged with:
 

Metropolitane investeringsagenda

On 15 februari 2017, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gehoord van Hans Luiten op de Universiteit van Amsterdam op 13 februari:

 

Afbeeldingsresultaat voor istanbul gecekondu

Met name de geschiedenis van het twintigste eeuwse Istanbul, zoals verwoord door historicus Hans Luiten afgelopen maandag op de Universiteit van Amsterdam, bleek verhelderend. Na de vrijheidsstrijd die losbarstte na afloop van de Eerste Wereldoorlog transformeerde dictator, tevens vader des vaderlands Atatürk het moderne Turkije in een agrarisch land van overwegend dorpen. Boeren waren de Turken met het hoogste aanzien, niet stedelingen. Mensen werd zelfs verboden om naar het verre Istanbul te migreren; ze moesten op het platteland blijven wonen. Eind jaren dertig was Istanbul door de regering vrijwel opgegeven. Anders dan wat de Franse architect Le Corbusier de dictator midden jaren dertig suggereerde – het oude Istanbul als een museum bewaren en de rest afbreken en opnieuw in moderne stijl opbouwen –, koos Atatürk voor het plan van een andere Fransman, Henri Prost, die een aantal grote boulevards wilde aanleggen en daartoe delen van de binnenstad wilde afbreken. Echter, nog voordat zijn plan gereedkwam stierf Atatürk, in 1938.

Zijn naoorlogse opvolger Menderes koos in de Koude Oorlog voor de kant van de Verenigde Staten en wendde de Marshallgelden voor Turkije aan voor de modernisering van de landbouw, opnieuw niet voor de grote stad. De contouren van het plan-Prost werden alsnog gevolgd: brute doorbraken door de oude binnenstad. Ditmaal mochten de overbodig geworden landarbeiders wel naar Istanbul migreren. Vanaf de jaren ‘70 neemt deze toeloop van een straatarme plattelandsbevolking uit het oosten naar de verarmde en slecht onderhouden stad aan de Bosporus omvangrijke vormen aan. In de randen vormen zich uitgestrekte sloppenwijken, de zogenoemde gecekondu’s. Istanbul, dat op die toeloop totaal niet was berekend, groeit in korte tijd uit tot een metropool van liefst zes miljoen inwoners. Dertig jaar later is dit al gegroeid tot twintig miljoen, ze is een van de snelst groeiende steden op aarde. Deze beknopte geschiedenis toont opmerkelijke overeenkomsten met wat elders in de wereld in de twintigste eeuw gebeurde: platteland dat eerst door regeringen werd ontwikkeld ten koste van de stad. Dit gebeurde in de Sovjet Unie, in de Verenigde Staten en in alle Europese landen, Nederland niet uitgezonderd. Uiteindelijk  won toch de metropool, ook al was er in de grote stad decennialang niet of nauwelijks geïnvesteerd. Nog altijd worstelen de grootste steden met een achterstand in infrastructurele investeringen. De afkeer van de metropool zit diep.

Tagged with:
 

Geschiedenis van een metropool

On 13 februari 2017, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gehoord op 13 februari op de Universiteit van Amsterdam:

Gerelateerde afbeelding

Het gastcollege van Hans Luiten, historicus, in het bachelor-programma Cities in Transition aan de Universiteit van Amsterdam was bijzonder. Luiten, die twee uur lang zeer boeiend sprak over Istanbul, schilderde als een echte historicus de bewogen geschiedenis van een stad die sommigen als westers, maar de meesten als oosters typeren. Gesticht door keizer Constantijn, ontwikkelde de Romeinse stad aan de Bosporus zich tot een van de grootste steden ter wereld. Tijdens de val van Rome telde ze al meer dan 800.000 inwoners, allen dicht opeengepakt levend binnen de Romeinse vestingmuren. Daarna werd ze onder de voet gelopen door de Turken uit Centraal Azië, die het Ottomaanse rijk stichtten en de islam naar Istanbul brachten. Pas in de achttiende eeuw trad ze buiten haar omwalling en groeide ze door aan de overzijde van de Gouden Hoorn, in de buurt die bekend kwam te staan als Perá. Tot nog in de negentiende eeuw werd ze geteisterd door hevige branden, die de overwegend houten woningen gemakkelijk in vuur zetten. Het verval van het Ottomaanse rijk in de negentiende eeuw betekende opnieuw een kentering voor de stad. Een voorzichtig proces van modernisering zette in, met een eerste metroverbinding in 1871 en Duitse plannen voor stadsuitbreiding, maar in het tumult van de Eerste Wereldoorlog koos Turkije voor Duitsland, dus de verkeerde partij. Hard werd ze daarvoor gestraft door de Engelsen, Fransen en Russen. Istanbul dreigde in 1920 Russisch te worden. Atatürk voerde daarop een vrijheidsstrijd en moderniseerde het bevrijde Turkije met straffe hand. De hoofdstad verplaatste hij naar Ankara.

Wat in de twee uur college goed duidelijk werd, is dat Turkije de vernedering van 1918 nog steeds niet te boven lijkt en dat een terugverlangen naar het Ottomaanse rijk gemakkelijk weer de kop opsteekt. Ook de vijanden van weleer zijn opnieuw gevonden. Pas in de laatste tien minuten voerde Luiten president Erdogan ten tonele. Terwijl Istanbul explosief groeit naar een inwonertal van liefst 20 miljoen veelal arme mensen en de Turkse economie indrukwekkende groeicijfers vertoont, ontwikkelt de populaire leider van de AK Partij in een vreemde mengeling van neoliberale principes en islamitische grondwaarden  zijn megalomane toekomstvisioen voor Groot-Istanbul, met de grootste luchthaven ter wereld, een tweede verbinding met de Zwarte Zee, een derde brug over de Bosporus en een metropolitane expansie naar het noorden en oosten. Voor zijn achterban van hoofdzakelijk ‘Zwarte Turken’ bouwt ontwikkelaar Toki, die in handen is van de zoon van de president, goedkope hoogbouwflats in de binnenrand van de snel groeiende metropool. De waterreservoirs in de uitgestrekte wouden ten noorden van de stad worden ondertussen door wilde verstedelijking bedreigd. Wat van dit alles te denken? Ik vermoed dat de studenten nu eerst even op adem moeten komen.

Tagged with:
 

Celebration for Trump

On 10 februari 2017, in politiek, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 24 december 2016:

 Afbeeldingsresultaat voor celebration florida

Bij de laatste Amerikaanse presidentsverkiezingen stemden de 10.000 inwoners van Celebration, Florida, in grote meerderheid op Donald Trump. Dat was, zacht gezegd, opmerkelijk. Celebration, onder de rook van Orlando, werd immers nog maar twintig jaar geleden ontwikkeld door het Disney concern als het menselijke antwoord op de slaapverwekkend en energievretende suburbs van Florida. De nieuwe stad, gegrondvest op de principes van New Urbanism, zou helemaal toekomstgericht zijn, met alle comfort en glasvezelkavels tot in ieder huis, maar zou tegelijk ouderwetse zekerheden bieden van groetende mensen op straat, een hond voor de deur, een veilig huis met een veranda, smalle straatjes, een binnenstad vol kleine winkels en een openbare school met kwaliteitsonderwijs, alles op loopafstand, kortom, een nieuwe traditionele hechte Amerikaanse gemeenschap in het hart van suburbaan Florida. Van die ambitie is niet veel van terecht gekomen. Het winkelcentrum staat deels leeg, de school is mislukt, de glasvezel is er nooit gekomen. Dat verklaart het boze stemgedrag.

In het kerstnummer van The Economist las ik over wat er is gebeurd met de openbare school van Celebration. Die werd ontwikkeld door onderwijsexperts van Harvard en John Hopkins University. Ze beloofden niet minder dan een revolutie in het openbaar onderwijs. Voor Amerikanen is schoolkeuze ongelooflijk belangrijk en de toegang afhankelijk van de postcode, dus wat Disney aan schoolvernieuwing beloofde trok vanaf het begin vele kopers van woningen in Celebration over de streep. De onderwijsexperts ontwikkelden een curriculum zonder examens, de klassen zouden worden gemengd, met kinderen van verschillende leeftijden die elkaar zouden helpen. Het was een mooi programma, maar het liep uit op een groot drama. Leerlingen presteerden slecht, er was geen controle, de ouders voelden zich buitengesloten. Ouders gingen zelfs met elkaar op de vuist. Sommigen verhuisden, anderen stuurden hun kinderen voortaan naar private scholen elders in Orlando. Hun plaats werd ingenomen door arme kinderen uit de omgeving. Rond Celebration ontwikkelden zich ondertussen de shopping malls, in een zee van uitgestrekte suburbs.  Zo moeilijk is dus nieuwe steden bouwen. Ook Disney lukte het niet. Overheden doen het wat dat betreft nog helemaal niet zo slecht.

Tagged with:
 

No free lunch

On 8 februari 2017, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The New Geography of Jobs’ (2012) van Enrico Moretti:

Afbeeldingsresultaat voor moretti geography of jobs

Deze week weer begonnen aan een nieuwe serie colleges over ‘Global City-Regions’ aan de Universiteit van Amsterdam. Het is zoals Enrico Moretti in 2012 al schreef: globalisering als gevolg van technologische innovaties aan de ene kant en localisering aan de andere kant lijken twee zijden van dezelfde munt. In ‘The New Geography of Jobs’ beschreef deze hoogleraar economie aan de University of California Berkeley hoe stedelijke regio’s als gevolg van globalisering steeds meer uiteenvallen in succesvolle en falende economieën. Je kunt het ook anders zeggen. Hoe verder de globalisering voortschrijdt, hoe meer succes afhangt van het lokale. “More than ever, local communities are the secret of economic success.” Urbanisatie en globalisering, ze horen bij elkaar. Dat is niet minder dan een paradox. Onderwijs en onderzoek zijn daarin cruciaal. Maar, zo laat Moretti zien, een universiteit in jouw stad vestigen is zeker niet genoeg. En een ‘coole’ stad maken met veel restaurants en uitgaansgelegenheden helpt evenmin. Berlijn is hip, maar blijkt geen banenmotor, integendeel. Seattle was nooit hip, maar werd uiteindelijk een economisch trekpaard van jewelste. Waarmee Moretti maar wil zeggen: op wat Richard Florida beweert – zet in op wat een creatieve klasse aantrekt – valt veel af te dingen.

Pas wanneer een veelzijdig cluster zich heeft gevormd in een ‘dikke’ arbeidsmarkt, begint een universiteit of onderzoekscentrum werkelijk bij te dragen. Cornell en Yale domineren de rankings van beste universiteiten ter wereld, maar voor de economieën van New Haven en Ithaka betekenen zij vrijwel niets. Pas in echte grote handelssteden gevestigd, kunnen universiteiten iets toevoegen aan innovatie en de regionale arbeidsmarkt. Universiteit Twente, met andere woorden, helpt Hengelo en Enschede niet echt vooruit. Ook Washington University in St Louis is weliswaar een erg goede universiteit, maar desondanks krimpt de stad. De University of Washington in Seattle daarentegen is minder goed, maar draagt wel sterk bij aan de vernieuwende economie van deze groeiende stad aan de westkust van Amerika. Trouwens, in New York hebben de meeste hoogopgeleiden niet in de eigen stad gestudeerd, maar komen van elders. Moretti relativeert zelfs het belang van Stanford voor Silicon Valley. Regionale fondsen en industriepolitiek, ze werken niet. Dus wat helpt wel? Door mensen in achtergebleven buurten van de grote steden scholing en goed onderwijs te bieden begint er iets te stromen. Salarissen gaan omhoog, welstand wordt gecreëerd, buurten raken gerevitaliseerd, gentrificatie maakt de zittende bewoners rijk. Het beweegt van onderop en het vraagt om kritische massa. De overheid kan dus wel degelijk iets doen. There’s no free lunch. Maar veel wat de overheid doet blijkt tevergeefs.

Tagged with:
 

Geen planning

On 1 februari 2017, in duurzaamheid, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Tokyo’s Urban Growth, Urban Form and Sustainability’ (2010) van Junichiro Okata en Akito Murayama:

 

Afbeeldingsresultaat voor tokyo 1950

Tot 1950 bestonden de uitbreidingen van Tokio, Japan, overwegend uit eengezinswoningen gebouwd in een zeer lage dichtheid, hoofdzakelijk bedoeld voor migranten van het platteland – aankomende middenklasse gezinnen. De woningen hadden vaak geen toilet, bezaten alleen een pomp voor grondwaterwinning. Deze eenvoudige behuizing strekte zich eindeloos uit langs diverse spoorlijnen die zich vanaf 1920 vanuit het stadscentrum ontwikkelden. Het heersende planningsysteem was op dat moment Duits, maar de wil om te handhaven was zwak. De razendsnelle suburbanisatie werd nog aangewakkerd door de grote aardbeving van 1923. Wat ik niet wist, is dat er in de twintigste eeuw ook in Japan plannen waren gesmeed om de groei van de hoofdstad met een groengordel te beteugelen. Het Tokyo Regional Greenbelt Plan dateert van eind jaren ‘30 en werd door aankoop van grond door de gemeente geëffectueerd. Na de Tweede Wereldoorlog verpachtte deze de grond bovendien aan boeren voor rijstteelt. Het plan werd in 1958 naar het voorbeeld van Londen nog aangevuld met voorstellen voor de bouw van nieuwe steden, maar die betroffen visies zonder middelen. Er kwam dus niets van terecht. Tokio groeide gewoon door.

In ‘’Tokyo’s Urban Growth, Urban Form and Sustainability’ speculeren Junichiro Okata en Akito Murayama over wat er zou zijn gebeurd als de Japanse planningsmachine in de twintigste eeuw professioneler was geweest. Hun opzienbarende idee is dat de huidige problemen in Tokio dan veel groter zouden zijn en ook dat Tokio dan niet zou zijn uitgegroeid tot de grootste megastad ter wereld. Waarom? Omdat de vele migranten die in de twintigste eeuw naar Tokio kwamen in dat geval zeker in illegale en informele nederzettingen zouden zijn beland, met minder dan minimale voorzieningen. Juist door de zwakke ruimtelijke planning kon Tokio organisch blijven groeien zonder dat de overheid limieten stelde en voorzagen de spoorwegmaatschappijen niet alleen in een goede ontsluiting en infrastructuur, maar ook in de benodigde basisvoorzieningen rond hun nieuwe stations. Al vanaf 1927 begint men met de aanleg van metro in de stad. Hierdoor is het autogebruik in Tokio slechts 9 procent (1998). Liefst 73 procent van de forensen maakt gebruik van het openbaar vervoer. Dankzij het ontbreken van goede ruimtelijke planning.

Tagged with: