Open City

On 4 maart 2015, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Open City’ (2011) van Teju Cole:

‘Open City’ van Teju Cole moet je in één keer uitlezen. De lange monologue intérieur van Jules is inderdaad, zoals een criticus schreef, "a meditation on history and culture, identity and solitude". De hoofdpersoon wandelt voortdurend door New York, ontmoet daar allerlei mensen, denkt na over de dingen, over zijn leven, over de stad. Afkomstig uit Nigeria is hij, net als de trekvogels boven zijn hoofd, ooit neergestreken in New York. New York is een typische migrantenstad, want de mensen komen werkelijk overal vandaan. Zelf woont hij dicht bij Columbia University, zijn avondwandelingen begint hij vanuit Morningside Heights, West Harlem. Elke avond loopt hij een stukje verder. "In this way, at the beginning of the final year of my psychiatry fellowship, New York City worked itself into my life at walking pace." Jules is psychiater in opleiding. Hij doorziet de ziel van mensen en doorgrondt, door te lopen, ook de ziel van de stad. Vandaar.

Mooi vond ik de passage in het vliegtuig. Jules vliegt terug uit Brussel, waar zijn moeder ooit woonde, naar New York. Bij landing ziet hij onder zich de stad liggen en stelt zich voor dat het vliegtuig een doodskist is en beneden hem de begraafplaats, met de huizen als marmeren grafstenen. "Then it came to me: I was remembering something I had seen about a year earlier: the sprawling scale model of the city that was kept at the Queens Museum of Art." Het blijkt te gaan om de maquette die in 1964 was gebouwd voor de Wereldtentoonstelling en die sindsdien keurig was bijgehouden en nog altijd te zien in dit museum. "In this case it was the real city that seemed to be matching, point for point, my memory of the model, which I had stared at for a long time from a ramp in the museum." De maquette had hem weer herinnerd aan een verhaal van Borges over cartografen die zo door detaillering waren geobsedeerd dat ze een kaart van het rijk maakten op een schaal van 1:1. "The map proved so unwieldy that it was eventually folded up and left to rot in the desert." Fascinerend. Zo werkt dus onze ziel.

Tagged with:
 

Immigrantvriendelijk

On 3 maart 2015, in demografie, migratie, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 7 februari 2015:

immigrants to Baltimore

Twee artikelen in hetzelfde nummer van The Economist. Het ene over Frankrijk, het andere over de Verenigde Staten. Beide artikelen over immigranten en grote steden. In Frankrijk worden ze als een probleem gezien, in de Verenigde Staten als een oplossing. Zo brandmerkt de Franse regering de 50 tot 100 ghetto-achtige buitenwijken in Franse steden waar moslim-migranten geconcentreerd leven als probleemgebieden. Premier Manuel Valls sprak zelfs van een ‘apartheidsvraagstuk’ dat zou aanzetten tot extremisme, criminaliteit en radicaal islamisme. Sinds 2005, toen de rellen in de Franse banlieus begonnen, is er door de regering al 400 miljoen euro gestoken in renovatie en stedelijke herstructurering. Helpen doet het niet. Frankrijk levert de meeste jihadis aan Syrië en Irak (nu al zo’n 1400), al levert België per hoofd van de bevolking nog meer jonge strijders. “Prison seems to be a particularly efficient incubator.” Kortom, de diagnose en ook de reactie van de Franse regering lijken een verkeerde.

In de Verenigde Staten wordt immigratie juist als een oplossing gezien. In ‘Rolling out the welcome mat’ staan Amerikaanse steden centraal die in de afgelopen jaren een eigen migratiebeleid ontwikkelden. Baltimore trekt Spaanstalige aan uit New York. Haar burgemeester, Stephanie Rawlings-Blake, wil van Baltimore zelfs de meest immigrantvriendelijke stad ter wereld maken. Ook andere Rustbelt-steden zoals Cleveland en Philadelphia verstrekken tegenwoordig stedelijke visa aan migranten die naar hun stad toe komen. Waarom? “Several studies suggest that when immigrants arrive, crime goes down, schools improve and shops open up.” Eenvoudig is het niet, want ook migranten willen veilige buurten, goede scholen en kans op werk. Detroit trekt migranten aan, maar verliest ze ook weer. Baltimore lukt het wel. En hoe. Tussen 2000 en 2013 groeide de immigratie met 50 procent. “In places like Highlandtown, which bustles with Ethiopian, Moroccan and Mexican restaurants, that has started a cycle of gentrification, as affluent young whites have been lured by the new urban vibe.” Kortom, in Europa ziet men het verkeerd, regeringen kunnen het sowieso niet, laat steden dus hun eigen visa verstrekken. laat buurten gewoon verkleuren en vier de gentrificatie, op gang gebracht door de nieuwkomers! Omarm de migranten. In Europa onbespreekbaar. Een taboe.

Tagged with:
 

Utopisch

On 2 maart 2015, in kunst, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in de inleiding bij ‘De Stijl: 1917-1931’ (1982) van Hans Jaffé:

Alweer een tijdje geleden een lezing gegeven in Rotterdam over stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren (1897-1988). Frits Palmboom, bezetter van de Van Eesterenleerstoel in Delft, had mij gevraagd in Het Nieuwe Instituut te spreken over het ontwerp van Van Eesteren van de Houtribdijk tussen Lelystad en Enkhuizen. Wie was eigenlijk Van Eesteren? In de eerste plaats, zei ik, was hij een kind van de Eerste Wereldoorlog. Die gebeurtenis heeft zijn werk blijvend beïnvloed. Kunsthistoricus Jaffé omschreef deze oorlog, die Van Eesteren als jongeman had beleefd, als een periode van volstrekte chaos, die mensen verlangend had doen uitzien naar evenwicht en harmonie. De kring van kunstenaars waarin de jonge Van Eesteren verkeerde, zocht die harmonie in abstractie en precisie. Piet Mondriaan deed dat in zijn schilderijen, Van Eesteren in de functionele organisatie van stad en landschap. Ook met het latere beloop van de Houtribdijk had Van Eesteren, destijds adviseur van de Zuiderzeewerken, naar harmonie en evenwicht gestreefd. Zo is de dijk schitterend opgespannen tussen twee Zuiderzeestadjes, het oude Enkhuizen en het nieuwe Lelystad.

In de inleiding bij de catalogus over De Stijl-tentoonstelling in Stedelijk Museum en het Kröller-Müller Museum uit 1982 had de oude Jaffé geschreven over de tijd waarin de kunstenaars van De Stijl volwassen waren geworden – de schoksgewijze veranderingen door de industrialisatie en de onstuimige groei van de steden. “Op al deze gebieden werd een algemeen plan, een denkbeeld aanvaard als vervanging van individuele, vaak willekeurige beslissingen. Een blauwdruk, een formule vormde de basis voor alle eigentijdse, vooruitstrevende scheppingen.” De blauwdruk moest in de chaos van de moderniteit houvast bieden, ze werd tevens gezien als model voor artistieke productie. “De kunst was een pionier, een gids naar een lichtere toekomst, naar een nieuwe en revolutionaire utopie.” Hoe anders is het nu. De blauwdruk heeft afgedaan, een algemeen plan wordt verafschuwd, abstractie en precisie schitteren door afwezigheid, de chaos wordt aanvaard, verwerkelijking van de harmonie zoeken we tegenwoordig in de achtergebleven stad, niet in een zogenaamd nieuw leven. Er is geen geloof meer in een nieuwe en revolutionaire utopie. Wie begrijpt de Houtribdijk nog? Niemand.

Tagged with:
 

Alice

On 21 februari 2015, in filosofie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Alice in Wonderland’ (1872) van Lewis Caroll:

lewis carroll fine art photography

Volgens Philipp Hubl was Lewis Caroll behalve de schrijver van ‘Alice in Wonderland’ ook een logicus en een filosoof. In ‘Volg het witte konijn’ (2014) stelt hij dat Caroll in zijn populaire kinderboek allerlei filosofische raadsels heeft gecreëerd. Voor hem reden om het Wonderland van Alice te gebruiken als inleiding tot de wondere wereld van de filosofie. De vraag die hij zich stelt is:  “Verwonderen of begrijpen: wat is filosofie?”  om vervolgens Aristoteles te citeren die gezegd zou hebben dat verwondering het begin is van alle filosofie. Ik moest eraan denken toen ik vorige week de vierde editie van De Nieuwe Wibaut opende, de praktijkleergang voor ambtenaren van de gemeente Amsterdam. Die opening vond grappigerwijze plaats in de televisiestudio’s van Endemol in Amsterdam Zuidoost. Verwondering, dacht ik, is het begin van alle goede planning.

Vanzelfsprekend is die gedachte overigens allerminst. Veel planologen verwonderen zich niet over de wereld om hen heen. Op voorhand weten ze de antwoorden al. Planning is voor hen het uitbannen van elk toeval. Maar in De Nieuwe Wibaut stappen de deelnemers in een hoogst onzekere wereld, die voortdurend verandert. Die vreemde wereld lijkt meer op de realiteit dan de saaie werkelijkheid van volwassenen. Net als Alice stellen ze heel veel vragen, gebruiken hun fantasie, handelen in vrijheid, stellen zich van alles voor, passen zich aan vreemde situaties aan, zetten het gelukkige toeval naar hun hand, improviseren erop los, werken zonder plan. Zonder plan? Aanvankelijk heeft Alice in Wonderland wel degelijk een plan. Maar wat moest ze ermee? “De enige moeilijkheid was dat ze er geen flauw idee van had hoe ze het aan moest pakken.” Waarna ze er op los improviseerde. Halverwege het boek zegt ze: “Zo, de helft van mijn plan is alweer uitgevoerd! Wat een problemen geven al die veranderingen!” Om even verderop over al die dieren te klagen die dwarsliggen en zich van haar plan niets aantrekken. Tijdens het spel stelt ze zelfs vast dat niemand zich aan de regels houdt. En de koningin? Die roept maar voortdurend: “Zijn hoofd eraf!”

Tagged with:
 

Kinderen online

On 20 februari 2015, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 16 februari 2015:

150216 Kamervragen 2

Opnieuw een uitverkochte Amsterdamlezing. Ditmaal was het publiek gekomen voor Patti Valkenburg, universiteitshoogleraar Media, jeugd en samenleving aan de Universiteit van Amsterdam. Valkenburg wijdde in haar korte lezing uit over de donkere kanten van het internetgebruik door opgroeiende kinderen. Onderzoek van haar en haar team naar het schermgebruik door adolescenten, zei zij, staat volop in de maatschappelijke belangstelling. Veel onderzoeksgelden heeft ze dan ook weten aan te trekken. Drie vormen van bedenkelijk internetgebruik onderscheidde ze: seksueel risicogedrag, online pesten en gamesverslaving. Wat het eerste betreft hadden de onderzoekers bij 70 procent geen enkel risicogedrag aangetroffen, bij iets meer dan 6 procent was sprake van hoog risicogedrag. Hetzelfde patroon deed zich voor bij online pesten: 6% wordt wel eens gepest, maar 78% nooit. Pesten, aldus Valkenburg, is iets anders dan ruzie maken. Bij pesten is sprake van een ongelijke machtsverhouding. Pesten gebeurt ook systematischer. Ook opvallend: online pesten blijkt onderdeel van pesten in het algemeen. Pesten wordt daardoor nòg complexer. Toenemen doet het verschijnsel overigens niet.

Gameverslaving wordt nog altijd gezien als een voorlopige stoornis, als een vorm van gedragsverslaving, net als gokken. Negen criteria telt de door Valkenburg en haar team ontwikkelde Internet Gaming Disorder Scale. Alweer blijkt het te gaan om niet meer dan 5,5% die is verslaafd, jongens iets meer dan meisjes. Het patroon wijkt ook niet significant af van dat van volwassenen. Wel neemt de verslaving bij meisjes toe, maar dat komt omdat er de laatste jaren zulke leuke internetspelletjes voor meisjes op de markt zijn gebracht. Een inhaalslag dus. Gevaarlijk? Valkenburg bleef genuanceerd; ze pleitte sterk voor het ontwikkelen van zelfcontrole bij opgroeiende kinderen. Ouders hebben daarin een duidelijke taak, vond ze. Trouwens, het spelen van spelletjes op het internet is buitengewoon leerzaam voor kinderen. Echter, overmatig schermgebruik, voegde ze er onmiddellijk aan toe, is natuurlijk nooit goed. De beste opvoeding van een kind is nog altijd heel veel verschillende activiteiten ondernemen.

 

Troeptrimmen

On 19 februari 2015, in afval, duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord op Het Loopveld, Amsterdam, op 14 februari 2015:

Oprichtster en eigenaar Fit Earth

Het gesprek in de sportkantine afgelopen zaterdag ging weer eens over drukte in de stad. Over het fietsparkeren, de vele toeristen, het vuilnis op straat. Ouders wisten wel een oplossing. Alle aandacht richtte zich in eerste instantie op het zwerfafval. Veel bewoners van de grachtengordel, wist iemand, zetten hun vuilnis ‘s avonds al op straat. Geen wonder dat het dan een bende wordt. Hoe ze dat wist? Elke ochtend fietst ze langs de grachten naar haar werk, aan het IJ. Nee, het waren niet zozeer de bedrijven. De bewoners mogen dan klagen, ze zijn zelf mede oorzaak van de troep, concludeerde ze. Iemand anders suggereerde dat de woede zich richt op de toeristen en dat de gemeente hierop wordt aangesproken, maar dat veel klachten vermoedelijk betrekking hebben op het gedrag van de eigen buren. Hierna maakten we de voorlopige balans op: we moeten, om het probleem op te lossen, bij ons eigen gedrag beginnen.

Vervolgens regende het oplossingen. Een van de ouders vertelde dat ze gefascineerd was door afval. Elke ochtend nam ze een tas mee. Je wilt niet weten wat je onderweg tegenkomt, zei ze. Veel afval raapte ze op, bundelde het en wierp het in een vuilnisbak of container. Ze vertelde over ‘troeptrimmen’, dat is een nieuwe sportieve manier om zwerfafval op te ruimen. Op een website las ik: “Het zwerfafval met kniebuigingen, rekkend en strekkend oprapen heeft een positief effect op het lijf, de geest en de buurt. Ergernis nummer drie in Nederland kun je dus omzetten in een positieve beweging.” Ze had nog meer tips. Met drie regels kunnen we alle straten en pleinen van onze steden schoon krijgen: 1. gooi nooit iets weg op straat; 2. raap elke dag tenminste één ding op; 3. moedig twee mensen aan om hetzelfde te doen. De tafel in de sportkantine die ochtend fungeerde even als een buitengewoon intelligent platform. Alles van onderop!

Tagged with:
 

Schraal

On 18 februari 2015, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in S&RO 2014 nr. 5:

Permalink voor ingesloten afbeelding

Nummer 5 van Stedenbouw & Ruimtelijke Ordening (S&RO) editie 2014 was gewijd aan station en luchthaven. Ik ontving indertijd geen nummer, ook al was ik abonnee. Nu nam ik een exemplaar mee uit Den Haag, waar Platform 31 is gevestigd. In de trein terug naar Amsterdam las ik het. De onderwerpkeuze, zo begint het redactioneel, betreft een jubileum. In 2014 was het 175 jaar geleden dat de eerste trein in Nederland reed, u weet wel, tussen Haarlem en Amsterdam.  In datzelfde jaar bestond de KLM 95 jaar. In het nummer wordt de balans opgemaakt van bijna tweehonderd jaar stations- en luchthavenontwikkeling in relatie tot de stedelijke ontwikkeling, lees: de polycentrische metropool. Interessant vond ik vooral het artikel van de onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam en de Technische Universiteit Delft. In ‘More is less? Governance in de Schipholregio’ schrijven gastredacteur Michel van Wijk, Ellen van Bueren en Marco te Brömmelstroet over de vele overlegstructuren rond de nationale luchthaven. Hun analyse van deze overleggen sinds 1987 is genadeloos. Het zijn er erg veel en de inhoud van hun agenda’s verschraalt.

Wat is er loos? Al die overleggen blijken niet meer te werken. “Vergaderingen worden door gebrek aan onderwerpen regelmatig afgezegd.” Bestuurders wisselen elkaar snel af. Gedeputeerde Hooijmaijers moest aftreden wegens corruptie. Zijn opvolger werkte aan een schoon-schip actie. Die daarna deed het weer anders. De affaire-Poot wordt in het artikel niet eens genoemd. Inhoudelijk treedt er een verenging op. Er wordt alleen nog maar over economie gepraat. En een beetje over geluidsoverlast. Duurzaamheid heeft geen prioriteit. Meer dan veertig stakeholders werden in een Q-analyse geïnterviewd. Inhoudelijke ideeën bleken redelijk met elkaar te sporen, maar over de wenselijke bestuursvorm waren de geïnterviewden zeer verdeeld. Sommigen wilden terug naar formele overheidssturing, anderen juist naar open netwerksturing. Wat concluderen de onderzoekers? Voor het sluiten de kringlopen op en rond de luchthaven zou een drastische verbreding noodzakelijk zijn. Technische en wetenschappelijke kennis, lokale praktijk- en belevingskennis zouden elkaar veel directer en ook  intensiever moeten treffen. Waarom gebeurt dit niet? En hoezo corrupt?

Agenda Stad

On 17 februari 2015, in bestuur, duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord bij het Forum voor Stedelijke Vernieuwing  in Amsterdam op 12 februari 2015:

Startopstelling bij 3 spelers

Het Breed Beraad van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing stond afgelopen week in het teken van de Agenda Stad. Deze agenda wordt in een open proces ontwikkeld door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en is bedoeld om in te brengen in een vergelijkbaar Europees traject rond de ontwikkeling van een zogenaamde Urban Agenda van de EU in 2016. Bijna dertig genodigden spraken erover bij Stadgenoot aan de Sarphatistraat (!) in Amsterdam. Ik was gevraagd een inleiding te houden. Gewapend met het bordspel ‘Kolonisten van Catan’ nodigde ik de aanwezigen uit om met elkaar een  nieuw spel te ontwikkelen. ‘Kolonisten’ win je met steden. Om steden te kunnen bouwen moet je eerst dorpen bouwen. Om dorpen te kunnen bouwen heb je handelsroutes nodig. Voor het bouwen van dorpen, handelsroutes en steden heb je grondstoffen nodig. Grondstoffen win je met dobbelstenen. Zo werkt het kapitalisme: uiteindelijk win je het spel met geluk en met steden. Die laatste kosten echter veel grondstoffen, ze eten de dorpen op, ze nestelen zich in handelsroutes. Is er een even spannend alternatief mogelijk? Kunnen we het spel aanpassen zodanig dat het duurzaam wordt?

Dat steden cruciaal zijn in de oplossing van het wereldvraagstuk is iedereen onderhand wel duidelijk. Maar hoe doen we het precies? Door onderscheid te maken tussen steden, stedelijke invloedssferen en wingewesten, was mijn stelling, komen we de nieuwe spelregels op het spoor. Aan het bord zelf hoeven we niet veel te veranderen: dat bestaat uit gemeenten, provincies, naties en unies. Aan de wijze waarop ze in elkaar grijpen des te meer. Nu nog zijn steden druk bezig met zichzelf; zijn stedelijke invloedssferen vooral jaloers op de steden; zijn wingewesten zelfs woedend omdat ze zich door steden uitgebuit voelen. Provincies, naties en unies proberen de woede en jaloezie te temperen met principes van verdelende rechtvaardigheid. Het werkt echter niet. Vier concrete voorbeelden gaf ik van andere, productievere omgangsvormen tussen overheidslagen onderling en de verschillende overheden met de samenleving: Verantwoordelijke hoofdstad, Volksvlijt 2016, De Nieuwe Wibaut, Thinking City. Aan alle vier werk ik in Amsterdam vanuit mijn Wibautleerstoel. Ze zullen, denk ik, leiden tot duurzamer kapitalisme, door Jeremy Rifkin aangeduid als die van de ‘Collaborative Commons’.

Tagged with:
 

Volksvlijt 2

On 16 februari 2015, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gehoord in CREA, Roeterseiland, op 9 februari 2015:

Zaal Amsterdamlezingen 2015 (maandag 2 februari 2015 met Ben Kröse)

Tijdens de Amsterdamlezing van Zef Hemel over ‘Smart Cities, Open Planning’, maandagavond op Roeterseiland campus, ontspon zich een discussie met de zaal over de platforms die onze steden intelligent kunnen maken. Hoe open zijn ze? Moeten we ze niet begrenzen? En wie initieert? Hemel stelde dat alles begint bij een enkeling. Hij of zij neemt het initiatief en stelt een groep samen. Die groep is al een platform, maar echt intelligent is hij nog niet. Vereisten daarvoor zijn: diversiteit van de deelnemers, groei door een open karakter, gevoed worden door inspiratie, permanente interactie, decentraliteit. Wat dat laatste betreft, elk platform moet dicht op de realiteit gaan zitten. Allerlei voorbeelden kwamen voorbij: de Hells Angels, de Industrieele Club, het televisieprogramma Utopia, Vrienden van het Singelpark Leiden, de G1000, Pakhuis de Zwijger, de Amsterdam Economic Board, de vele startups, de Amsterdamse gemeenteraad, ‘Volksvlijt 2016’. De meeste platforms bleken niet echt open, zijn onvoldoende divers. Vele missen ook voldoende contact met de realiteit, dan blijft het bij praten, redetwisten, het spreken in abstracties. Hemel probeerde de output breed te definiëren. Hij zei dat we de resultaten vaak niet eens in de gaten hebben, soms kan het jaren duren voordat deze zich manifesteert. Alles hangt af van de inspiratie, de concreetheid, de herhaling, de omvang en gevarieerdheid van de samenstelling.

Tijdens het gesprek kwam moderator Hooimeijer met het voorbeeld van een asielzoekerscentrum. De mensen die daar verblijven zijn vaak afkomstig uit de hele wereld en verschillen ook sterk qua achtergrond. In Nederland zitten ze opgesloten in barakken en mogen soms jarenlang niets doen. Potentieel, gaf Hemel toe, zijn deze centra hele krachtige platforms, die we echter helemaal niet gebruiken. Een oudere heer achterin de zaal vond het allemaal tamelijk vaag: hij miste de grote verhalen. Hemel stelde hem gerust en verzekerde dat de platforms op den duur spannende toekomstverhalen genereren. Een ander klaagde dat alle van onderop gegenereerde intelligentie uiteindelijk vastloopt in bureaucratie. Hemel adviseerde hem om er omheen te bewegen en niet teleurgesteld te zijn. En hoe voorkomen we dat slechts een klein deel van de bevolking meedoet? Hemel gaf toe dat we hierop voortdurend inspanning moeten plegen. Ook om te voorkomen dat ‘tribes’ en ‘groupthink’ ontstaan is het nodig dat de platforms open blijven en dat de diversiteit blijft toenemen. Een middelbare scholier stond op en wierp tegen dat de campussen op de tekening in ‘Volksvlijt 2016′ op gesloten bolwerken leken. Hemel voorspelde dat de campussen in elkaar zouden grijpen en dat ze uiteindelijk één groot kluwen zouden vormen. De verwachte uitkomst van het platform vergeleek hij met een Afrikaanse termietenstad.

Tagged with:
 

Volksvlijt

On 12 februari 2015, in participatie, planningtheorie, wetenschap, by Zef Hemel

Verteld in CREA, Amsterdam, op 9 februari 2015:

Met ‘Volksvlijt 2016’ eindigde Zef Hemel afgelopen maandag zijn Amsterdamlezing voor een uitverkocht CREA op de Roeterseiland Campus. ‘Volksvlijt’, zo vertelde de hoogleraar Grootstedelijke vraagstukken, is het prototype van een zelfontwikkeld platform voor een ‘open stad’ waarbij duizenden burgers samen, van onderop, de Amsterdamse economie van de toekomst kunnen bedenken en ook realiseren. Naast ‘Volksvlijt’ wijdde Hemel uit over twee andere platforms die collectieve intelligentie in de stad genereren: ‘Thinking City’ (‘open universiteit’) en ’De Nieuwe Wibaut’ (‘open overheid’). Alle drie de platforms worden op dit moment door hem getest, verbeterd en onderzocht.  Straks kunnen ze gemakkelijk worden opgeschaald en toegepast in andere steden. Daarmee legde Hemel niet alleen verantwoording af over zijn werkzaamheden op de Wibautleerstoel aan de Universiteit van Amsterdam tot nu toe, ook plaatste hij zijn werk uitdrukkelijk in de context van de ratrace tussen steden om door middel van technologie, talent, creatieve industrie, wetenschappelijke valorisatie, campusontwikkeling en kapitaalinjecties een zogenaamde smart city- of zelfs global city-status te verwerven. In de nieuwe kenniseconomie willen steden vooral slim gevonden worden.

Hemel maakte duidelijk dat hierachter een veel te groot maakbaarheidsdenken steekt. Terwijl, zo vertelde hij moderator Pieter Hooimeijer, planologen juist bescheidener worden, manifesteren economen zich tegenwoordig als ware ‘economische ingenieurs’. Hij zei dat hij dat beangstigend vond. De intelligentie schuilt volgens hem ook niet zozeer in nog méér kapitaal, hoofdkantoren, vastgoed, universiteiten, musea en technologie, maar in van onderop georganiseerde dialogen in de stad waaraan alle burgers kunnen deelnemen. De essentie daarvan is, dat de platforms open zijn, kunnen groeien en de grootst mogelijke diversiteit van mensen weten te binden. Daartoe moeten ze inspirerend en mobiliserend zijn, interactief werken, geen selectie plegen, alles wat gezegd wordt aggregeren, bij herhaling steeds grotere meeropbrengsten genereren, zich ontwikkelen als de natuur zelf: dus zelf-organiserend, van onderop. En ja, moderne informatietechnologie kan dit ondersteunen. Hij zei dat het nú goed kan. De beste metafoor voor ‘smart cities’, voegde hij eraan toe, zijn niet steden afgebeeld als printplaten of machines, maar als kolossale, complexe termietennesten in de Afrikaanse savannes. Het publiek stelde veel korte vragen. Alles werd interactief. De avond leek wel een platform. 

Tagged with: