Metropolitaan communisme

On 25 november 2014, in wonen, by Zef Hemel

Gehoord in Parijs op 21 november 2014:

LIN, Finn Geipel + Giulia Andi

De economie van Groot-Parijs is bijna even groot als die van Nederland: 610 miljard euro versus 660 miljard euro. Groot-Parijs telt 10 miljoen inwoners, ons land bijna het dubbele. Per hoofd van de bevolking presteert Groot-Parijs  economisch dus veel beter dan Nederland. Dat hoeft niet te verbazen. Een enkele grote stad is nu eenmaal economisch veel krachtiger dan een samenraapsel van kleine steden. Het is een keuze. Toch bestaat Groot-Parijs voor tachtig procent uit platteland. En het is, net als in Nederland, overwegend vruchtbaar bouwland. Ondertussen groeit Parijs jaarlijks met 50.000 nieuwe inwoners. Dat vertelde Bertrand Lemoine, historicus-ingenieur, tevens oud-directeur van het Atelier du Grand Paris. Hij gaf een introductie op Grand Paris tijdens de conferentie ‘La Ville du Futur’ in La Defense, hij benadrukte het multipolaire karakter binnen de metropoolvorming en problematiseerde het grootstedelijke bestuur.

De groei van Parijs, aldus Lemoine, vindt niet meer plaats in de periferie. Die metropolitane periferie is daar liefst 1000 kilometer lang, maar onder de mensen is die zone weinig geliefd. Hij noemde de politiek van groeikernen rond Parijs mislukt. De contrasten binnen Groot-Parijs zijn erg groot en groeien. In het centrum zijn de grondprijzen extreem; ook het westen doet het veel beter dan het noorden of het oosten. In het centrum wil iedereen wonen, maar het lukt niet om aan deze marktvraag te voldoen. Parijs moet verder verdichten. Dat doet ze ook. Maar te langzaam. De nieuwe, kostbare metrosystemen met hun 70 nieuwe stations moeten hierin uitkomst gaan bieden. Later sprak nog de wethouder Ruimtelijke Ordening van Parijs, Jean-Louis Missika. Hij gaf de oplossing voor het nijpende probleem: niet zozeer meer bouwen, want dat lukt toch niet, maar huizen delen, kamers delen, voorzieningen delen, leven in kleinere ruimtes met minder spullen, het past volgens hem in de nieuwe vorm van delen en samenwerken – metropolitaan ‘communisme’ – die over ons spoelt.

Tagged with:
 

Stadsambassade

On 24 november 2014, in bestuur, economie, innovatie, by Zef Hemel

Gehoord in La Defense, Parijs op 20 en 21 november 2014:

Door de ambassades van Nederland in Parijs en die van Frankrijk in Den Haag was er afgelopen week een grote tweedaagse conferentie over de toekomst van de stad belegd in Parijs, in het CNIT. Het Nuffic in Den Haag had bovendien ruim dertig jonge getalenteerde studenten en PhD’s uit verschillende universiteitssteden in de twee landen uitgenodigd om deel te nemen. Deze jonge mensen kwamen uit Lille, Lyon, Marseille, Bordeaux, Parijs, Eindhoven, Nijmegen, Enschede, Utrecht, Leiden, Amsterdam. In werkelijkheid bleken veel studenten en afgestudeerden afkomstig uit Italië, Pakistan, Palestina, Marokko, Canada, China enzovoort, want zo zit de wereld tegenwoordig in elkaar. Een pre-conferentie op de donderdagochtend maakte de gemoederen onder de jonge talenten los. Wat die grootstedelijke toekomst betreft, die bleek vooral ‘smart‘. Want het Smart City-spook waart rond, ook door Europa.

De aanleiding: in januari had de Franse president Hollande een bezoek gebracht aan ons land. Korte tijd later was premier Manuel Valls in zijn voetspoor getreden. In Amsterdam hadden ze afgesproken om de inhoudelijke samenwerking tussen de twee landen te intensiveren. De conferentie was er het resultaat van, met de beide ambassades fungerend als een soort ‘stadsambassade’. Wat er uit kwam? In zes workshops wisselden de steden hun ervaringen bij het implementeren van slimme technologieën uit, Parijs en Amsterdam voorop. De beide keynote sprekers Dirk-Jan van den Berg, voorzitter van het College van Bestuur van de TU Delft (over AMS), en Remy Dorval, directeur van Fabrique de la Cité, noemden de toekomst van onze steden als het belangrijkste onderwerp op de actuele beleidsagenda. Natiestaten, aldus de twee, zullen de steden alle ruimte moeten geven om de wereld te redden, want de eerste is allang niet meer het handelende niveau. En in de steden, voegden de deelnemers daaraan toe, zijn het de burgers die daar een beslissende invloed moeten krijgen. Niemand die dit tegensprak.

Tagged with:
 

Agglomeratievoordelen

On 21 november 2014, in infrastructuur, politiek, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord in Eye, Amsterdam, op 17 november 2014:

 

In filmmuseum Eye sprak maandagavond Pieter Hooimeijer, hoogleraar sociale geografie aan de Universiteit Utrecht, de zogenaamde ‘Utrechtlezing’ voor de alumni van deze universiteit. Hooimeijer had het over het recente advies van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) over de toekomst van de stad. Mij hadden de organisatoren om een reactie na afloop gevraagd. Het werd een memorabele avond. Aan het begin van zijn uiteenzetting vertoonde Hooimeijer de beroemde TED-talk van Geoffrey West, bioloog verbonden aan het Santa Fe Institute in Los Alamos. Boodschap: hoe groter een stad, hoe efficiënter. Maar ook: hoe groter de stad, hoe meer welvaart. Die efficiency van grote steden, aldus West, vertaalt zich ook in infrastructuur. Bij een verdubbeling van de omvang van de steden heb je maar 85 procent extra infrastructuur nodig. Tel uit je winst. Hooimeijer liet het filmpje zien om het begrip ‘agglomeratievoordelen’ duidelijk te maken. 

Daarna vertelde de hoogleraar dat Nederland veel agglomeratievoordelen mist omdat onze steden te klein zijn. ‘Amsterdam is een dorp!,’ riep hij uit. Dat wilden de Utrechtenaren graag geloven. De hoofdstad zou eigenlijk in omvang moeten verdubbelen. Maar dat vond Hooimeijer juist niet. Schiphol zou dat volgens hem verhinderen. Daarom had de Raad een list bedacht. De steden zouden bij hun buren moeten lenen. Dat vereist samenwerking, nee complementariteit, en vooral snelle verbindingen. Zelf vond ik dat een te snelle conclusie. Ik begreep ook niet waarom we de TED Talk van West hadden moeten aanhoren. Met extra infrastructuur zondigen we toch tegen de wet van West? Die stelt juist dat grote steden efficiënter met hun infrastructuur omspringen. En trouwens, door Utrecht, Eindhoven en Amsterdam met een hogesnelheidstrein te verbinden verdubbel je niet de kritische massa van Amsterdam. Wat, vroeg ik bijna wanhopig, heeft de Fyra (kosten ruim 7 miljard euro) ons aan agglomeratievoordelen opgeleverd? Mijn pleidooi: meer fietspaden! Het werd een vrolijke avond.

Geomancer’s Compass

On 20 november 2014, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 8 oktober 2014:

Umbrella-revolution-explainer-01

Met meer dan gewone aandacht volg ik de ‘umbrella revolution’ in Hongkong. Via Twitter gaat dat heel gemakkelijk. In NRC Handelsblad las ik bovendien een column van Louise Fresco, die een treffende analyse van het fenomeen gaf. Twee generaties geleden was Hongkong nog arm – vooral ouderen en kinderen leefden in schrijnende armoede – en ook toen gingen de mensen de straat op. Later werden ze opgehitst door de machthebbers in Peking. Dat was op het hoogtepunt van de Culturele Revolutie. Maar mensen, aldus Fresco, gaan de straat niet op om economische redenen. Wel is dit vaak de aanleiding. Sociale en psychologische factoren zijn volgens haar veel belangrijker. Op dit moment is de bevolking van Hongkong veel beter af. De armoede is minder. Toch heerst bij de jongere generatie het gevoel gemarginaliseerd te worden. Fresco: “Hongkong is de meest inegalitaire stad onder de ontwikkelde economieën. Ongelijkheid neemt toe, terwijl de sociale mobiliteit gering blijft.” De stad is te sterk afhankelijk van de financiële sector, die alleen hoogwaardige banen creëert en weinig werkgelegenheid voor het middenkader.

In ‘Hong Kong: Epilogue to an Empire’ (1997) schreef Jan Morris over een stad die door de Britten meer dan honderdvijftig jaar lang voorbeeldig was bestuurd en die op het punt stond overgedragen te worden aan China. “They have arranged to leave behind them a society not only stable, educated, prosperous, free, and administered by its own indigenous civil service, but also represented by a publicly elected legislature of fellow-citizens.” Voor de Britse Morris was Hongkong niet alleen de laatste Europese kolonie die aan de inheemse bevolking werd overgedragen, de stad stond ook voor wat er met de wereld aan de hand is: de triomf van het autoritaire kapitalisme, de opkomst van Azië, de sterk toenemende macht van technologie. Deze stad, schreef ze, is een spiegel voor de wereld, “or perhaps a geomancer’s (waarzegger, ZH) compass.” Dat gevoel heb ik op dit moment ook.

Tagged with:
 

Cool planning

On 19 november 2014, in onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 10 november 2014:

Afgelopen week werd ik, als keynote speaker op de World Cities Culture Summit  2014, door de dagvoorzitter aan het publiek voorgesteld als ‘a cool planner’. Opgelucht haalde ik adem. Het herinnerde me aan een recent artikel in The Guardian van de hand van Tom Campbell. In ‘For the sake of our cities, it’s time to make town planning cool again’ stelde deze dat het met onze steden misschien goed gaat, maar met het planningstelsel en de professie van de planners absoluut niet. “Just as they are needed more than ever, the status of planners and city administrators has never been lower.” Burgemeesters treden op de voorgrond, maar hun planologen worden ondertussen afgedankt. In Groot-Brittannië stelde premier Cameron zelfs dat hij een eind wil maken aan de bureaucratie, die een hinderpaal zou zijn op de weg naar herstel en succes. En niet alleen de rechtse politici willen van de planners af, dat geldt voor de samenleving in de volle breedte. In de populaire Britse televisieserie ‘The Wrong Mans’ speelt Noel een nerdish planoloog die  werkt voor de gemeente Bracknell. Hij is een belachelijke figuur. Ga dus geen planologie of stedenbouw studeren, want denk om je status; die kan alleen maar vallen. Kies dan liever voor ‘Urban Studies’.

Het is hun eigen schuld, stelde Campbell. Een van de oorzaken is de opleiding van planologen. Die is over-gespecialiseerd geraakt. Dat houdt in dat planners alleen nog maar kunnen communiceren met hun soortgenoten. Hun taal is abstract geworden, raar vakjargon. Leken worden heel soms toegelaten tot het planningsdebat, maar dan alleen op de voorwaarden van de planologen. De ontwerpers onder hen zijn vrij gaan ontwerpen, alsof er geen samenleving meer is, terwijl de sociale planners zich hebben vastgebeten in procedures, wetgeving en institutionele kaders. Jonge mensen willen daardoor geen planning meer studeren. En het vak zelf? Terwijl de professionele planners op hun kantoren zitten te vergaderen en de politiek keer op keer op hen bezuinigt, maken de burgers zich op voor een mars naar de stadhuizen. Waarom, vraagt Campbell zich af, gaan de planners niet de straat op en maken ze zich sterk voor een grotere rol voor de burgers in de planning? Antwoord volgens Campbell: ze kunnen het niet, ze missen daarvoor de vaardigheden. Meer radicaliteit is daarom dringend gewenst. Er is behoefte aan ‘cool planning’. Dat begint op de universiteiten.

Tagged with:
 

Citizen science

On 18 november 2014, in participatie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 20 september 2013:


Hij is hoofd van de programmagroep Politieke Sociologie aan het Amsterdam Institute of Social Science van de Universiteit van Amsterdam. Hij doet onderzoek naar citizen science in de sociale wetenschappen. In de natuurwetenschappen bestaat dit fenomeen al langer: burgers actief mee laten denken bij wetenschappelijk onderzoek. Christian Broër (1967) ziet het ook als een reactie op de veelal terechte kritiek op sociaalwetenschappelijk onderzoek, waarbij wetenschappers nauwelijks samenwerken. Ook wordt hun werk amper door de collega’s gelezen. Triest. Gevaarlijk ook. In Het Parool las ik een interview met hem. "Transparantie in combinatie met samenwerking helpt fraude of andere misstanden te voorkomen. Ook de invloed van opdrachtgevers wordt kleiner." Een zoektocht naar integere wetenschap dus door amateurs te betrekken in de wetenschap.

De grote vraag is of leken wel voldoende kennis hebben om onderzoeksresultaten te interpreteren. Het antwoord laat zich raden: bij uitkomsten van sociaalwetenschappelijk onderzoek is dit zeker het geval. De vakgroep heeft ook software ontwikkeld die het mogelijk maakt de samenwerking zodanig te ontwikkelen dat mensen met verschillende meningen de ruimte krijgen. En dan krijg je dit: "het gegeven dat mensen hun persoonlijke voorkeuren overstijgen als zij op een goede manier met elkaar samenwerken." En ja, er is meer dan één waarheid, maar het aantal waarheden is ook weer niet oneindig. Zijn wens: een platform ontwikkelen "waarbij gebruikers elkaar op verantwoorde wijze aanvullen en corrigeren." Sociale media doen dit onvoldoende. Broër noemt het software die het voor experts en amateurs aantrekkelijk maakt “om diepgaander betrokken te raken bij de sociale vraagstukken van deze tijd." Mooi. Heel mooi.

Tagged with:
 

Creating the common goods

On 17 november 2014, in cultuur, filosofie, kunst, by Zef Hemel

Gehoord in het Paleis op de Dam in Amsterdam op 12 november 2014:

Benjamin Barber was hoofdspreker in het Paleis op de Dam bij de openingsceremonie van de World Cities Culture Summit 2014 in Amsterdam. Zevenentwintig metropolen onder aanvoering van Londen waren drie dagen te gast in Amsterdam om ideeën uit te wisselen over de rol van kunst in de stadsontwikkeling. De Amerikaanse politicoloog-filosoof sprak hen toe in de Burgerzaal. Ditmaal ten overstaan van de koning, die aanhoorde hoe de Amerikaan de natiestaat opnieuw wegzette en voorspelde dat over twintig jaar niet landen, maar genetwerkte steden de wereld zullen regeren. Waarom? Omdat landen vooral in grenzen denken, in onafhankelijkheid, terwijl steden praktisch opereren in netwerken en denken in wederzijdse afhankelijkheden. Als Duitsland groter wordt, wordt Polen kleiner, verduidelijkte hij; maar de groei van Warschau gaat niet ten koste van Berlijn. Barber verbond steden met kunst met democratie. Hij citeerde Javier Nieto: ‘De stad is kunst’. Daarmee las hij vrij letterlijk voor uit hoofdstuk 10 van ‘If Mayors Ruled the World’, zijn nieuwste boek uit 2013. "If one must choose, it is more appropriate to treat the city as the instrument of the arts rather than the other way round, for it exists in a certain sense for art."

Kunst, zei Barber, gaat over het publieke, de commons, de openbare ruimte, over datgene wat wij met elkaar delen. Kunst refereert ook aan democratie, omdat rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid en participatie ook in de verbeelding die de kunst kenmerkt een voorname rol spelen; kunst, ten slotte,  is kosmopolitisch, ze kent geen grenzen. Op het platteland zijn wij niet vrij, stelde Barber, wel in de publieke ruimte in de stad: de parken, de pleinen, de agora. Maar de opmars van de privatisering en het terugdringen van de stedelijke publieke ruimte betekent een aanslag ook op de kunsten. Dom is dat, want kunst en verbeelding stimuleren juist de economie. “So the arts benefit the urban economy, because to benefit the commons, to enhance the community, to help create common goods and public space, is economically beneficial.” En toen kwam het. We hebben geen ‘Declaration of Independence’ nodig. De wereld is daarvoor te complex en te vervlochten geworden. Wat we nodig hebben is, aldus Barber, ‘a Declaration of Interdependence’. U kunt het allemaal op uw gemak nalezen in het hoofdstuk getiteld ‘Cultural cities in a multicultural world’.

Tagged with:
 

22 miljoen mensen zonder water

On 14 november 2014, in water, by Zef Hemel

Gelezen in Het Financieele Dagblad van 24 oktober 2014:

Afgelopen week een fotograaf ontmoet. Raakte met hem in gesprek. Hij vertelde me dat hij vier jaar in Sao Paulo had gewoond. Niet in Brazilië, verduidelijkte hij, maar in Sao Paulo. De stedelijke regio in het zuiden van het land telt 22 miljoen inwoners, haar grootstedelijke economie is 411 miljard euro waard, dat is een derde van de hele Braziliaanse economie. Sao Paulo is zo groot, dat je haar eigenlijk nooit verlaat. De rest van het land bestaat voor de inwoners eigenlijk ook niet. Dat is geen provincialisme, maar grootstedelijkheid. Je oriënteren kun je je er ook al niet; wil je bij iemand elders in de stad op bezoek, dan bepaal je eerst een plek in de stad die je kent, gaat daar naar toe, om vervolgens je opnieuw te oriënteren, om zo uiteindelijk op je bestemming te arriveren. Daardoor maak je vaak enorme omwegen. Met GPS, zei de fotograaf, is dat probleem overigens opgelost.

Rond dezelfde tijd besteedde Het Financieele Dagblad aandacht aan zakenstad Sao Paulo, de economische motor van het land. Die motor ondervindt ernstige hinder van droogte. Dit jaar bleven de tropische onweersbuien uit. Vorig jaar viel er ook al geen regen. Daardoor zijn de watervoorraden opgeraakt. De rivierbeddingen staan droog, transport over water is niet meer mogelijk, de centrales kunnen niet meer worden gekoeld, de energievoorziening wordt bedreigd. Zelfs de superrijken krijgen er last van. En het erge is, veertig procent van het drinkwater lekt weg of wordt gestolen. De Braziliaanse Rijkswaterstaat wil nu de kraan dichtdraaien. Maar daarmee zou de economie van Sao Paulo tot stilstand komen. De stad probeert nu uit alle macht dit te voorkomen. Ze kan het probleem zelf oplossen, zegt ze. De waterconsumptie heeft ze de afgelopen tien jaar al gehalveerd. Maar de staat ziet dat niet. Die begrijpt niet hoe steden functioneren.

Tagged with:
 

Haven paaien

On 13 november 2014, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 1 oktober 2014:

Misleidende kop: ‘Zonder haven geen Singapore’. Het artikel van de hand van correspondent Melle Garschagen in NRC Handelsblad ging over de nieuwste havenplannen van de met ruimte woekerende stadstaat ten zuiden van Maleisië. Aan het schiereiland Tuas van Singapore zal een vier vingerige containerhaven worden toegevoegd door opspuiting, de eerste vinger daarvan, ter waarde van 596 miljoen euro, werd afgelopen zomer succesvol aanbesteed. Voor alle duidelijkheid: het betreft hier een verplaatsing van de bestaande terminals. Alleen door een nieuwe, volkomen gerobotiseerde haventerminal elders te bouwen kan de haven van Singapore overleven. In Maleisië en Indonesië zitten de concurrenten die azen op de markt van containeroverslag. Op de plaats van de bestaande havenarealen zal vanaf 2027 een nieuwe stad verrijzen. Werkgelegenheid schept de nieuwe containerhaven ook niet – het betekent eerder banenverlies -, maar de nieuw te bouwen stad op de plaats van de huidige haven schept wèl heel veel nieuwe banen! En appartementen!

Zo doe je dat dus. Stad bouwen door haven te verplaatsen. De transformatie vindt overigens onder druk van de 5,5 miljoen Singaporesen plaats. Want die willen banen en appartementen zo dicht mogelijk bij de stad. Ze gingen zelfs massaal de straat op, wat in Singapore hoogst ongebruikelijk is. De stad dreigt volgens de inwoners onleefbaar te worden. Garschagen: "De regering van Lee beseft dat ze banen moet creëren en ruimte maken voor appartementen om aan de macht te blijven." De bestaande haven omtoveren in een nieuw stuk stad en de havenbaronnen paaien met een nieuwe haven, dat is dus haar strategie. Dus om nou te beweren dat de haven essentieel is voor het voortbestaan van Singapore lijkt me onzin. De stad is, anders dan bijvoorbeeld Rotterdam, sterk ontwikkeld over de volle breedte van het economische spectrum. Vladan Babovic van de National University of Singapore komt in het artikel aan het woord en stelt dat ‘zonder het een al het andere wegvalt’, maar dat is twijfelachtig. Deze dichtbevolkte stadsstaat zou heel goed zonder zeehaven kunnen. Juist doordat haar economie zo divers is, is ze veerkrachtig. Net zoals Los Angeles zonder haven kan, kan ook Singapore zonder.

Tagged with:
 

Push a Negative Hard

On 12 november 2014, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Rules for Radicals’ (1972) van Saul Alinsky:

Hoe werken mensen beter samen? Daarover ging mijn lezing in Utrecht, twee weken geleden. Mijn antwoord: werken in kleinere eenheden, meer zelfsturing, minder controle, minder management. Dit kan alleen als de kans op conflicten gereduceerd wordt. Hoe bannen wij conflicten uit ons werk? Een van de voorbeelden die ik noemde was het werk van Saul Alinsky (1909-1972), opbouwwerker uit Chicago en leermeester van Barack Obama. Ogenschijnlijk koos ik daarmee een heel slecht voorbeeld. Hij, Alinsky, zocht conflicten juist op, nee hij maakte ze. Hij bedacht een vijand, creëerde daarmee een gemeenschappelijk doel en bracht zo de mensen samen. Dit noemde hij ‘empowerment’. In 1972 schreef hij er een boek over. In ‘Rules for Radicals’ behandelt hij twaalf regels over symbolische constructies en niet-gewelddadige conflicten die uitmonden in een gestructureerde organisatie van mensen met een duidelijk doel. Werkte het?

Iets van deze bewuste conflicthantering zie je nog steeds in onze samenleving terug. Geen wonder. Veel babyboomers hebben er ooit mee gewerkt en gebruiken het nog steeds, bewust of onbewust. Immers, zij kwamen in opstand tegen hun ouders, het gezag, de autoriteiten. Alinsky gaf hen nuttige tips. Bijvoorbeeld de ander belachelijk maken, waardoor hij geen verweer heeft; de vijand bevechten met zijn eigen regels; de druk erop houden; uitgaan van een dreiging omdat die voor mensen werkelijker is dan de feiten; de vijand bevechten buiten zijn eigen expertise. En wat te denken van deze? "If you push a negative hard enough, it will push through and become a positive." Mensen zullen uiteindelijk kiezen voor de underdog, dus speel de underdog en wees subversief! Misschien, suggereerde ik daar in Utrecht, heeft deze werkwijze, door velen in praktijk gebracht, uiteindelijk wel zoveel sturing en management in onze samenleving noodzakelijk gemaakt. Je moet de mensen niet vertrouwen. Maar als dat zo is, dan kunnen we dit ook weer afbreken. De huidige machthebbers – zelf babyboomers – zullen dit misschien niet snel doen. Dat is dan aan de volgende generatie.

Tagged with: