Up with the People

On 20 januari 2017, in bestuur, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Japan Restored’ (2015) van Clyde Prestowitz:

Afbeeldingsresultaat voor japan restored clyde prestowitz

Op de terugvlucht van Tokio naar Amsterdam las ik ‘Japan Restored’ van Clyde Prestowitz. Prestowitz is oprichter van de Economic Strategy Institute in Washington DC en adviseert regeringen, vakbonden en multinationals over concurrentiekracht en globalisering. In ‘Japan Restored’ geeft hij zijn visie op de toekomst van Japan en schetst hij hoe deze derde economie van de wereld uit de hardnekkige crisis kan komen waarin deze nu al meer dan twintig jaar verkeert. Zijn stelling: Abenomics is niet genoeg. Abenomics, een economische politiek die vernoemd is naar de Japanse premier Shinzo Abe, staat voor 1. geldcreatie op grote schaal, 2. fiscale stimulansen en massieve infrastructuur-investeringen, 3. deregulering met name van de Japanse landbouwsector. Door al deze maatregelen zou het inflatiecijfer rond de 2 procent uit moeten komen en de Japanse productie substantieel moeten groeien. Prestowitz betwijfelt echter of dergelijke economische maatregelen voldoende zullen zijn. Helemaal op het eind van zijn boek doet hij uit de doeken wat dan wel nodig is om Japan uit het slop te trekken. Dat hoofdstuk heet: ‘Up with the People, Down with the Bureaucrats’. Het gaat over nieuwe vormen van governance.

Tijdens de snelle modernisatie van Japan in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw heeft Japan voor een Frans besturingsmodel gekozen met een sterke hiërarchische en bureaucratische inslag – een centralistisch staatsmodel dat na de Tweede Wereldoorlog door de Amerikaanse bezetter nog werd versterkt en waarin vrijwel alle beleid vanuit hoofdstad Tokio werd bepaald. Volgens Prestowitz moet het land daar zo snel mogelijk vanaf. Dat gebeurt inmiddels ook. Een Japanse staatscommissie adviseerde onlangs om de steden meer bevoegdheden te geven en vooral meer fiscale en budgettaire ruimte te bieden. Sterker, het land heeft onlangs een complete decentralisatie doorgevoerd. Prestowitz noemt het voorbeeld van Osaka, dat de decentralisatie als het ware heeft afgedwongen door zich niet langer iets van hoofdstad Tokio aan te trekken en dat al sterk van onderop wordt bestuurd, waar innovatie sterk wordt aangewakkerd, waardoor Osaka een stad is geworden die steeds meer de trekken krijgt van een noordelijk Singapore. Met Osaka als gids, verspreidde het virus van decentralisatie zich over heel Japan. Het resultaat is een ingrijpende staatkundige herziening waarbij de 47 provincies onlangs zijn omgevormd tot 15 kantons met elk een eigen gouverneur, eigen fiscaal regime en eigen wetgeving. De angst dat sommige regio’s hierdoor rijker zullen worden dan andere hield de politiek aanvankelijk tegen, maar, aldus Prestowitz, uiteindelijk werd decentralisatie toch geaccepteerd. Het alternatief is namelijk voortdurende stagnatie. Interessant dus, ook voor ons.

Tagged with:
 

Olympic Tokyo

On 18 januari 2017, in participatie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 1 september 2016:

Gerelateerde afbeelding

In 2020 worden de Olympische Spelen voor de tweede keer in Tokio gehouden. De eerste keer – ik weet het nog goed – was in 1964, toen Anton Geesink heel verrassend ‘s nachts de finale judo won en ik besloot judo te gaan leren. Destijds stonden de Japanse steden aan de vooravond van een enorme bloeiperiode. Tien jaar later zou het Westen ruw wakker worden geschud door grote Japanse bedrijven en dolf de Europese industrie definitief het onderspit. Tokio was destijds de eerste stad in Azië die van het IOC de Spelen mocht organiseren. Alles leek toen nog jong en nieuw en onbeproefd. Ditmaal is het anders. De Japanse economie doet het al twintig jaar niet meer goed, China is aan een stevige opmars bezig, alles is daar groter, imposanter, nieuwer; de snel vergrijzende Japanse bevolking worstelt met een minderwaardigheidscomplex, zelfs buurland Zuid-Korea presteert beter. De kernramp bij Fukushima in maart 2011, waarbij een kernreactor de vijfendertig miljoen inwoners van Tokio zelfs in gevaar bracht, betekende een gevoelige klap voor het land waar het, aldus architect Kengo Kuma, nog altijd niet overheen is. Kuma vertelde me dat zijn stadion en de Olympische Spelen in het algemeen deze gevoelige imagoschade moeten herstellen en het Westen moeten doen geloven dat Japan opnieuw op het wereldtoneel kan en wil acteren.

Voor Tokio zelf zijn de OS 2020 van belang omdat de stad zijn positie als financieel centrum van Azië dreigt kwijt te raken. Concurrenten als Shanghai en Singapore azen op haar financiële instellingen; ze maken goede kans om de rol van Tokio op het wereldtoneel over te nemen. Tokio is ook geen fraaie stad en sommigen vinden haar zelfs veel te groot. Kengo Kuma moet met zijn stadionontwerp het ongunstige tij doen keren. Zijn schitterende ontwerp sluit aan bij de Japanse traditie, hij bouwt vooral in hout, het stadion komt op de plek van het oude stadion, verrijst dus midden in de stad, maar dan wel als een tempel in het bos. Is zoiets voldoende? Toen las ik  dat het aardbevingsgevoelige Tokio in 2015 door The Economist tot de veiligste stad ter wereld was uitgeroepen, ook omdat direct na de ramp in Fukushima was opgevallen hoe de Japanse bevolking de getroffen regio spontaan te hulp was geschoten. Christian Dimmer van Urban Studies, verbonden aan Tokyo University, schreef daarover: “There is a long tradition of community organisations, non-profits, local governments and neighbourhood associations closely collaborating in disaster risk management and awareness building. Such strong social networks, in turn, have come to be recognised as key to foster community resilience.” Precies hierin schuilt dus een grote mogelijkheid: Tokio kan straks met de OS 2020 de wereld laten zien hoe een reusachtige stad in staat is zichzelf van onderop te organiseren. In deze tumultueuze tijden is dat een belangrijke boodschap aan de hele wereld.

Tagged with:
 

De kunst van het verdichten

On 16 januari 2017, in vastgoed, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Tokyo. The Changing Profile of an Urban Giant’ (1993) van Roman Cybriwsky:

Density of Tokyo. Bron: Politecnio di Milano

Tokio is niet alleen de allergrootste, maar ook de meest dynamische, ja zelfs de duurzaamste stad van het hele noordelijke én zuidelijke halfrond. In de Japanse hoofdstad is de gemiddelde levensduur van een gebouw amper 26 jaar. Na een kwart eeuw wordt de constructie gewoon weer afgebroken. Ervoor in de plaats verrijst dikwijls een groter, doorgaans hoger gebouw. Reden? De grond onder de Japanse hoofdstad is extreem duur en zonder opstallen is ze veel meer waard dan met gebouwen erop. Overlijdt de eigenaar, dan verkopen de erfgenamen de grond doorgaans door eerst het bouwwerk af te breken om het daarna op de oververhitte grondmarkt aan te bieden. Personen die men jiageya noemt bemiddelen tussen grondeigenaren en projectontwikkelaars; deels zakelijk, desnoods crimineel zetten ze traditionele grondeigenaren onder druk om hun geliefde bezit ten behoeve van nieuwbouw over te dragen. Wie door de straten van Tokio loopt, ziet elke dag nieuwe bouwactiviteiten, vooral in het centrum en langs de stations van de metro en de spoorlijnen. Kleine kavels – gevolg van datzelfde erfrecht – maken de binnenstedelijke dynamiek nog groter. Tokio verdicht voortdurend, terwijl de randen juist verschrompelen. Steeds meer mensen leven er op een kluitje in en rond het grootstedelijke hart. En alles is daar nieuw. Monumentenzorg speelt er hoegenaamd geen rol.

De Nederlandse praktijk is heel anders. Monumentenzorg is bij ons oppermachtig. Grondwaardestijgingen resulteren hier nauwelijks in grotere dynamiek. Hier blijft de fysieke ruimte bijkans totaal bevroren. Liever bouwen wij nieuwe rijtjeswoningen in de maagdelijke polder, op flinke afstand van de gewilde stedelijke kern. Mensen die een woning zoeken moeten daardoor uitwijken naar elders, waardoor de reisafstanden maar blijven groeien. Desondanks krimpen ook bij ons de randen van de stadsgewesten. Mensen schuiven steeds meer op richting grootstedelijke centrum, ook al zit het centrum zelf op slot. Verdichten is een kunst die wij heel slecht verstaan. Liever zingen wij de loftrompet op polynucleaire structuren. De Amerikaanse geograaf Roman Cybriwsky schreef over Tokio dat de druk in en rond het centrum zo hoog is dat mensen bereid zijn hier in minuscule ruimtes te wonen. Een woning kopen is hier ook extreem duur. Voor de meesten zit er niets anders op dan te huren. Hoogbouw rukt nu in de Japanse hoofdstad op. Parken en plantsoenen maken slechts vijf procent uit van het oppervlak van de megastad, autowegen ontbreken bijkans, alles is volgebouwd. Toch voelt het niet als druk. Dat houdt verband met het meer dan uitstekende openbaar vervoer. Vergeleken met Nederland is Tokio duizend keer duurzamer.

Tagged with:
 

Paleis van de toekomst

On 14 januari 2017, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Zhang Jian and the World Exposition in the Early Years of the 20th Century’  van Ma Min en Ai Xianfeng:

Afbeeldingsresultaat voor tokyo ueno park 1877

Bezoek gebracht aan Tokio. Met zijn 36 miljoen inwoners is de Japanse hoofdstad nog altijd de grootste stad op aarde. Opnieuw vond ik het indrukwekkend. Met Japan gaat het al jaren niet goed – er is sprake van een sterke demografische en economische krimp -, maar in Tokio zelf merk je daar weinig van. Haar bevolking groeit nog steeds, zij het bescheiden, terwijl haar grootstedelijke diensteneconomie onverminderd goed presteert. Dat krijg je als een stad groot en divers is. De opbloei van de stad begon in 1868, toen het geïsoleerde Japan onder druk van de Amerikanen zijn grenzen opende voor de buitenwereld en de keizer besloot Kyoto als hoofdstad in te ruilen voor het centraal gelegen Edo, het huidige Tokio. De modernisering verliep daarna verrassend snel. Wat heet, Tokio maakte een ongekende bloeiperiode door, een gouden eeuw die duurde tot de grote aardbeving van 1923, zes jaar later gevolgd door de economische crisis van de jaren dertig. Tokio was destijds de eerste Aziatische stad die haar economie volledig industrialiseerde. Haar bevolking verdubbelde in korte tijd, waardoor ze definitief uitgroeide tot de grootste stad op aarde, een positie die ze daarna niet meer prijs zou geven.

Wat was eigenlijk de katalysator van die snelle opbloei en modernisering? Ik zocht ernaar in de vakliteratuur en vond allerlei keizerlijke maatregelen van bestuurlijke vernieuwing. Is bestuurlijke vernieuwing dan werkelijk zo belangrijk? Ik twijfelde, dus ik zocht verder. Aan de basis, las ik, lag een door de keizer benoemde commissie die in 1871 naar Europa en Noord-Amerika was gereisd om de industriële revolutie daar te bestuderen. Haar aanbevelingen zouden later per keizerlijk decreet worden uitgevoerd. Een van de aanbevelingen betrof de bouw van een Crystal Palace, bedoeld voor grote toekomstgerichte tentoonstellingen. De eerste tentoonstelling – die van 1851 – had in Londen miljoenen mensen op de been gebracht en geïnspireerd; Londen had er zijn hernieuwde opbloei aan te danken. In datzelfde Londen had de commissie de tweede versie van Crystal Palace in Sydenham bezocht. Bij terugkomst beval ze de keizer aan een soortgelijk Paleis voor Volksvlijt in de hoofdstad te bouwen.  Het kwam te staan in het pas geopende Ueno Park. In 1877 vierde Tokio hier zijn eerste grote industriële expositie. In totaal zouden vijf tentoonstellingen in de Meiji-periode hun deuren in Ueno Park openen. In de Dazheng periode volgden nog eens twee. De laatste was in 1922, dat was een jaar voor de fatale aardbeving. Afgelopen week bracht ik een bezoek aan Ueno Park. Het paleis van de toekomst bestaat niet meer. Wel trof ik er zes musea aan in een bruisende metropool van inmiddels ongekende omvang.

Tagged with:
 

Amsterdam en de rest

On 12 januari 2017, in ethiek, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 11 januari 2017:

Afbeeldingsresultaat voor josse de voogd het parool

percentage hoogopgeleiden (blauw: hoog). Bron: CBS, Compendium voor de leefomgeving.

Opmerkelijke opinie van geograaf Josse de Voogd in de Amsterdamse krant Het Parool van 11 januari 2017. De Voogd is een Nijmeegse geograaf die naar Amsterdam is getrokken, althans hij is daar medewerker van de Universiteit van Amsterdam, net als ik verbonden aan de afdeling Geografie, Planologie en Ontwikkelingsstudies. De Voogd, die eerder schreef over de ‘witte kloof’’, stelt vast dat de verschillen tussen Amsterdam en de rest van Nederland groeien, economisch, maar ook mentaal. En de trek van vooral hoogopgeleiden naar Amsterdam houdt aan, met als gevolg dat het wonen in die stad steeds duurder wordt, ook omdat er te weinig wordt gebouwd. Amsterdammers leveren daarom in op vierkante meters. Maar dat is het punt niet. Volgens De Voogd begrijpen ‘elitaire Amsterdammers’ de gewone Nederlanders niet meer, en doordat ze goedgebekt zijn en de media gemakkelijk bereiken domineren ze het maatschappelijke debat. Ze hebben niet in de gaten dat de rest van het land heel anders denkt dan zij. Amsterdammers leven in een cocon. Hij vindt het tijd worden dat ze dimmen.

Wat de aanhoudende trek naar Amsterdam betreft heeft De Voogd gelijk. Ook is het correct dat het vooral hoogopgeleiden zijn die al jaren voor de hoofdstad kiezen. De Voogd is er zelf een voorbeeld van, hoewel hij inmiddels niet meer in Amsterdam woont. Zelf koos ik in 1981 voor de bestemming Amsterdam. Betekent dit dat ik in een cocon leef en dat ik de rest van Nederland niet meer begrijp en dat ik nu moeten dimmen? Ik denk het niet. Intellectuelen dienen het voortouw te nemen in het maatschappelijk debat, ook als ze bij elkaar op een kluitje wonen; dat is hun natuurlijke rol. Amsterdammers geven ook graag hun mening – denk aan Bas Heine, Paul Scheffer, Ewald Engelen. Trouwens, uitgerekend hoogopgeleiden hebben donders goed in de gaten dat er een ‘tweedeling’ groeit, sterker, daar schrijven ze al jaren vlammende opiniestukken over. De burgemeester van Amsterdam, Eberhard van der Laan, sprak bij zijn aantreden in 2010 over Amsterdam als ‘verantwoordelijke hoofdstad’. Zelf schreef ik onlangs een boek, getiteld ‘De toekomst van de stad’, waarin ik het toenemende contrast tussen Amsterdam en de rest in het licht plaats van aanhoudende metropoolvorming. Dimmen is wel het laatste wat Amsterdammers moeten doen. Nee hoor, het vraagstuk moet in alle openheid worden besproken.

Tagged with:
 

Wel de melk, niet de koeien

On 5 januari 2017, in economie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 22 oktober 2016:

Gerelateerde afbeelding

 

Een Special Report van het Londense zakenblad The Economist ging eind oktober 2016 over het Rusland onder president Poetin. In de kerstvakantie eindelijk tijd gevonden om het te lezen. Wat de Russische economie betreft wordt daarin Innopolis opgevoerd, de nieuwe stad onder de rook van Kazan, 820 kilometer oostelijk van Moskou, goed voor 155.000 inwoners, als illustratie van wat de heer Poetin zoal beweegt. Innopolis is het project van zijn voorganger, president Dmitry Medvedev, en werd op de tekentafel bedacht door Liu Thai Ker, hoofdarchitect van Singapore. De nieuwe stad, inmiddels twee jaar oud, moest net als Skolkovo bij Moskou – een ander project van Medvedev – een ware technopolis worden, een stedelijke hub van creativiteit en innovatie in een snel globaliserende wereld. Medvedev begreep dat Rusland niet achter kon blijven in de technologische ratrace en gebruikte het middel van een Free Economic Zone om in de buurt van Kazan (1 miljoen inwoners), aan de overkant van de rivier de Wolga, hoogwaardige grootstedelijke condities te scheppen die nodig zijn om talent aan zich te binden. Dat talent komt er nu echter niet. Zijn opvolger, Mr. Poetin, wil wel de melk, maar niet de koeien, aldus The Economist. Anders gezegd, het klimaat voor ondernemerschap is door de regering Poetin nooit gerealiseerd. Integendeel. Er staan alleen maar gebouwen.

In het algemeen vaart president Poetin een heel andere koers dan zijn voorganger. Hij probeert economische groei te bevorderen door geld te steken in het militair-industrieel complex en in grootschalige infrastructuur. Dat is een klassiek recept van natiestaten waarover The Economist het volgende schrijft: “the cost of these projects could outweight their benefits. And in the absence of a thriving private sector, those new roads and bridges may not do much.” Jane Jacobs noemde dat ‘transactions of decline’. De onstuimige groei van Moskou, Kazan en Sint Petersburg is voorbij. Zij hebben het nakijken. De nieuwe middenklasse die met die grootstedelijke groei de afgelopen decennia werd gevormd, heeft, met andere woorden, geen plek meer in het huidige autoritaire model van het Kremlin, dat overwegend gericht is op overheidsmiddelen steken in zinloze overheidsprojecten. Het regime van president Poetin is anti-stedelijk. Vanaf 2014 regeert weer de provincie. Het is een recept voor achteruitgang en verlies. Wat er met de plannen voor Innopolis gaat gebeuren is nu niet duidelijk. Het is wachten op betere tijden.

Tagged with:
 

Spreiden, een Nederlandse ziekte

On 3 januari 2017, in cultuur, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 31 december 2016:

Kijk nou, daar heb je het weer. Spreiding. Een niet uit te roeien neiging in dit land. Ditmaal het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC Holland Marketing). Omdat het museumbezoek zich ruimtelijk steeds meer concentreert in de grote steden (20 van de 30 miljoen museumbezoekers kiest voor de musea in de grote steden in de Randstad) ontwikkelt het NBTC ‘verhaallijnen’ die provinciesteden in Nederland inhoudelijk aan Randstedelijke locaties moeten koppelen. Helemaal aan top: Amsterdam (lees: de binnenstad) met 14,3 miljoen jaarlijkse museumbezoekers, dat is de helft van het totale bezoek aan Nederland. Teveel in Amsterdam dus. Het moet minder. De eerste verhaallijn, ‘Van Gogh’, dateert van 2015. Hiermee probeert het Bureau de 2,1 miljoen bezoekers van het Van Goghmuseum in Amsterdam te verleiden ook Gelderland (Otterloo) en Brabant (Zundert en Nuenen) te bezoeken. Andere verhaallijnen zijn ‘Nederland Waterland’, ‘De Gouden Eeuw’, ‘Mondrian to Dutch Design’ en ‘Kastelen en landhuizen’. Regionale musea moeten zo meeprofiteren van de Amsterdamse groei. Iedereen moet, kortom, in de auto of in de trein. De directeur van de Museumvereniging zegt het zo: “Er zijn twee redenen om toeristen meer te spreiden over het land: je haalt de druk weg van plekken die je zou moeten ontlasten en, tweede reden, in krimpgebieden komt extra activiteit.

Alles wordt eraan gedaan om te voorkomen dat er een ruimtelijke concentratie ontstaat. Opzettelijke spreiding moet ervoor zorgen dat alles wordt verdund. Lukt het niet via een ‘rechtvaardige’ verdeling van de overheidssubsidies over de twaalf provincies, dan gaat het wel via nationale ‘verhaallijnen’. De gedachte om musea organisch in een grootstedelijke setting te laten bloeien krijgt domweg in ons land geen kans. Het argument dat het ergens te druk wordt is hier al snel voldoende om alles uit de kast te halen om het platteland te bevoordelen. Hoezo te druk? Drukte hoort nu eenmaal bij grote steden. En het moet gezegd, eindelijk doen onze grote steden het weer goed. Decennialang werden ze verwaarloosd en aan hun lot overgelaten. Nu ze zich hebben hersteld ontstaat er eindelijk weer echte drukte op straat en dus ook drukte voor de kassa’s van de musea. Drukte heeft een intrinsieke kwaliteit. Door drukte ontstaat er druk om gedurfder uit te pakken en beter te presteren. Drukte leidt tot meer kwaliteit en tot minder autokilometers. Vandaar dat de beste musea ter wereld zich in grote steden bevinden. Gaat u  naar een museum in Utica als u in New York bent? Jammer voor de provinciesteden. Weet u wat ik denk? Door nationale instanties als het NBTC wordt Nederland steeds meer opgevat als één grote stad: Holland City. Maar Nederland is helemaal geen stad, moet dat ook niet worden. Spreiden is een Nederlandse ziekte. Niet grootstedelijk en ook niet duurzaam.

Tagged with:
 

In de voetsporen van Geddes

On 1 januari 2017, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Worlds of Patrick Geddes’ (1978) van Philip Boardman:

Afbeeldingsresultaat voor Patrick Geddes jerusalem plan

Mijn bezoek aan de Bezalel Academy in Jeruzalem herinnerde me aan de reis die Patrick Geddes (1854-1932) bijna honderd jaar eerder had gemaakt. Drie maanden lang verbleef de Schotse planoloog Geddes in de heilige stad, om precies te zijn van eind augustus tot midden november 1919. De uitnodiging dankte hij aan Chaim Weizmann, de Zionist die een planoloog zocht voor de reconstructie van zijn geliefde Jeruzalem, tevens voor de bouw van een Hebreeuwse universiteit aldaar, en die door de vrouw van de mede-Zionist David Eder op de figuur van Geddes was gewezen. Weizmann was geschokt geweest over de deplorabele staat waarin Jeruzalem verkeerde, “een stad die van liefdadigheid leeft, een ellendig getto”, waar “we geen enkel fatsoenlijk gebouw hadden – de hele wereld had een steunpunt in Jeruzalem, behalve de Joden.” (Simon Sebag Montefiore, Jeruzalem, de biografie, 2011) In november 1917 had Groot-Brittannië Palestina in bezit genomen en zag Weizmann zijn kans schoon om ‘de stad van David’ onder het bewind van militair gouverneur Ronald Storrs in ere te herstellen. Storr was een domineeszoon, een erudiet militair die wilde voorkomen dat Jerusalem ‘een tweederangs Baltimore’ zou worden. Geddes tekende een plan, gebruik makend van de dagelijkse voorlezingen uit de bijbel door zijn vader, maar vooral door alles ter plekke nauwkeurig te observeren. Het veldwerk resulteerde in een gestencild document ‘Jerusalem Actual and Possible’, plus een beknopt plan voor de universiteit.

Opvallend in het plan was de aandacht voor de waterhuishouding, de restauratie van de vijvers, de aanleg van een parkenstelsel, het tegengaan van erosie door bomenaanplant op de hellingen en beplanting in het algemeen. Ten aanzien van de bebouwing koos Geddes voor restauratie en zorgvuldige reconstructie en keerde hij zich tegen moderne doorbraken, nieuwbouw en grote civieltechnische ingrepen. Zichtlijnen op de oude stad bleken voor hem belangrijk: “Most visitors come to séé Jerusalem, and these desire to feel as deeply as possible what Jerusalem has meant to the world, or at least to their faith.” Ook maakte hij subtiele voorstellen voor de Klaagmuur, heel anders dan de latere doorbraken die tot het huidige grote plein zouden leiden. De nieuwe universiteit plande hij in het oosten op de Scopus berg, met zicht op de Olijfberg, waar Weizmann in juli 1918 al de eerste steen voor had gelegd. De nieuwe stad dacht hij zich minder als een religieus centrum dan als een ‘Stad van Onderwijs’, gebouwd op kennis uit alle culturen in de hele wereld. Zijn haastig gemaakte plan, samengevat in slechts 36 gestencilde pagina’s, was het begin van een grondige survey, uit te voeren door archeologen, historici, geografen en sociologen van vele universiteiten. Het definitieve plan zou later wel volgen. Het is zoals goede planning hoort te zijn. Gelukkig nieuwjaar!

Tagged with:
 

Bus-otropolis

On 30 december 2016, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gelezen in de Jewish Journal van 24 september 2013:

Gerelateerde afbeelding

Het was Nir die me op een avond meenam voor een tocht dwars door Tel Aviv. Nir is een stedenbouwkundige die werkt voor de gemeente Tel Aviv. Hij houdt van bomen, wandelt veel door de stad en ziet en ervaart, net als ik, deze vooral als een organisme, als een gelaagde, complexe wereld van objecten met heel verschillende betekenissen waar voortdurend onverwachte gebeurtenissen plaatsvinden. Nir nam me mee naar Zuid-Tel Aviv. Onze gezamenlijke tocht eindigde bij het Centrale Bus Station, een ontwerp van de Israëlische architect Ram Karmi. Fascinerend complex. Het idee voor het krankzinnige betonnen gedrocht dateert al van de jaren ‘60. Karmi en twee investeerders droomden van een zeven verdiepingen tellende ‘bus-tropolis’ in het zuiden van Tel Aviv, goed voor een tot twee miljoen reizigers per dag, die hier niet alleen zouden in- en uitstappen, maar ook zouden winkelen, werken, ontspannen, zich vermaken en verblijven. Het moest het grootste busstation ter wereld worden. Pas in 1993 – dertig jaar later – zou het worden voltooid. Slechts vier van de zeven verdiepingen zijn toegankelijk, er maken slechts 100.000 reizigers gebruik van de faciliteit. De onderste verdieping doet dienst als een atoomschuilkelder, daarboven bevindt zich een complex van zes bioscoopzalen die al twintig jaar buiten gebruik zijn; een Filipijnse shopping mall heeft zijn intrek genomen op de verdiepingen die ooit bedoeld waren voor het grootwinkelbedrijf; boven op het dak bevinden zich de wachtkamers en rijden de bussen.

Rami is ook de architect van terminal 3 op David Ben-Gurion en van het Hooggerechtshof in Jeruzalem. Zijn specialiteit zijn betonnen kolossen die zo groot dat ze op steden lijken. Zijn busstation bij Levinsky Street beslaat liefst elf acres; buiten slingert zich een reusachtige betonnen busbaan op pilotis richting snelweg waarover de bussen constant af- en aan denderen. Alles is zo krankzinnig groot dat Nir en ik er om moesten lachen. Niets is wat het lijkt, en natuurlijk functioneert het complex totaal niet, maar toch functioneert het op een bepaalde manier weer wel. Vleermuizen hebben bezit genomen van de kelder, de eigenaren voeren een permanente strijd met de meer dan duizend huurders van de winkelpanden die niet bereid zijn voor het gebruik te betalen. De Israëlische hiphop-scene heeft een deel van het complex in bezit genomen, er bevindt zich een geïmproviseerde school voor kinderen van Afrikaanse vluchtelingen, onlangs opende een Young Jiddish Museum op de vijfde verdieping en ergens is nog een Mac Donalds geopend. Het is om vrolijk van te worden. Wie op een ironische manier naar steden kijkt begrijpt ze veel beter dan wat officiële plannen ons willen doen geloven. Nir en ik waren het erover eens. Een stad is een natuurlijk ecosysteem.

 

Kiezen voor Tel Aviv

On 28 december 2016, in duurzaamheid, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Urburb’ (2014) van Roy Brand en Ori Scialom:

Afbeeldingsresultaat voor the urburb

Nog voordat ik in zijn auto stapte gaf hij me een exemplaar van zijn boek in handen. Voor onderweg, zei hij, om in te lezen. Ori Scialom, die mij een lift gaf van Tel Aviv naar Jeruzalem, wilde dat ik kennismaakte met de ruimtelijke orde van de jonge Israëlische staat. In ‘The Urburb’ hebben hij en zijn collega Roy Brand nauwkeurig beschreven hoe die moderne orde na 1948 is ontstaan. Het boek begeleidde de inzending van Israël aan de 14e Architectuurbiënnale van Venetië, die van curator Rem Koolhaas. Een eerste nationale plan, opgemaakt door Aryel Sharon, een Israëlische architect die nog aan het Bauhaus had gestudeerd, zag, zo lees ik, in 1951 het licht. Het ging uit van ruimtelijke spreiding van de toekomstige bevolking van 2,6 miljoen Israëlieten over het gehele grondgebied van de jonge joodse staat. In die eerste decennia van staatsvorming werden door de regering liefst 400 dorpen gebouwd en meer dan 30 nieuwe steden gesticht. Niet meer dan 45 procent van de bevolking zou in grote steden mogen wonen, de meerderheid moest op het platteland, dat was het doel van de staat. Een Europees patroon werd nagestreefd, onderbouwd met quasi-wetenschappelijk onderzoek zoals de Centrale Plaatsentheorie van de Duitser Walter Christaller, alles op modernistische leest geschoeid: met ruimtelijk gescheiden functies, in afzonderlijke woonwijken, steden van een begrensde omvang, onderling goed verbonden, dus voorzien van veel infrastructuur, zonder de nadelen van de grote stad, anti-stedelijk dus. De overeenkomsten met de naoorlogse Nederlandse ruimtelijke ordening zijn opvallend, nee treffend.

Juist de nieuwe steden, aldus Brand en Scialom, zijn achteraf geen succes gebleken: te lage dichtheid, te weinig samenhang, te haastig neergezet, onvoldoende stedelijk, te afgelegen. Scialom: “The ‘alienation, degeneration and low quality of life’ in the big city, so consistently denounced by official State propaganda, were replaced in no time with homogeneity, remoteness and deprivation.” Vooral de vele infrastructuur die nodig was om de nieuwe steden te ontsluiten en met elkaar te verbinden bleek achteraf erg duur. Israël is hierdoor verslaafd geraakt aan de auto, het openbaar vervoer is er ondermaats. En uiteindelijk kozen veel burgers toch voor de grote steden: Jeruzalem, Haifa en Tel Aviv. Die koken nu over. Echter, toen de Likud partij in 1977 aan de macht kwam werd het alleen nog maar extremer. Rechtse regeringen handhaafden de ‘geconcentreerde’ spreidingspolitiek, die ze radicaliseerden en waarmee ze nu ook politiek wilden bedrijven. Mensen mochten van premier Menachem Begin hun eigen huis bouwen, later zelfs in bezet gebied: “The satellites were perplexing from the outset and seemed like a vengeful costume party of former public housing residents.” Terug in Nederland las ik over de resolutie van de VN-Veiligheidsraad die tijdens mijn bezoek was aangenomen. Dit is wat ik dacht. Los van het omstreden politieke karakter is het Israëlische spreidingsbeleid zwaar verouderd. Het is te kostbaar, niet duurzaam, onvoldoende inclusief, niet stedelijk gebleken. De regering zou voor de grootstedelijkheid van Haifa en Tel Aviv moeten kiezen.

Tagged with: