Radicaal, incrementeel

On 30 januari 2015, in bestuur, duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De energieke samenleving’ (2011) van Maarten Hajer:

In Den Haag spreken ze al jaren over een nieuwe sturingsfilosofie. Een van de aardigste boekjes die de afgelopen jaren daarover zijn verschenen, is ‘De energieke samenleving’ (2011). Auteur: Maarten Hajer, in het dagelijks leven directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving te Den Haag. Het boekje gaat over een schone economie en hoe deze te bereiken. Hiertoe is een nieuwe planning nodig, aldus Hajer. Die nieuwe planning begint in de stad. En de kern van die andere, nieuwe planning is: gebruik maken van de creativiteit en het leervermogen in de stedelijke samenleving. Dat is een samenleving van mondige burgers met, aldus Hajer, “een ongekende reactiesnelheid, leervermogen en creativiteit.” Dus niet meer een overheid die lastige burgers corrigeert, maar een overheid die goed luistert en de samenleving mobiliseert. ”De vraag in dit rapport is, kortom, hoe de overheid de kracht van de energieke samenleving kan laten werken op de weg naar duurzaamheid.”

Hajer stelt dat het dikwijls blijkt te gaan om heel lokale belangen die gewone mensen vaak beter begrijpen dan hogere overheden en die op zichzelf weer vrij eenvoudig te koppelen zijn aan mondiale vraagstukken zoals voedselveiligheid en klimaatverandering. Begin dus op lokaal niveau, is zijn devies. Van onderop kunnen vervolgens weer nieuwe beelden ontstaan met regionale identiteiten, passend in een groter geheel. Wat Hajer in het boekje voorstelt is een vorm van ‘radicaal incrementalisme’ waarbij het Rijk duidelijke doelen stelt, zijn bevoegdheden decentraliseert , zijn data met iedereen deelt en verder vooral partijen ondersteunt en helpt. Hajer: “Met een duidelijke stellingname kan de overheid veel energie mobiliseren wanneer zij zich erop richt de grote publieke uitdagingen te koppelen aan de directe leefomgeving van de burger.” Midden in die omslag zitten we nu. Er moet nog veel meer worden gedecentraliseerd, geluisterd en geholpen. Ziedaar ook de nieuwe Agenda Stad van het Nederlandse kabinet. Alleen, datzelfde moeten de steden doen: duidelijke doelen stellen, decentraliseren, luisteren en helpen. Over een week begint in Amsterdam aflevering 4 van De Nieuwe Wibaut, de praktijkleergang met een nieuwe sturingsfilosofie voor gemeenteambtenaren. Radicaal, incrementeel.

Tagged with:
 

Go with the flow

On 29 januari 2015, in economie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Agglomeratievoordelen en de REOS’ van Roderik Ponds en Otto Raspe:

Figuur 3: Grondwaardesurplus meet baten van lokale investeringen in de stad van Moe Green

REOS staat voor Ruimtelijk-Economische Ontwikkelingsstrategie. Het betreft een nationale strategie-in-wording. Het Planbureau voor de Leefomgeving en Atlas voor Gemeenten schreven samen een position paper hiervoor. Dat gaat over agglomeratievoordelen. Agglomeratievoordelen zijn voordelen die je hebt als je elkaars nabijheid zoekt. Die voordelen lijken sterk te groeien. Hoe kan je daar maximaal van profiteren? Aanleiding is de discussie die door de OESO vorig jaar is aangezwengeld. De Nederlandse economie, schreef deze Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, mist grote kansen omdat ons land onvoldoende van agglomeratievoordelen profiteert. Waarom? Omdat onze steden te klein zijn. Waarop vakgenoten direct voorstelden het gebrek aan agglomeratievoordelen te ondervangen door snellere verbindingen te maken tussen de steden en de steden zelf bij elkaar ‘leentje buur’ te laten spelen. Die strategie heet ‘borrowed size’. Het voorstel gaat ervan uit dat  onze steden niet zullen groeien. Wat zeggen het Planbureau en Atlas voor Gemeenten?

Agglomeratievoordelen, aldus de onderzoekers, kun je in Nederland op twee manieren vergroten: door in te zetten op de groei van één grote stad of door de bestaande polycentrische structuur als uitgangspunt te nemen en de regio’s beter met elkaar te verbinden. De Haagse departementen kozen met REOS voor de tweede optie en vroegen de onderzoekers voor die ‘borrowed-size’ strategie voorstellen te doen. Alsof er iets te kiezen valt. Maar wat constateren de onderzoekers? Zij stellen vast dat agglomeratievoordelen zich op een veel lager schaalniveau voordoen dan gedacht. Die doen zich vooral voor op het niveau van de stad en haar directe omgeving. Meer infrastructuur tussen de stedelijke regio’s is duur en levert weinig op. De steden moeten zich ook niet specialiseren, maar juist grotere diversiteit nastreven. ‘Go with the flow’, zou de strategie moeten zijn. Dus niet geforceerd agglomeratievoordelen stimuleren, maar belemmeringen voor groei wegnemen. Anders gezegd, in hun position paper adviseren de onderzoekers het Rijk om af te zien van haar voornemen om voor polycentrische oplossingen te kiezen en in plaats daarvan de grote steden verder te laten groeien. Mits ze groeipotentie hebben, dat wel, dus niet geforceerd.

Tagged with:
 

Almere buitenwijk

On 28 januari 2015, in stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Almere deze week’ van 21 januari 2015:

schaalsprong almere

Afgelopen week Hogeschool Windesheim Flevoland bezocht. Men vroeg mij een bijdrage te leveren aan het nieuwe Honours Programma New Towns. Dat gaat in september 2015 van start. Windesheim Flevoland is gevestigd in het centrum van Almere, groeit snel en verzorgt inmiddels al 18 opleidingen aan meer dan 1600 studenten. In het Honours Programma zal met de gekwalificeerde studenten afkomstig uit diverse studierichtingen gezocht worden naar samenhang tussen de verschillende perspectieven voor nieuwe steden als Almere en Lelystad. De nieuwe steden zijn niet organisch gegroeid, maar op de tekentafel gepland. “Internationaal gezien worden deze steden bewonderd om hun vermogen om nieuw land te scheppen en voor hun vermogen om in een kort tijdsbestek zoveel nieuwe woningen te bouwen, met de nodige infrastructuur en voorzieningen.”  In het programma moeten de studenten zich uitspreken over de maakbaarheid van Almere. En vooral: “Maar zijn deze verzamelingen huizen inmiddels ook steden?”  Mij is gevraagd om de studenten iets te vertellen over trendanalyses en toekomstscenario’s.

Onderweg naar de school onderschepte ik in het winkelcentrum een editie van ‘Almere deze week’, nummer 4, 21 januari 2015. Het gratis huis-aan-huisblad wordt in een oplage van 84.525 exemplaren verspreid. Op pagina 7 viel mijn oog op de kop ‘Almere is eigenlijk geen stad’. Geciteerd wordt de architect Jerome Adema, die voorrekent dat Almere de kwalificatie ‘stad’ niet verdient. “Hoewel Almere qua oppervlakte groter is dan Amsterdam, heeft Almere niet alleen veel minder inwoners, maar wonen die ook minder stedelijk.” In Amsterdam, rekent Adema voor, wonen gemiddeld 6.000 mensen op een vierkante kilometer. In Almere is dit 1.500.  Hoofddorp telt 4.000 mensen per vierkante kilometer. Zelfs in Almere Stad is de dichtheid niet meer dan 3.500 inwoners per vierkante kilometer. In het centrum van Amsterdam is dat 12.909 inwoners.  De dichtheid van het centrum van Almere, aldus Adema, is even hoog als die van een buitenwijk van Berlijn. “Voor een centrum van een stad verwacht je dat eigenlijk niet. En zeker niet voor een stad die bij de vijf grootste van Nederland wil horen.” Adema telt inwoners, niet bezoekers. Die bepalen uiteindelijk de stedelijkheid. Raden hoeveel?

Tagged with:
 

Onbegrepen intelligent

On 27 januari 2015, in film, innovatie, wetenschap, by Zef Hemel

Gezien in Cinecenter Amsterdam op 21 januari 2015:

Benedict Cumberbatch as Alan Turing in the Imitation Game.

De film ‘The Imitation Game’ van regisseur Morten Tyldum vertelt het waar gebeurde verhaal van de Britse wiskundige Alan Turing en hoe hij tijdens de Tweede Wereldoorlog de uitvinding deed waarvan wij allen profiteren. Turing bouwde de eerste versie van de computer. Dat deed hij in opdracht van de Britse strijdkrachten, die de Enigma-codes van de Duitsers wilden kraken. Op een landgoed Bletchley Park, ten noorden van Londen, werkte Turing hermetisch afgeschermd van de buitenwereld in het grootste geheim met een multidisciplinair team jonge wetenschappers aan zijn ‘Turing Machine’. Zijn idee: met een eigen machine de machine van de Duitsers te lijf gaan. Dat was allesbehalve gemakkelijk. De generaals begrepen hem niet en wilden hem het liefst ontslaan, verdachten hem zelfs van spionagepraktijken, zijn collega’s vonden hem maar een asociale geleerde en zijn hele idee bespottelijk. In een dagelijks confrontatie zie je hem met zichzelf en zijn omgeving worstelen, volharden en misschien wel dankzij de ruzies en tegenstand zijn idee verder ontwikkelen. Het landgoed fungeert daarbij als campus, maar op de campus zitten ook spionnen. Tot in Moskou kijken ze met Turing mee. Fascinerend.

Daarmee zag ik in korte tijd twee historische films over geniale Britten: William Turner en Alan Turing. Wat ze, behalve hun genialiteit, met elkaar gemeen hadden? Eenzaamheid, door de anderen niet begrepen worden. En verder? Het grote belang van hun directe omgeving en de wijze waarop deze met de hele wereld in verbinding stond. Zonder de Academy en zonder Bletchley Park had geen van beiden zijn grote daden kunnen verrichten. Ook opvallend:  de Britten dwongen Turing na de oorlog alles te vernietigen en veroordeelden hem vanwege zijn homoseksualiteit; vijftig jaar lang heeft de Britse geheime dienst MI6 alles geheim gehouden. Daarmee verloor Groot Brittannië de voorsprong in technologische kennis, waarvan de Amerikanen later zouden profiteren. Datzelfde geldt voor Turner. Ook hem stootten ze uit de Royal Academy en alleen dankzij zijn testament, waarin hij al zijn schilderijen aan de Britse natie schonk, zijn deze behouden gebleven. Intelligentie werd niet begrepen. Nee, het is erger. Hoe dom kan een natie zijn.

Tagged with:
 

Steden besturen zichzelf

On 26 januari 2015, in bestuur, by Zef Hemel

Gehoord in de Stadstimmertuin te Amsterdam op 14 januari 2015:

Op initiatief van Hugo Fernandes Mendes, Chief Science Officer van de gemeente Amsterdam, sprak Henk de Jong, oud-gemeentesecretaris van Amsterdam, onlangs ten overstaan van ruim honderd Amsterdamse ambtenaren over ‘Wie (be)stuurt de stad?’ De lezing was een beknopte versie van zijn Van Slingelandtlezing van 9 oktober 2014, gehouden voor de Vereniging voor Bestuurskunde te Den Haag. Zef Hemel was gevraagd te reageren. De stelling van De Jong kwam hierop neer: steden kunnen de grote vraagstukken van deze tijd niet zelf oplossen; daarvoor hebben ze de hogere overheden nodig. In Benjamin Barber’s stelling dat burgemeesters in staat zijn de wereld te redden (‘If Mayors Ruled The World’) geloofde hij niet. Bestuurskundige De Jong adstrueerde zijn stelling met voorbeelden uit New York, waar hij de afgelopen twee jaar consultant was geweest. De slagkracht van de gemeentelijke instellingen in deze machtige metropool bleek danig tegen te vallen; zonder de hulp van de staten New York en New Jersey en de federale overheid in Washington waren ze tot weinig in staat. Veel hybride organisaties en privaat initiatief liggen er aan de basis van projecten. Een private organisatie als Regional Plan Association (RPA) maakt bijvoorbeeld langetermijnplannen voor de agglomeratie. In de richting van de huidige gemeentesecretaris Arjan van Gils: “Als Amsterdam een RPA had gehad, konden we de Dienst Stadsontwikkeling nu mooi opheffen!”

Hemel draaide de redenering om: hogere overheden zijn niet in staat om de grote problemen van dit moment op te lossen. Daarvoor hebben ze de steden nodig. Het mislukken van het Kyoto-protocol (1997) vormde voor hem het bewijs. De machtsblokken in de wereld speelden het destijds hard; China deed niet mee, terwijl het systeem van emissierechten de rijke landen bevoordeelde. In ‘Seeing like a State’ (1998) heeft James Scott, hoogleraar Politieke wetenschappen aan Yale, trouwens al laten zien waarom staten oplossingen niet naderbij kùnnen brengen. Hogere overheden simplificeren, standaardiseren en schakelen gelijk; ze werken met abstracte kennis en missen daardoor de specifieke lokale kennis die nodig is voor het oplossen van complexe vraagstukken. Steden kunnen dat wel. Hun impact op de omgeving – de stedelijke invloedssfeer – is bovendien groot, op hun wingewesten, waar zij hun grondstoffen, voedsel, water, energie en arbeidskrachten van betrekken, is die impact zo mogelijk nog groter. De slagkracht van burgemeesters schuilt niet in hun bevoegdheden en taken, die inderdaad beperkt zijn, maar in het duiden en richting wijzen. Steden besturen zichzelf, van onderop.

Tagged with:
 

Bedachte steden

On 23 januari 2015, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Aantekeningen uit het ondergrondse’ (1864) van Fjodor Dostojevski:

Fjodor Dostojevski

Er zijn bedachte en niet-bedachte steden, aldus de hoofdpersoon in ‘Aantekeningen uit het ondergrondse’, de sleutelroman van de Russische schrijver Fjodor Dostojevski. De hoofdpersoon, tevens auteur en verteller in de roman, is ex-ambtenaar, veertig jaar oud en leeft aan de rand van Sint Petersburg, “de meest abstracte en bedachte stad van de hele aardbol.”In die door en door bedachte stad woont hij alleen, in een smerige kamer. Hij mokt en fulmineert tegen het negentiende eeuwse rationalisme en gelooft niet in sociale utopieën. Het Christal Palace van Joseph Paxton, door Dostojevski in Londen bezocht, staat bij hem model voor deze zogenaamd glorieuze toekomst waarin mensen comfortabel en harmonieus zullen samenleven. Degene tegen wie hij spreekt is de denkbeeldige vooruitgangsoptimist, de Russische Rousseau van zijn tijd, Tsjernyevski. Het hele mensenleven, smaalt hij, zal worden gepland, uitgerekend en aangeduid “dat er voortaan geen daden of avonturen op de aarde meer zullen voorkomen.” In een betere toekomst, in planning, gelooft de hoofdpersoon niet.

Fraai is de formulering die erop volgt en die het idee van planning schitterend samenvat: “Dan zullen er nieuwe verhoudingen ontstaan, geheel passend klaar gemaakt en met wiskundige precisie berekend, zodat alle mogelijke vragen in een oogwenk zullen verdwijnen, in feite omdat alle mogelijke antwoorden daarop al voorhanden zijn.” Hij weet het zeker, het zal niet gebeuren. Zijn weerwoord: het leven zal bijzonder saai zijn. “Uit verveling bedenk je natuurlijk van alles!” En dat is wat mensen ook doen. De hoofdpersoon kent zijn pappenheimers. “Je eigen, ongebonden wil, je eigen dwaaste gril, je eigen fantasie, die soms bijna tot krankzinnigheid toe is geprikkeld – kijk, dat alles is nu juist datzelfde belangrijkste belang, dat men over het hoofd heeft gezien, dat in geen enkele classificatie is onder te brengen en waardoor alle systemen en theorieën telkens weer in rook opgaan.” In bedachte steden gelooft hij niet. Ik herlees het telkens weer, vooral de laatste tijd, sinds ik over ‘big data’, ‘smart cities’ en ‘science of cities’ zoveel opwindende verhalen hoor.

 

Amsterdamlezing #6

On 22 januari 2015, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen op http://www.uva.nl/nieuws-agenda/nieuws/amsterdamlezingen/amsterdamlezingen.html

Foto: Danny Schwarz

Dymph van den Boom, rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam, zal het drieluik van de lezingenreeksen over ‘Amsterdam kennisstad’, afsluiten. Dat zal ze doen in de grote zaal van CREA op Roeterseiland, op maandagavond 16 maart 2015 om 20.00 uur. Mevrouw Van den Boom (1951) is vanaf 1996 verbonden aan de Universiteit van Amsterdam als hoogleraar Algemene Pedagogiek. Tussen 2001 en 2007 was zij tevens decaan van de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen. Zij begon haar wetenschappelijke loopbaan als ontwikkelingspsycholoog aan de Universiteit Leiden. Aan die universiteit studeerde zij psychologie en promoveerde daar in 1988. Sinds 1 oktober 2007 is Dymph van den Boom lid van het College van Bestuur van de UvA. Door universiteitsblad Folia werd ze onlangs een ‘dossiertijger zonder franje’ genoemd. Het thema van ‘Amsterdam kennisstad’ zal zij in haar lezing inhoudelijk benaderen, vanuit haar functie van rector magnificus, dus vanuit de universiteit, niet vanuit de stad in de eerste plaats.

Een ‘kennisstad’ zegt haar niet zoveel. Volgens mevrouw Van den Boom is de relatie van met name de UvA met de stad wel een bijzondere, zeker als je deze benadert vanuit de geschiedenis. Die geschiedenis begon met Vossius en Barlaeus in 1632. Vanaf dat moment werd er college niet alleen aan studenten gegeven, maar ook de gegoede burgers schoven aan. De band tussen de universiteit en de stad is sindsdien een nauwe. De nieuwste betrekkingen tussen Amsterdam en UvA krijgen vorm in tal van nieuwe initiatieven. De recente plannen voor een ‘Amsterdam Center for Advanced Studies’ zal Van den Boom tijdens haar Amsterdamlezing met name noemen en ook toelichten. Ze zou de relatie tussen de stad en de universiteit het liefst vormgeven via een iteratief proces, waarbij in een voortdurende wisselwerking tussen stad en wetenschappers uit alle faculteiten naar relevante wetenschappelijke kennis wordt gezocht voor de Amsterdamse grootstedelijke problematiek. Een ‘Amsterdam Center for Advanced Studies’ kan dan ook een diversiteit aan onderwerpen en thema’s beslaan. Het center wordt ook niet een apart instituut, maar een platform waarin de hele universitaire gemeenschap bij tal van vraagstukken wordt betrokken. De details hoort u tijdens de lezing, die gratis is. Wel vooraf aanmelden graag (zie link boven).

Tagged with:
 

Geen master minds

On 21 januari 2015, in participatie, planningtheorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in het KIT op 15 januari 2015:


Peter Sloot, hoogleraar Computational science aan de Universiteit van Amsterdam, gaf voor het Center for Urban Studies, te gast bij de Amsterdam Graduate School for Metropolitan Solutions, een boeiende lezing over ‘Urban complexity’. Zijn lezing, die hij twee jaar geleden al eens gegeven had in de Amsterdamlezingencyclus van de UvA, viel uitgerekend samen met de opening van het ‘Jaar van de Ruimte 2015′ een eindje verderop, in de Beurs van Berlage. Sloot maakte duidelijk dat steden, net als markten, organismen en pandemieën, complexe adaptieve systemen zijn die worden gekenmerkt door non-lineaire relaties. Op steden zijn daardoor ‘urban scaling laws’ van toepassing. Bij een verdubbeling van de omvang van een stad stijgt bijvoorbeeld de productiviteit met 15 procent; het aantal patenten neemt met een vergelijkbaar percentage toe; hetzelfde geldt voor de misdaad en het aantal aids-gevallen. Maar het wonen is lineair, evenals werkgelegenheid. En infrastructuur is sublineair: je hebt er naar verhouding minder van nodig als de stad groter wordt. De schaalbaarheid van steden opent een heel nieuw veld van onderzoek. Complexe systemen betekent: er bestaan geen blauwdrukken, er zijn geen ‘master minds’ in het spel, steden organiseren zichzelf, het is een kwestie van evolutie en adaptatie. Kortom, planners moeten nederig zijn.

In de discussie na afloop viel de naam van Michael Batty, hoogleraar planologie aan University College London. Zijn onlangs verschenen boek ‘The New Science of Cities’ sloot naadloos aan op het betoog van Sloot. Met mathematische modellen, is diens stelling, kunnen dynamische patronen in steden worden nagebootst. Mits betrouwbare data voorhanden zijn. In veertien hoofdstukken, verdeeld over drie delen, verbindt Batty netwerkanalyses uit diverse sociale disciplines met theorieën van grootheden als Lewis Mumford, Kevin Lynch, Patrick Geddes en Jane Jacobs. Vooral deel III is voor planologen interessant. Want wat blijkt? Participatieve planning, dus planning in kleine stapjes, van onderop, samen met bewoners en direct betrokkenen, levert de beste resultaten op. Dergelijke planning reageert het snelst op veranderingen, past zich het beste aan aan gewijzigde omstandigheden en vangt abrupte schokken op. Topdown planning is veel kwetsbaarder. Ook netwerkanalyses wijzen top-down planning dus van de hand. Sloot beaamde het. Het was niet anders. Planners moeten anders gaan werken. Bescheidener.

Tagged with:
 

Miami Virtue

On 20 januari 2015, in internationaal, literatuur, migratie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Back to Blood’ (2012) van Tom Wolfe:

 

Tijdens de feestdagen eindelijk gelezen: ‘Back to Blood’ van Tom Wolfe. Heerlijk boek. De roman gaat over Miami, Florida, een metropool van 5 miljoen inwoners in het verre zuiden van de VS, of zoals de burgemeester van Miami, Dio, het zegt: “Miami is the only city, as far as I can tell – in the world – whose population is more than fifty percent recent immigrants (….) and that’s a hell of a thing, when you think about it’.” Hoofdpersoon Nestor Camacho is een Cubaan, net als zoveel andere inwoners van Miami – allemaal gevlucht voor het regime van Castro. Maar er is ook een grote Haïtiaanse gemeenschap, een Afro-Amerikaanse gemeenschap en zo meer. “We got to make Miami – not a melting-pot, because that’s not gonna happen, not in our lifetimes. We can’t melt’em down…. but we can weld’em down.” Daarmee bedoelde de burgemeester dat iedere bloedgroep, elk ras, elke nationaliteit in de stad zijn eigen wijk krijgt en het gevoel moet hebben op gelijke voet met de anderen te staan. In de roman blijkt dat dit tribale evenwicht lang niet bestaat. De Anglo’s zijn stinkend rijk, terwijl de immigranten straatarm zijn. En wie ècht rijk is, dat zijn de Rusissche oligarchen. Welkom in Miami anno 2012.

Wolfe, inmiddels 81 jaar oud, schreef een soortgelijk plot vijftig jaar geleden, toen gesitueerd in New York. Op zijn zevenenzeventigste was hij vier jaar geleden vanuit Manhattan voor het eerst naar Florida gereisd, waar hij de raciale politiek van Florida van nabij had gadegeslagen. Hij was geschokt teruggekeerd. Hoewel de roman weinig nieuws bevat, is het geval Camacho – een Cubaanse politieagent die een zwarte drugscrimineel aftuigt en beschimpt en vervolgens via een registratie van het gevecht op YouTube wordt aangeklaagd in een waar volksgericht – buitengewoon actueel. In Ferguson – een voorstad van St Louis – zijn weer rellen uitgebroken en zelfs in het New York van Tom Wolfe zijn de agenten boos op hun burgemeester, die hen afviel in een soortgelijk geval. De affaire Camacho staat voor een integratieproblematiek die door de nog steeds groeiende migratie naar de VS vanuit het zuiden en het westen (Azië) op de grenzen van het mogelijke stuit. Ik was amper in ‘Back to Blood’ begonnen of president van Obama zocht toenadering tot het Cubaanse regime. Wat een geluk. Na vijftig jaar worden de betrekkingen eindelijk versoepeld. Mijn gedachten dwaalden onmiddellijk naar Miami. Hoe zou het daar nu zijn?

Tagged with:
 

Glas, licht, abstractie

On 19 januari 2015, in geschiedenis, kunst, by Zef Hemel

Gezien in Kriterion, Amsterdam, op 3 januari 2015:

Aerial view of Crystal Palace

De verschijning van de film ‘Mr. Turner’ van Mike Leigh valt samen met de tentoonstelling ‘Late Turner’ in Tate Britain, Londen. De film is schitterend, de tentoonstelling vermoedelijk ook. De film geeft een indringend beeld van de grote schilder van de Romantiek. Joseph Mallord William Turner (1775-1851) leefde en werkte in Londen. Maar hij was vooral veel op reis, hij ging naar Amsterdam om Rembrandt en Ruysdael te zien, Antwerpen (voor Rubens), Parijs (naar werken van zijn grote voorbeeld Claude Lorraine), Rome, Florence en Venetië. In Londen was hij opgenomen in de gemeenschap van kunstenaars binnen de dan juist opgerichte Royal Academy of Arts: hij ontmoette er John Ruskin, John Soane, John Nash, Joseph Constable en anderen. De Royal Academy bleek een broedplaats van talent, een plek van uitwisseling van ideeën, juist op het moment dat Napoleon verslagen wordt en het Britse imperium zijn almacht vestigt. Thuis, in Harley Street, later in Queen Ann Street West, had hij op de bovenverdieping bovendien een eigen galerie waar hij zijn schilderijen aan intimi tentoonstelde. Zijn verfpoeder, soms afkomstig uit Afghanistan, kocht zijn vader voor hem om de hoek.

De Engelse landschapsschilder, vooral bekend van zijn atmosferische zeezichten, zou je niet snel met de grote metropool associëren. Toch was Turner een kind van de vooruitgang en de industriële tijd en had hij grote interesse voor stoomtreinen, natuurkunde, fotografie, prisma, Beethoven, allemaal stedelijke innovaties. In zowel de film als de tentoonstelling wordt hier ook sterk de nadruk op gelegd. Boodschap: Turner was een vernieuwer, een ziener en een voorloper. Zijn schilderijen werden op het einde van zijn leven ook steeds lichter, helderder. Van ‘rain, steam and speed’ gaat het naar ‘glas, licht, abstractie’.  Helemaal op het eind van de film, tevens het eind van zijn leven, keert de schilder uitgeput terug van een wandeling door de grote stad. Hij was, vertelde hij, opnieuw in Hyde Park geweest. Wat hij er precies had gezien, wordt niet geheel duidelijk, maar het was iets groots van staal en glas dat daar werd gebouwd. Het moet Christal Palace van Joseph Paxton zijn geweest, het reusachtige gebouw van glas en staal dat in 1851 ‘s werelds eerste Wereldtentoonstelling zou huisvesten. Het wond hem danig op. De opening ervan heeft de schilder niet meer meegemaakt. Op zijn sterfbed waren zijn laatste woorden: ‘The Sun is God’.

Tagged with: