Doorrijden!

Gelezen in Le Monde van 14 april 2012:

De wetenschappers uit Parijs met wie ik in Washington DC de woning deelde, zaten er vol van. Uiteraard had hun opwinding te maken met de Franse verkiezingskoorts aan de vooravond van de presidentsverkiezingen die later door Francois Hollande zouden worden gewonnen. Het betrof het plan van burgemeester Delanoë om de kades in de binnenstad van Parijs over een lengte van twee kilometer autovrij te maken. Delanoë, de bedenker van ‘Paris Plage’, had het idee op woensdag 14 april 2012 gelanceerd. Binnen twee jaar wil hij het verkeer over de linkeroever verwijderen en over de rechteroever sterk reduceren. Het gaat om een gebied van 15 hectare, waarvan 4,5 hectare helemaal zal toevallen aan de voetganger. Doel: de stedelijke luchtkwaliteit verbeteren en de openbare ruimte aantrekkelijker maken. Kosten: 40 miljoen euro. Ik begreep dat de presidentskandidaten zich erop hadden gestort, met felle voor- en tegenstanders. Op rechts was men uiteraard fel tegen, op links juist voor. L’APUR, het ontwerpbureau van de gemeente, had enkele impressies getekend van hoe de autoloze kades – de berges – eruit zouden kunnen zien. APUR had ook kunstmatige eilanden in de Seine getekend ter hoogte van de Eiffeltoren, met paviljoens erop en uitspanningen, deze waren onderling verbonden door bruggen. “Organisées autour de plusieurs pôles, dont la culture, le sport et la nature, ces nouvelles berges devraient aussi laisser une place aux espaces dédiés à la nuit," aldus de Parijse burgemeester.

Mijn Franse vrienden gruwden van het hele idee. Ze vreesden dat de binnenstad van Parijs nog meer uitgeleverd zal worden aan de toeristen. Vooral de eilanden met vermaak in de Seine stuitten hen tegen de borst. Daar gaat, voorspelden ze, Parijs later enorme spijt van krijgen. Afkeurend spraken ze van ‘Disneyficatie’ van heel Parijs en stelden hun linkse burgemeester ervoor verantwoordelijk. Op de website van Le Monde lees ik echter heel andere reacties. Iemand stelt daarop zelfs voor de autotunnel onder de Seine helemaal door te trekken naar de tunnel onder het Kanaal. Dan kan het Parijse autoverkeer in één ruk doorrijden naar Engeland. Zo ken ik de Fransen weer. In juni beslist de raad.

Tagged with:
 

Food for thought

Gehoord op 5 mei 2012 in Washington DC:

De ochtend van de tweede dag van het symposium ‘Food & The City’ op Dumbarton Oaks, Washington DC, was geheel gewijd aan Parijs. Al tijdens het ‘Ancien Regime’ waren de zogenaamde ‘kitchen gardens’ in en rond de Franse hoofdstad een bezienswaardigheid. De ‘Marais’ liepen in een band rond Parijs van het noorden naar het oosten, ze waren bestemd voor intensieve groenteteelt, op de zuidhellingen van de stad groeiden druiven. Florent Quellier van Université Francois Rabellais vertelde er het volgende over: “Not only were the Parisian kitchen gardens spaces of modernity, displaying technical advances such as fertilizing, climate control, and pruning techniques, they also illustrated the concept of urbanity and civility.” Kortom, innovaties in de land- en tuinbouw vonden in steden plaats, ze waren onderdeel van de beschaving, dit is trouwens van alle tijden. Soortgelijke innovaties behandelde Susan Taylor-Leduc van Trinity College in Parijs. Zij vertelde over de ‘jardin maraichers’ even buiten de vestingwerken in de negentiende eeuw, die het sterk vervuilde maar vruchtbare water uit de pas aangelegde riolering van Baron Haussmann gingen gebruiken voor bevloeiing van het land. “The concept of a circulus, an interconnected organic system, inspired 19th-century engineers, hygienists and chemists to industrialize the process of intensive fertilization practiced by market gardeners to irrigate land with non-human waste.” In 1893 werd bij Gennevilliers een ‘sewage farm’ gesticht die uiteindelijk tweeduizend ares land met stront bevloeide; jaarlijks werden daar meer dan 40.000 witte, groene en rode kolen geoogst, die buiten Les Halles aan de burgers van Parijs werden verkocht.

Het derde deel in de reeks Parijs-lezingen werd verzorgd door Meredith Tenhoor van Pratt Institute. Zij liet haar licht schijnen over de twintigste eeuwse voedselvoorziening van de Franse hoofdstad en andere Franse steden in de vorm van de naoorlogse ‘Marchés d’Interet National. De voedselmarkt van Rungis ten zuiden van Parijs was er een onderdeel van. De staat ontfermde zich over het voedsel, dat tot dan toe lokaal werd georganiseerd. Door deze grootschalige, aan de nationale spoorwegen gekoppelde marktplaatsen werd het Franse landbouwbedrijf en de organisatie van de steden totaal veranderd. Voedselproductie werd op slag grootschalig en industrieel. Het voedsel, zo centraal in het stedelijke leven, verdween in luttele jaren uit de stad en verschoof naar de periferie, het raakte uit het zicht van de burgers en maakte zowel voedselproductie als voedselconsumptie volkomen anoniem. Weg was het rijke culturele leven van de Parijzenaar waarin voedsel zo’n voorname rol speelde. Toch geloofde Tenhoor dat Rungis een nuttige rol kan spelen in een terugkeer naar duurzamer, meer lokaal georiënteerde voedselpatronen. Hoe precies, dat vertelde ze er niet bij. Het was een klein lichtpuntje in een verder somber stemmende ochtend.

Tagged with:
 

‘It is a shambles’

Gelezen in Het Parool van 12 mei 2012:

Van Jane Jacobs is de uitspraak: “Macro-economics – large-scale economics – is the branch of learning entrusted with the theory and practice of understanding and fostering national and international economies. It is a shambles.” Economische groei, aldus Jacobs in ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1985), wordt niet door naties gemaakt, maar in steden. Macro-economen willen dat maar niet begrijpen. Ik moest eraan denken toen ik afgelopen zaterdag over de voorgenomen bezuinigingen van de gemeente Amsterdam in Het Parool las. De enige stedelijke economie die nog goed draait in dit land laat zich de maat nemen door Den Haag en conformeert zich aan andere steden die economisch veel slechter presteren, ze neemt zich voor tenminste evenveel te bezuinigen als de anderen. Met zichtbaar genoegen haalt journalist Karman de Rotterdamse wethouder financiën aan, die 2500 ambtenaren ontslaat en stevig bezuinigt op de gemeentelijke begroting. Over Amsterdam zou ze in De Telegraaf hebben gezegd dat die gemeente niet genoeg bezuinigt omdat de gemeenteraad er te tam is. “In Amsterdam heerst toch een andere politieke cultuur.” Volgens Karmans heeft de raad deze week de kans ‘zich te revancheren’. Alsof het een kampioenschap bezuinigen betreft. Alsof – om Jane Jacobs te parafraseren – de economische situatie in Rotterdam niet fundamenteel afwijkt van die in Amsterdam.

Als het gras te hoog wordt, knippen jullie het af. En gras dat slecht groeit, wordt juist bemest.” Die uitspraak deed diezelfde zaterdag Walter Lewin, hoogleraar kernfysica aan MIT in Boston, in NRC Handelsblad. Een ‘center of excellence’ is in Nederland niet mogelijk, stelt hij vast. “Men vindt dat een vies woord. Alles moet hier hetzelfde niveau hebben. Dat is jullie probleem. (…) Iedereen moet bij jullie gelijk zijn en gelijke kansen krijgen. Dan zet je in op de middelmaat.” Wat voor universiteiten geldt, geldt in Nederland ook voor steden. Wij staan niet toe dat sommige steden zich onderscheiden, dat de ene stad economisch beter presteert dan de andere. Zodra een stad het beter doet dan de andere, wordt hij geschoren. Het zit in onze cultuur. Het is een belangrijke reden waarom de open Nederlandse economie niet uit het dal zal klimmen zonder actieve hulp van buiten. Zelf kan, nee wil ze het niet. Daarom nog eenmaal Jane Jacobs: “The feedback seems to operate on the premise that people who relinquish the civilized art of maintaining creative cities are not to be entrusted with the risks of developing further. (…) Societies and civilizations in which the cities stagnate don’t develop and flourish further. They deteriorate.”

Tagged with:
 

Urban farming extravaganza

Gehoord op 4 en 5 mei 2012 in Washington DC:

Een interessante bijdrage leverde ook Tal Alon-Mozes aan het congres ‘Food & The City’ op Dunbarton Oaks, Washington DC. Haar paper ging over Israelische voedsellandschappen in de twintigste eeuw. Minder bekend dan de roemruchte Kibbutzim waren de kleine stedelijke boerderijen in en rond Tel Aviv die voedsel leverden aan de Joodse migranten die zich vanaf de jaren ‘20 vestigden in Palestina. Als voorbeeld noemde ze Kiryat Avoda. Volgens de volkstelling van 1942 waren er 4669 kleine stadslandbouwbedrijfjes in Palestina. Hun agrarische activiteiten waren geïnspireerd door Ebenezer Howard’s idee van de ‘garden city’ en Leberecht Migge’s gemeenschapstuinen. Het waren vooral vrouwen die het tuinieren in praktijk brachten. Economisch stelde het volgens Alon-Mozes allemaal niet veel voor, maar in de opbouw van het land speelde het verschijnsel een uitermate belangrijke rol. Stadslandbouw werd zelfs een zeer prominent onderdeel van het eerste Nationale Masterplan voor de jonge staat Israel, door Arie Sharon opgesteld (1951). Alon-Mozes: “In nurturing a domestic vegetable garden, one was implementing the essentials of the nation’s revival: productivity, native connectedness to the land, independence and self-fulfillment.” Later zou stadslandbouw in de vergetelheid raken en geen rol meer spelen in de opbouw van het Joodse land.

Tal Alon-Mozes vertelde dat het idee van stadslandbouw ook in Israel weer een comeback maakt. Met name door NGO’s worden achtergestelde groeperingen aangespoord om zich door middel van tuinieren te emanciperen, vooral de recente migranten uit Ethiopië verbouwen hun eigen groente om te integreren in de harde Israelische samenleving. Wat me vooral bijbleef van haar paper waren de aspecten van stadslandbouw die minder met voedsel te maken hebben, maar veeleer met het sociale, zoals vrouwenemancipatie, onafhankelijkheid, zelfverwerkelijking en zelfvertrouwen. In Israel lijkt stadslandbouw vooral ideologisch ingegeven, en natuurlijk ook religieus. Althans, die indruk kreeg ik. Of vergis ik me? Op een website las ik over een ‘urban rooftop garden party’ op de achtste verdieping van een gebouw in het centrum van Tel Aviv, georganiseerd door Green Prophet Jeff, alias The Compost Guy. Het deed me ergens aan denken. “So what’s the schedule for this urban farming extravaganza?”

Tagged with:
 

Gehoord in Dumbarton Oaks, Washington DC, op 4 en 5 mei 2012:

Het symposium over ‘Food & The City’ op Dumbarton Oaks, Washington DC, vond plaats in de Music Room, een uitbreiding daterend uit 1928 van het achttiende eeuwse landhuis waar in 1944 de geallieerden onderhandelden over de oprichting van de Verenigde Naties. In deze historische, met gedempt licht beschenen zaal klonken de historische bijdragen van David Haney (Kent University), David Rifkind (Miami International University), Tal Alon-Mozes (Technion University) en Mary McLeod (Columbia University) over de voedselproblematiek van steden in de twintigste eeuw met een merkwaardige echo. Vreemd, dat de recente trend van ‘urban farming’ zulke duidelijke historische parallellen kent. Want kort voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog en later tijdens de Grote Depressie en de wederopbouw outilleerden alle grote steden zich met tuinen, volkstuinen en tuinbouwarealen om in de eigen behoefte aan voedsel te voorzien. Deze stadslandbouw werd ook toen al gezien als sociaal, emanciperend, duurzaam en gezond. Haney plaatste de figuur van ‘the Anarchist Prince’ Leberecht Migge centraal, en alle latere sprekers refereerden aan deze unieke Duitse tuinarchitect uit het Interbellum. Zo mogelijk nog opmerkelijker vond ik dat alle sprekers erop wezen dat deze stedelijke beweging steeds gepaard was gegaan met oproepen tot ‘spontane’ en ‘organische’ stedenbouw. Migge schreef over ‘Die Wachsende Siedlung’ en Le Corbusier tekende zijn ‘Ferme Radieuse’ en zijn ‘Village Radieux’

Iemand in de zaal vroeg of de populariteit van stadslandbouw en van organische stedenbouw misschien iets te maken heeft met de crisis. Gaan mensen hun eigen voedsel verbouwen zodra er sprake is van ernstige maatschappelijke ontwrichting? En verlangt iedereen ineens naar zelfbouw en ongeplande buurten als de economie stevig neerwaarts gaat? Geen van de historisch geschoolde sprekers durfde dit te ontkennen. Hun verhalen hadden ze geplaatst in situaties van grote maatschappelijke onrust, armoede, ontwrichting, idealisme, bevlogenheid en hoop. Hier een bloemlezing van Twitter-volgers die, door mij gevraagd naar de reden waarom stadslandbouw wereldwijd op dit moment zo populair is, antwoordden: omdat het zo leuk staat in de media, vanwege imagoverbetering van eigenaren, vanuit het besef dat langeafstandsrelaties met landbouw en voedselvoorziening onzeker en niet transparant zijn, om dezelfde reden waarom we in het voorjaar krokussen en hyachinthen op tafel zetten, vanwege de structurele leegstand en de duurzaamheid, omdat het zo leerzaam is voor kinderen. Iemand zond me een samenvatting van een boek van André Viljoen en Han Wiskerke, getiteld ‘Sustainable food planning: evolving theory and practice’. Daarin worden voedselveiligheid en duurzaamheid van de voedselproductie als de belangrijkste aanleidingen genoemd. “In the wider contexts of global climate change, resource depletion, a burgeoning world population, competing food production systems and diet-related public health concerns, new paradigms for urban and regional planning capable of supporting sustainable and equitable food systems are urgently needed.” Dat laatste klinkt behoorlijk verontrustend. Het antwoord is dus ja.

Tagged with:
 

Ambtenaren en sushi

Gelezen in ‘Low City, High City’ (1983) van Edward Seidenstick:

Jordan Sand van Georgetown University had een paper geschreven over ‘How Tokyo invented Sushi’. Zijn verhaal droeg hij afgelopen week voor tijdens het ‘Food & The City’ symposium in Washington DC. Sushi zoals wij dat als lekkernij kennen is een uitvinding, gedaan in Tokio rond 1820. Het gerecht bestaat uit gekookte rijst, gedrenkt in azijn, met rauwe vis er bovenop. Sushi is tegenwoordig even populair als pizza, maar tweehonderd jaar geleden kenden alleen de inwoners van Tokio het gerecht. Tokio was op dat moment een van de grootste steden ter wereld, de stad telde meer dan een miljoen inwoners. In de achttiende eeuw trof men in Tokio al zeer grote restaurants aan met soms wel meer dan 200 man bedienend personeel. Dat op grote schaal buiten de deur eten hield verband met de aard van de inwoners en hun werk. Tokio werd in de zestiende eeuw gesticht als garnizoensstad van de Shoguns en heette destijds Edo, haar bevolking bestond uit mannelijke adel, priesters en een zeer omvangrijke bureaucratie. Mede daardoor telde de stad veel prostituees. Sushi, aldus Sand, is een erotisch gerecht, een soort van negentiende eeuws fast food dat relatief snel gegeten kon worden door de mannen en hun tijdelijke vriendinnen.

Sushi werd in Tokio zo populair dat de baai voor de kust in relatief korte tijd werd leeggevist. Alle dorpen rond de baai leefden van de visvangst ten behoeve van de sushi-keuken. Er was wel regulering van de vangst, maar die werd na 1870 door de opening van Japan voor buitenlanders opgeheven. De visvangst werd daarna verruild voor de teelt van zeewier. Ook deze zeewier werd weer hoofdzakelijk gebruikt voor de bereiding van sushi. Grote delen van de baai werden hiervoor aangewend. Tot ook deze zeewierbedden moesten wijken, maar dat gebeurde pas begin jaren ‘60 van de twintigste eeuw, toen de zeevaart onbelemmerde toegang tot de baai eiste en de landwinning, gebaseerd op visionaire stedenbouwkundige plannen, aldaar grootse vormen aannam. In ‘Low City, High City’ vergelijkt Seidenstick Tokio met Washington. Beide steden zijn gestichte hoofdsteden, al verbleef de keizer in Kyoto. “More like Washington than London or Paris, it was an early instance, earlier than Washington, of a fabricated capital.” Met geen woord rept hij over sushi. Sushi lijkt echter de verbindende schakel tussen beide hoofdsteden. Zelden zag ik buiten Tokio zoveel sushibars als in Washington DC. Ambtenaren en sushi, een gouden combinatie.

Tagged with:
 

Het plezier van zelfteelt

Gelezen in Trouw van 3 mei 2012:

Afgelopen dagen doorgebracht in Washington DC om te spreken op het jaarcongres van Dumbarton Oaks, het studiecentrum van Harvard University op het gebied van tuin- en landschapsarchitectuur. Het congres stond in het teken van ‘Food & The City’. Landschapsarchitecte Dorothee Imbert van Washington University in Saint Louis had het georganiseerd. In de zaal zaten wetenschappers van alle belangrijke Amerikaanse universiteiten. Ik was gevraagd te spreken over Amsterdam en haar voedselsysteem, in het bijzonder de IJsselmeerpolders. Andere bijdragen gingen over Parijs, Tokio, Guangzhou, Los Angeles, San Francisco, Addis Abeba, de metropolen in Zuid-Amerika en Afrika, alle in relatie tot voedsel. Er waren veel historische studies ook, zoals over Leberecht Migge en Le Corbusier. Wetenschappers kwamen van Harvard, Berkeley, Columbia, Miami International University, Rutgers University, Georgetown University en dus de Universiteit van Amsterdam. Door de historische dimensie van veel studies ontstond een bijzondere verdieping van het onderwerp, dat overal op de wereld in de grote steden sterk leeft, zeker hier in Amerika. Is het een modieuze gril, is het flauwekul?

In het vliegtuig op de heenreis las ik De Verdieping in dagblad Trouw, afdeling Duurzaamheid & Natuur. Een foto van een boer in een aardbeienveld, gekleed in een smoking en een rood vlinderdasje, trok de aandacht. Jan Robben is tuinder in het Brabantse Oirschot, tussen Eindhoven en Tilburg. Hij vertelt dat bijna alle verbouwde aardbeien in Nederland van slechts één soort zijn: Elsanta. Die soort is vooral gunstig voor de sector, want hij is productief, geschikt qua vorm, goed houdbaar en voor alle teeltwijzen te gebruiken. Alleen, hij smaakt niet. Robben en zijn collega’s hadden dat echter niet in de gaten. Ze leverden gewoon aan de veilingen; die gingen later op in The Greenery, die alle supermarkten van Nederland bedient. The Greenery gaf geen feedback. Naar acties van de milieubeweging om minder bestrijdingsmiddelen te gebruiken werd ook al niet geluisterd. Later kwamen de foodies. Robben luisterde toen ineens wel. Zo ontdekte hij dat 96 procent minder milieubelasting mogelijk is als je anders gaat telen en dat de smaak dan veel beter wordt. Ook ontdekte hij dat er wel zeshonderd (!) verschillende soorten aardbeien bestaan, die vaak veel lekkerder zijn. De supermarkten werkten echter niet mee en ook de veiling weigerde zijn producten. Toen heeft hij zijn lidmaatschap opgezegd, omdat hij als lid nergens anders zijn aardbeien mag aanbieden. Daardoor was hij echter wel zijn afzetkanaal kwijt. Hij kon alleen nog leveren aan de Amsterdamse winkels van Marqt. Tweederde van zijn grond moest hij verkopen. Hij teelt nu aardbeienplantjes en verkoopt die aan stedelingen die zelf hun aardbeien telen. “Ik begon met zo’n 500 klanten. Op de website plaatste ik tips en via de sociale media houd ik iedereen ook op de hoogte. Ik krijg daarvoor veel foto’s terug waarvan het plezier van de zelfteelt afspat. Er is echt een community ontstaan. (…) Vooral stedelingen vinden het fantastisch.” Dit noemt hij ‘de aardbeienacademie’. Trendy? Ja. Flauwekul? Nee. Ook de aardbeienacademie had in Washington zijn opwachting kunnen maken.

Tagged with:
 

‘Be afraid, be very afraid’

Gelezen in de Volkskrant van 30 april 2012:

Vandaag zijn er verkiezingen in Londen. Er wordt een nieuwe burgemeester gekozen. De zittende burgemeester Boris Johnson (conservatief) neemt het op tegen zijn oude rivaal en voorganger Ken Livingstone (labour). Er stond afgelopen week een hilarisch portret van Johnson in de Volkskrant te lezen, geschreven door Patrick van IJzerdoorn. Die noemt de geestige Johnson “de interessantste politicus van Engeland.” Vier jaar geleden, tijdens de vorige verkiezingen toen Johnson het opnam tegen de ervaren Ken Livingstone, schreef The Guardian al: “Be afraid, be very afraid.” Johnson staat voor vrijheid en individualisme. De metropool besturen doet hij daarom nauwelijks of niet. Maar hij belooft ook niets. “Het grootste project is Johnson zelf.” Van IJzerdoorn duidt zijn werk als burgemeester aan als “een soort demissionair beleid.” Eigenlijk het enige dat hij in Londen introduceerde was de blauwe leenfiets, genaamd de ‘Boris Bike’. Fietspaden legt Johnson niet aan, want dat kost maar geld. Hij is namelijk ook nog eens erg zuinig. Van IJzerdoorn wijst er fijntjes op dat de Boris Bike nog steeds met logistieke problemen worstelt, maar Johnson heeft er geen last van.

Niets lezen we in het portret van de burgemeester over Londen zelf en hoe de metropool er aan de vooravond van de Olympische Spelen voorstaat. Het enige dat in het relaas dienaangaande te berde wordt gebracht zijn de zomerse rellen afgelopen zomer, toen Johnson juist met vakantie was in Canada en naar eerst leek niet terug te willen komen. Van IJzerdoorn: “Eenmaal terug in de halfverwoeste stad werd hij geconfronteerd met woedende Londenaren.” Livingstone, aldus Van IJzerdoorn, zou in zo’n situatie meer empathie hebben getoond, maar Johnson pakte direct een bezem en ging, “als een cavalerist voor een veldslag,” de Londense straten schoonvegen. Het was de start van een mooie mediacampagne. Op straat oreerde hij: “We need less rational enquiry and more moral outrage!” Hij kwam er goed mee weg. Een pias? Onderschat hem niet. Vanavond weten we meer.

Tagged with:
 

EcoWiki

Gelezen in The Moscow Times van 23 april 2012:

Op de eerste dag van de Moscow Competition las ik bij toeval in het hotel een groot artikel in The Moscow Times over ‘Civic Groups Ride to Cities’ Rescue – on Bikes’. Het artikel ging over Russische actiegroepen die voor ecologische bewustwording onder burgers opkomen. Luchtvervuiling, schrijven de journalisten, is in de grote steden van Rusland schrikbarend, vuilnis wordt willekeurig gestort en de bossen rond de steden worden op grote schaal geveld. Het groeiende autopark is volgens het Ministerie van Milieu nu al voor 40 procent verantwoordelijk voor de stedelijke  luchtvervuiling. Het gemiddelde autobezit is in Rusland op dit moment 244 auto’s per 1000 inwoners, dat is een groei van liefst 70 procent ten opzichte van 2001. In de USA hebben van elke 1000 inwoners 850 mensen een auto, dus de Russische markt is nog lang niet verzadigd. Toch staat het verkeer in een stad als Moskou nu al dagelijks muurvast. Burgers organiseren zich en komen bij de autoriteiten met voorstellen. Vooral via blogs en websites zoals EcoWiki wordt op grote schaal informatie uitgewisseld over milieuvriendelijke oplossingen, zoals fietsen in de stad. In Sint Petersburg namen 35.000 burgers deel aan de publieke discussie over het structuurplan 2020 en EcoWiki telt nu al 2000 vaste bezoekers. “Citizens have actually become a huge group of competent consultants.” Toch staat milieu nog steeds niet prominent op de agenda. Leefbaarheid moet het nog vaak afleggen tegen urgenter geachte problemen.

De actiegroepen, las ik, verbazen zich over het feit dat de regering al heeft besloten om het grondgebied van Moskou met 150 procent te vergroten, dit om de regeringsgebouwen naar buiten te verplaatsen en zo de congestie in Moskou te verminderen. “They point to the complex environmental situation already existing in the territory to be annexed: garbage dumps, testing grounds for chemical and biological waste, and nuclear waste burial sites. Experts claim that there is a shortage of drinking water, which has been already experienced by the capital and is going to become more acute when its area increases. Also, the city’s green belt – forests growing around Moscow that are located in the new territory – may be afflicted as a result of infrastructure development.” Hun waarschuwingen lijken gegrond. Maar verandert er hierdoor ook iets? Nee, want het besluit tot vergroting van Moskou is reeds genomen, er is geen weg meer terug. In een klein berichtje in The Moscow News van 23 april las ik dat bij het dorp Kommunarka ten zuidwesten van Moskou aan de snelweg A101 12.000 hectare land overgaat in handen van senator Moshkovich uit Belgorod. Hij gaat er 1,5 miljoen vierkante meter commercieel vastgoed plus 13 miljoen vierkante meter woonvloeroppervlak ontwikkelen ten behoeve van uitplaatsing van regeringskantoren, een gronddeal ter waarde van 500 miljoen dollar. De journalisten concluderen: “there are no stable mechanisms of interaction between the autohorities and society in ecology. This leads to a vicious circle of policymakers making decisions that can negatively affect the environment, which in turn increases public discontent.” Was het niet president Medvedev zelf die in 2009 ingreep toen de activisten de houtkap voor de nieuwe snelweg naar Sint Petersburg in Khimki Forest blokkeerden en die met een milieuvriendelijker alternatief op de proppen kwam?

Tagged with:
 

Grand design

Gelezen in ‘The Edifice Complex’ (2005) van Deyan Sudjic:

Vandaag is het 1 mei. Ik moet denken aan Josef Stalin. In mijn Moskouse hotelkamer stond een dressoir met op de voorkant het winnende ontwerp van B. Iofan voor het Paleis van de Sovjets uit 1933. Vanuit bed werd ik hierdoor geconfronteerd met het historische gegeven van de eerdere prijsvraag die me sinds de Russische uitnodiging om naar Moskou te komen niet meer had losgelaten. Was deze nieuwe competitie nu een vervolg op die van 1933? Ook de tien architectenteams die door de autoriteiten waren geselecteerd zullen, vermoed ik, aan deze roemruchte prijsvraag hebben teruggedacht toen zij besloten mee te dingen. Niemand minder dan Le Corbusier had zich destijds op het grote plan voor Moskou gestort. Stalin had de prijsvraag uitgeschreven. De stad aan de Moskva was sinds 1918 in inwonertal verdubbeld. Stalin wilde architectuur en stedenbouw gebruiken als propagandamiddel voor zijn totalitaire regime; buitenlandse architecten als Le Corbusier waren maar al te graag bereid zich hiervoor te lenen. Deyan Sudjic duidt deze onweerstaanbare architectonische collaboratie aan als ‘edifice complex’: als een hechte band tussen architect en machthebbers waardoor veelal monsterlijke ‘grand designs’ de geschiedenis van de architectuur zijn gaan teisteren. Het winnende plan voor Moskou uit 1935 was overigens van een Rus, Vladimir Semjonov – een soort art deco piramide met in top een reusachtig beeld van Lenin. Buitenlandse architecten zouden door Stalin uiteindelijk worden buitengesloten.

Het grondgebied van Moskou werd in 1933, net als nu, vergroot met 28.500 hectare. En net als deze keer lagen de in te lijven gronden aan de zuidwestkant van de stad. In datzelfde jaar 1933 werd ook begonnen met de aanleg van de metro; twee jaar later kwam de eerste lijn gereed. Stalin wilde dat de tegenstelling tussen het rijke centrum en de arme buitenwijken werd opgeheven. Overal door de stad zouden daartoe culturele en maatschappelijke gebouwen worden opgericht. In het centrum dacht hij zich het Paleis voor de Sovjets op de plek van de kerk van Christus de Verlosser, pal naast het Kremlin. Het zou door oorlogsomstandigheden nooit gereedkomen. Het profiel van de Tverskaya straat werd verbreed van 18 meter naar 60 meter en omgedoopt in Gorkistraat. De nieuwe straatwanden moesten refereren aan de kunstzinnige canons van de oudheid. Via deze monumentale straat zou men vanaf het Rode Plein in de richting van Leningrad opmarcheren. Aan de Tverskaya Ulitsja stond afgelopen week mijn hotel. Als ik door het raam keek zag ik de triomftochten van Josef Stalin door de straat aan me voorbijtrekken. Sudjic: “Stalin started looking inwards, and backwards, in the 1930s. The past was certainly where his literary tastes were – with Gorky and Pushkin, rather than with Russia’s twentieth-century avant-garde”, om zijn betoog te vervolgen met: “Huge buildings, triumphal axes, and the use of vast quantities of stone deployed in ways that were designed to intimidate pedestrians characterized all of the totalitarian regimes, Marxist, fascist, or nationalist.” En wat deden de architecten? “Rather than not build at all, they were ready to build what the State wanted.” Ook in 1933 was het crisis.

Tagged with: